Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201403064/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1389, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2], om handhavend op te treden tegen de activiteiten van [appellante sub 1] op het perceel [locatie] te Loerbeek (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6327

Uitspraak

201403064/1/A1.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Loerbeek, gemeente Montferland,

2. [appellant sub 2], wonend te Loerbeek, gemeente Montferland,

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 23 oktober 2013 en 4 maart 2014 in zaak nr. 13/1835 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college het verzoek van [appellant sub 2], om handhavend op te treden tegen de activiteiten van [appellante sub 1] op het perceel [locatie] te Loerbeek (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het besluit van 15 februari 2013 binnen acht weken te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, en de rechtbank daar schriftelijk mededeling van te doen.

Bij brief aan de rechtbank van 16 december 2013 heeft het college het besluit van 15 februari 2013 van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 30 januari 2014 heeft [appellant sub 2] daarop zijn zienswijze gegeven.

Bij uitspraak van 4 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 februari 2013 vernietigd, het besluit van 23 augustus 2012 herroepen en het college opgedragen om binnen vier weken na verzending van de einduitspraak een handhavingsbesluit te nemen ter zake van de door [appellante sub 1] georganiseerde theatertochten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college, [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben verweerschriften ingediend.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college [appellante sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om per direct de activiteiten op het perceel, waarbij theater de hoofdactiviteit is, te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij brieven van 28 april 2014 en 5 mei 2014 heeft [appellante sub 1], en bij brief van 12 mei 2014 heeft [appellant sub 2] daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft deze door het college aan haar doorgezonden bezwaarschriften aan de Afdeling doorgezonden.

Het college heeft bij brief van 26 juni 2014 een reactie op de aan de Afdeling doorgezonden bezwaarschriften gegeven.

[appellante sub 1] heeft bij brief van 2 juli 2014 op het bezwaarschrift van [appellant sub 2], en bij brief van 11 juli 2014 op de brief van 26 juni 2014 van het college gereageerd.

[appellant sub 2] heeft bij brief van 31 juli 2014 op de brieven van het college van 26 juni 2014 en van 2 juli en 11 juli 2014 van [appellante sub 1] gereageerd.

[appellante sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2014, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [exploitant], bijgestaan door mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. B. de Jong, en het college, vertegenwoordigd door A.S. van den Berg-Heering en S.J.M. Teunissen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Montferland" rust op het perceel de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie".

Ingevolge artikel 17.1 van de planvoorschriften, zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

a. dagrecreatieve voorzieningen, met bijbehorende ondersteunende horeca, voor het perceel uitsluitend met de nadere bestemming "Huifkarcentrum annex zorgboerderij en opslag ten behoeve van het huifkarcentrum".

Ingevolge artikel 17.3, voor zover thans van belang, wordt onder strijdig gebruik met deze bestemming begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen het houden van zelfstandige, geen relatie met de (nadere) bestemming hebbende, feesten en partijen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder bs, wordt onder "ondersteunende horeca" verstaan: horeca die onlosmakelijk is verbonden met de bestemming van een perceel en daaraan ondersteunend is, en dus niet geldt voor zelfstandige feesten, partijen en soortgelijke activiteiten.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder az, wordt onder "Huifkarcentrum" verstaan: een bedrijf waar paarden en huifkarren worden gestald en van waaruit in de omgeving met paarden en huifkarren ritten worden gemaakt en kleinschalige dagrecreatieve activiteiten worden georganiseerd, zoals handboogschieten, klootschieten, ringsteken en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten.

2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 15 februari 2013 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, nu het college, naar het oordeel van de rechtbank, alvorens het besluit te nemen, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of op het perceel zelfstandige, niet aan de bestemming gerelateerde, feesten en partijen plaatsvinden, alsmede naar de vraag wat de theatertochten en theaterdiners die op het perceel plaatsvinden, feitelijk inhouden.

3. De Afdeling stelt vast dat het dictum van de uitspraak van 4 maart 2014 en de overwegingen die daaraan voorafgaan, niet duidelijk met elkaar overeenstemmen. Het dictum vermeldt dat het college handhavend dient op te treden tegen de door [appellante sub 1] georganiseerde theatertochten. Uit de overwegingen die daaraan voorafgaan, alsmede uit het feit dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een op 8 november 2013 door het college uitgevoerde controle in het Huifkarcentrum, en die controle het theaterdiner "Moodz" betrof, blijkt echter dat de rechtbank van oordeel is dat theatervoorstellingen op het perceel die de vorm hebben van een theaterdiner, in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Zoals blijkt uit de hoger beroepschriften van [appellante sub 1] en [appellant sub 2], alsmede uit het besluit van het college van 1 april 2014, waarmee het college stelt aan de opdracht in de aangevallen uitspraak te hebben voldaan, volgt dat partijen de uitspraak aldus hebben gelezen, dat de rechtbank heeft beoogd het college op te dragen handhavend op te treden tegen de door het Huifkarcentrum georganiseerde theaterdiners. Nu niet anders geconcludeerd kan worden dan dat sprake is van een kennelijke verschrijving in het dictum van deze uitspraak, gaat ook de Afdeling uit van deze lezing van de aangevallen uitspraak. Aangezien partijen blijkens hun hoger beroepschriften ook van deze lezing van de aangevallen uitspraak uit zijn gegaan en zij door de verschrijving in het dictum van de aangevallen uitspraak niet in hun processuele belangen zijn geschaad, is vernietiging van de aangevallen uitspraak op deze grond niet aangewezen.

Gelet daarop, behoeft het betoog van [appellante sub 1] dat de rechtbank, gelet op het dictum, ten onrechte heeft geoordeeld dat theatertochten in strijd zijn met de bestemming, geen bespreking.

Het hoger beroep van [appellante sub 1]

4. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door hem georganiseerde theaterdiners binnen de op het perceel rustende bestemming "Recreatie-Dagrecreatie", met de nadere bestemming "Huifkarcentrum annex zorgboerderij en opslag ten behoeve van het huifkarcentrum" passen. Hij voert daartoe aan dat bij de theaterdiners de tocht met de huifkar de hoofdactiviteit vormt, en het theater en de horeca volledig ondersteunend zijn aan die hoofdactiviteit.

Verder voert hij daartoe aan dat onder de geldende bestemming ook recreatieve activiteiten zijn toegestaan zonder dat daarbij tevens sprake moet zijn van het maken van een huifkartocht. De rechtbank heeft volgens hem ten onrechte niet onderzocht of de theaterdiners op die wijze, als "kleinschalige dagrecreatieve activiteiten" binnen de geldende bestemming passen.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat andere activiteiten dan huifkartochten binnen de nadere bestemming "Huifkarcentrum annex zorgboerderij en opslag ten behoeve van het huifkarcentrum" kunnen passen, maar dat deze daaraan dan ondergeschikt moeten zijn.

Zij heeft eveneens terecht geoordeeld dat dit, als het gaat om theaterdiners, niet het geval is. Indien een huifkartocht wordt omlijst met een volwaardige theatervoorstelling in het Huifkarcentrum, en daarvoor, daarna of tijdens de voorstelling van een diner kan worden genoten, is de theatervoorstelling, waarvoor een theatergezelschap wordt ingehuurd, niet ondergeschikt aan de huifkartocht. Ook niet als, zoals het Huifkarcentrum heeft gesteld, de huifkartocht en de theatervoorstelling in tijdsduur niet veel van elkaar verschillen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bij een theaterdiner in wezen gaat om de uitvoering van de musical in het huifkarcentrum en dat de horeca-activiteiten in dat geval het bezoek aan de musical ondersteunen en niet de huifkartocht.

4.2. [appellante sub 1] betoogt terecht dat binnen de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie", met de nadere bestemming "Huifkarcentrum annex zorgboerderij en opslag ten behoeve van het huifkarcentrum", ingevolge artikel 17.1, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder az, van de planvoorschriften, is toegestaan dat op het perceel kleinschalige dagrecreatieve activiteiten worden georganiseerd, zonder dat deelname daaraan moet zijn gekoppeld aan een huifkartocht. Het moet dan blijkens de bestemmingsomschrijving gaan om "kleinschalige dagrecreatieve activiteiten, zoals handboogschieten, klootschieten, ringsteken en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten".

Dat de rechtbank niet is ingegaan op de vraag of de theaterdiners mogelijk aldus binnen de bestemming passen, leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Theaterdiners zijn niet aan te merken als kleinschalige dagrecreatieve activiteiten, reeds omdat zij in de regel ’s-avonds plaatsvinden. Zij vormen een zelfstandige activiteit, die naar de aard niet is gelijk te stellen aan de in artikel 1, aanhef en onder az, van de planvoorschriften genoemde kleinschalige dagrecreatieve activiteiten.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat theaterdiners en de daaraan ondersteunende horeca niet binnen de geldende bestemming passen.

Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat een redelijke belangenafweging aan handhavend optreden in de weg staat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in beginsel verplicht is om handhavend op te treden nu een overtreding is vastgesteld. Zij heeft eveneens terecht overwogen dat dit slechts onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn en dat niet is gebleken dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen. Dat, naar gesteld, verzoeker om handhaving [appellant sub 2] bij de handhaving geen belang heeft omdat hij geen overlast van de activiteiten ondervindt, vormt op zichzelf, anders dan [appellante sub 1] betoogt, niet een dergelijke bijzondere omstandigheid.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van [appellant sub 2]

6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college met de brief van 16 december 2013 de door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 15 februari 2013 heeft hersteld. Volgens [appellant sub 2] is het onderzoek dat het college in het kader van zijn verzoek om handhaving heeft uitgevoerd, nog altijd onvoldoende en is de uitspraak van de rechtbank onzorgvuldig, omdat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de zelfstandige feesten die volgens [appellant sub 2] op het perceel plaatsvinden, alsmede de theatertochten, al dan niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.

6.1. Uit de brief met bijlagen van 16 december 2013 die het college naar aanleiding van de tussenuitspraak aan de rechtbank heeft toegezonden en waarin een nadere motivering van het besluit van 15 februari 2013 is gegeven, blijkt dat het college naar aanleiding van de tussenuitspraak aanvullend onderzoek heeft gedaan naar de vraag welke activiteiten precies op het perceel plaatsvinden en of deze al dan niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Dit aanvullende onderzoek bestond volgens de brief van 16 december 2013 uit onaangekondigde controles bij het Huifkarcentrum op 8, 15, 22 en 23 november 2013 en op 13 december 2013. Bij deze onaangekondigde bezoeken is gebleken dat op 15, 22 en 23 november 2013 ’s avonds geen activiteiten bij het Huifkarcentrum plaatsvonden en dat op 13 december 2013 zich 6 à 7 auto’s op het parkeerterrein bevonden. Op 8 november 2013 heeft een medewerker van de gemeente in het kader van het aanvullende onderzoek een theaterdiner in het Huifkarcentrum bijgewoond. Verder heeft het college onderzocht wat de precieze opzet is van de theatertochten en theaterdiners, hoe een en ander in zijn werk gaat met betrekking tot de daarbij aangeboden buffetten en heeft het college een rapport van bevindingen van de wijkagent met betrekking tot het Huifkarcentrum opgevraagd en verkregen. Het college heeft verder de exploitant van het Huifkarcentrum, [exploitant], om nadere informatie omtrent nog geplande voorstellingen gevraagd en tevens is de gemachtigde van [appellant sub 2] om nadere informatie ter zake van zijn verzoek om handhaving gevraagd. Het college heeft verder in het aanvullende onderzoek weergegeven wanneer in het verleden naar aanleiding van eerdere verzoeken om handhaving bij het Huifkarcentrum is gecontroleerd.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het aanvullende onderzoek van het college met het voorgaande voldoende zorgvuldig is uitgevoerd en dat daarmee het gebrek in het besluit van 15 februari 2013 is hersteld.

6.2. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, dient de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2014 aldus te worden gelezen, dat de rechtbank uitsluitend theaterdiners in strijd met de bestemming heeft geacht.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat ook de theatertochten in strijd zijn met het bestemmingsplan. Naar het college en [appellante sub 1] onweersproken hebben gesteld, bestaat het theateraspect er bij de theatertocht in dat tijdens de huifkartocht op locaties onderweg een verhaallijn wordt uitgebeeld. De gasten worden dus tijdens de tocht, onderweg, vermaakt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college in dat geval de huifkartocht wel als de hoofdactiviteit heeft kunnen aanmerken en dat het theateraspect, omdat dit van ondergeschikte betekenis is, binnen de geldende bestemming past. Voor de bij een theatertocht aangeboden ondergeschikte horeca-activiteiten geldt daarom eveneens dat deze binnen de bestemming passen.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een oordeel over de vraag of zelfstandige feesten, waarvan [appellant sub 2] stelt dat deze op het perceel worden gehouden, in strijd zijn met het bestemmingsplan. Uit het aanvullende onderzoek van het college is niet gebleken dat dergelijke feesten op het perceel plaatsvinden. Ook [appellant sub 2] heeft zijn enkele stelling daarover, hoewel daarnaar gevraagd in het aanvullend onderzoek, niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om de weigering van het college om te dien aanzien handhavend op te treden, onzorgvuldig te achten.

Het betoog faalt.

7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

8. Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college opnieuw op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] bij de brieven van 28 april, 5 mei en 12 mei 2014 tegen dit besluit ingediende gronden, zullen als gronden van beroep tegen dit besluit in aanmerking worden genomen.

Het beroep van [appellante sub 1]

9. [appellante sub 1] betoogt dat het college ten onrechte handhavend optreedt tegen de theaterdiners, omdat deze niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Bij theaterdiners staat volgens het Huifkarcentrum, evenals bij theatertochten, de tocht met de huifkar centraal.

Theaterdiners vormen verder volgens het Huifkarcentrum maar een klein deel van zijn activiteiten, zodat ook in dat opzicht de theaterdiners ondergeschikt zijn aan de huifkaractiviteiten. Verder stelt het Huifkarcentrum dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de theaterdiners kunnen vallen onder kleinschalige dagrecreatieve activiteiten.

Het Huifkarcentrum stelt voorts dat het college zijn standpunt dat theaterdiners in strijd zijn met het bestemmingsplan, ten onrechte op de uitspraak van de rechtbank heeft gebaseerd, nu de rechtbank zich alleen heeft uitgelaten over de musical "Moodz". Daaruit kan volgens het Huifkarcentrum niets worden afgeleid over andere theaterdiners.

9.1. Dit betoog faalt. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 met betrekking tot het hoger beroep van [appellante sub 1] is overwogen. Daarnaast is van belang dat voor de vraag of theaterdiners binnen de bestemming passen, de omstandigheid dat deze slechts een klein deel van de bedrijfsactiviteiten vormen, niet relevant is.

Los van de vraag hoe vaak theaterdiners voorkomen, is slechts relevant of die activiteit, als die voorkomt, van ondergeschikte betekenis is ten opzichte van de huifkartocht. Dat is, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet het geval.

Verder is van belang dat het oordeel van de rechtbank over theaterdiners, met betrekking tot de musical "Moodz", is gebaseerd op de controle op 8 november 2013. Bij die controle is naar voren gekomen wat een theaterdiner inhoudt. Nu gesteld noch gebleken is dat theaterdiners doorgaans afwijken van hetgeen op die avond is geconstateerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zijn standpunt over de theaterdiners in het besluit van 1 april 2014 ten onrechte heeft gebaseerd op het oordeel van de rechtbank.

10. [appellante sub 1] betoogt voorts dat het college het besluit tot handhavend optreden nog niet had mogen nemen. Omdat de uitspraak van de rechtbank ten tijde van het nemen van het besluit nog niet in rechte vaststond, is dat besluit volgens het Huifkarcentrum prematuur. Als het college het nemen van het besluit had uitgesteld totdat de uitspraak van de rechtbank formele rechtskracht zou hebben verkregen, dan hadden de reeds ingeplande theaterdiners doorgang kunnen vinden.

10.1. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, noch is bij de voorzieningenrechter van de Afdeling door een der partijen een verzoek om voorlopige voorziening hangende de hoger beroepen van het Huifkarcentrum en [appellant sub 2] daartegen gedaan. Het college moest dan ook binnen vier weken na verzending van die uitspraak daaraan voldoen, door een handhavingsbesluit te nemen. Het college heeft hieraan voldaan met het besluit van 1 april 2014.

In het aangevoerde is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college dit besluit niet had mogen nemen.

Het betoog faalt.

11. [appellante sub 1] betoogt verder dat in het besluit van 1 april 2014 ten onrechte geen begunstigingstermijn is opgenomen. Dat had volgens het Huifkarcentrum wel in de rede gelegen, gelet op het eerdere standpunt van het college dat de theaterdiners zijn toegestaan en het verder aan het college bekend was dat het Huifkarcentrum, gelet daarop, nog tot november 2014 theaterdiners had ingeroosterd.

11.1. Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

11.2. De onderhavige last onder dwangsom strekt tot het voorkomen van een herhaling van de overtreding. Het niet herhalen daarvan vergt enkel een nalaten van het Huifkarcentrum.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2001, in zaak nr. 200003287/1; AB 2002, 147) behoeft, in geval een last onder dwangsom strekt tot het voorkomen van een herhaling van een overtreding, aan de last niet persé een begunstigingstermijn te worden verbonden. In bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De omstandigheid dat het Huifkarcentrum nog gedurende een bepaalde periode theaterdiners had ingeroosterd, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid.

Het betoog faalt.

12. [appellante sub 1] betoogt eveneens tevergeefs dat het college aan het besluit van 1 april 2014 geen redelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Het college heeft, zoals het in het besluit van 1 april 2014 heeft vermeld, gelet op zijn beginselplicht tot handhaving, het algemeen belang dat is gediend met handhaving van de wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking, mogen laten prevaleren boven de bedrijfsbelangen van het Huifkarcentrum. Dat, zoals het Huifkarcentrum heeft gesteld, verzoeker om handhaving [appellant sub 2] daarbij geen belang heeft omdat hij van de activiteiten geen overlast ondervindt, leidt, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel.

Het beroep van [appellant sub 2]

13. [appellant sub 2] betoogt dat het college nog altijd onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de activiteiten op het perceel en de vraag in hoeverre deze in strijd zijn met het bestemmingsplan, alvorens het besluit van 1 april 2014 te nemen. Hij heeft hierbij verwezen naar hetgeen hij ter zake in het hoger beroep heeft aangevoerd.

13.1. Dit betoog faalt. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 6.1 en 6.2 met betrekking tot het hoger beroep van [appellant sub 2] is overwogen.

14. [appellant sub 2] betoogt verder dat de in het besluit van 1 april 2014 opgelegde last onder dwangsom ten onrechte alleen ziet op een met name genoemd theaterprogramma, en ten onrechte niet ziet op de horeca-activiteiten op het perceel. Deze horeca-activiteiten zijn volgens hem eveneens in strijd met het bestemmingsplan, omdat deze niet als ondersteunend aan de bestemming zijn aan te merken.

14.1. Het betoog dat met het besluit van 1 april 2014 uitsluitend wordt opgetreden tegen een met name genoemd theaterprogramma, mist feitelijke grondslag. Volgens dat besluit dient [appellante sub 1] de "activiteiten waarbij theater de hoofdactiviteit is, te beëindigen en beëindigd te houden". De tekst die het college aan die last in het besluit heeft toegevoegd, en die [appellant sub 2] in zijn brief van 12 mei 2014 heeft geciteerd, dient ter toelichting van de last, en ziet niet alleen op de daarin met name genoemde theatershow, maar uitdrukkelijk ook op "eventueel andere avonden met een soortgelijk programma". Er wordt derhalve niet uitsluitend tegen een met name genoemd theaterprogramma handhavend opgetreden.

Wat betreft de horeca-activiteiten op het perceel volgt uit het besluit van 1 april 2014 dat deze niet zijn toegestaan, voor zover zij ondersteunend zijn aan een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan. Voor de horeca die ondersteunend is aan theaterdiners is dat het geval, voor de horeca die ondersteunend is aan theatertochten is dat niet het geval. Voor zover [appellant sub 2] nog heeft gesteld dat meerdere activiteiten op het perceel plaatsvinden waarbij horeca niet als ondersteunend is aan te merken, wordt overwogen dat dit uit het onderzoek van het college niet is gebleken. Nu [appellant sub 2] dit niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft het college terecht geen aanleiding gezien tegen dergelijke activiteiten handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

15. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 1 april 2014 zijn ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Montferland van 1 april 2014, kenmerk 14uit01257, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

641.