Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201402670/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:2052, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de aangebrachte bestrating naar en naast de schapenboet op het perceel [locatie] te Den Burg, gemeente Texel, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6326
Milieurecht Totaal 2015/5944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402670/1/A1.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Texel,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2014 in zaak nr. 13/1085 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te De Koog, gemeente Texel,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast de aangebrachte bestrating naar en naast de schapenboet op het perceel [locatie] te Den Burg, gemeente Texel, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 25 februari 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2013 (lees: 7 mei 2013) vernietigd, het besluit van 21 januari 2013 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 mei 2013. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. de Witte, werkzaam bij de gemeente en [wederpartij], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Texel" rust op het perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch gebied, categorie 3".

Ingevolge artikel 1, onder at, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waarbij ten behoeve van het bedrijf hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van de open grond (grondgebonden bedrijf).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, zijn de voor Agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het tiende lid, onder c, is het in de categorie 3 verboden zonder, of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders, de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

- het ophogen, afgraven of egaliseren van gronden;

- het verwijderen of verplaatsen van tuunwallen en het dempen en van kolken;

- het aanleggen, verwijderen, verbreden of verharden van wegen, parkeerplaatsen en paden;

- het graven, verbreden of dempen van waterlopen, plassen, alsmede het maken van oeverbeschoeiingen of kaden.

Ingevolge het elfde lid, aanhef en onder c, is geen aanlegvergunning nodig voor het aanbrengen van verhardingen van ondergeschikte betekenis bij agrarische bedrijven en woningen, zoals erfverhardingen, het maken van oprijlanen, uitritten en ontsluitingen van percelen tot een totale oppervlakte van 400 m2 en parkeervoorzieningen tot een aantal van niet meer dan 5.

3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op het perceel een agrarisch bedrijf is gevestigd. Het college voert hiertoe aan dat [wederpartij] slechts hobbymatig activiteiten verricht, dat [wederpartij] niet als agrariër is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat het totaal van de activiteiten een omvang heeft van 4,9 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge), dat geen redelijk inkomen wordt behaald, dat [wederpartij] slechts 45 stuks schapen bezit en dat hij geen meldingen inzake de Wet milieubeheer heeft gedaan.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2013, in zaak nr. 201303310/1/A1), is voor het aanmerken van een agrarische activiteit als agrarisch ‘bedrijf’ vereist dat de agrarische activiteiten een - werkelijk - agrarisch bedrijfsmatig karakter hebben en dat voor de beantwoording van die vraag bijkomende gegevens gewicht in de schaal kunnen leggen, zoals, onder meer, het grondareaal, de veebezetting, de intentie waarmee de agrarische activiteiten worden ondernomen, de tijd die hieraan wordt besteed en de al of niet agrarische herkomst van betrokkene. Uit deze gegevens kan veelal worden afgeleid of de agrarische activiteiten een bedrijfsmatig dan wel een daarvan te onderscheiden hobbymatig karakter dragen. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. 201010185/1/H1) biedt de omstandigheid dat met de activiteiten geen volwaardig inkomen zal worden gegenereerd, op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat geen sprake is van activiteiten met een bedrijfsmatig karakter.

3.2. Vast staat dat [wederpartij] ongeveer € 10.000,00 per jaar verwerft met het fokken van schapen op het perceel en daarbij behorende activiteiten, zoals het verkopen van wol. Voorts heeft [wederpartij] in 2013 33 schapen jaarrond gehouden en werden er op het perceel tijdens de lammerij 71 schapen gehouden. Daarnaast valt in het aantal schapen dat gehouden wordt op het perceel een groei te constateren en heeft [wederpartij] de intentie zijn schapenbestand verder uit te breiden. Dit doet hij door een aantal van zijn lammeren niet te verkopen. Verder beschikt [wederpartij] over drie hectare en 71 are en gebruikt hij de op het perceel aanwezige schapenboet voor de opslag van voer, materieel en voor de beschutting van schapen bij bepaalde momenten en besteedt hij ongeveer 1900 uur per jaar aan het fokken van de schapen. Dat dit aantal uren aanzienlijk hoger is dan het hier van toepassing zijnde globale gemiddelde, zoals het college ter zitting onder verwijzing naar het Handboek Schapenhouderij (2002) heeft gesteld, betekent, nu het daarbij gaat om een globaal gemiddelde en [wederpartij] alle activiteiten zelf verricht, niet dat bij de beoordeling of zijn agrarische activiteiten een bedrijfsmatig karakter dragen aan door hem daaraan besteedde uren die boven dat gemiddelde liggen geen betekenis kan worden gehecht. Voorts is gebleken dat de agrarische activiteiten van [wederpartij] bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie staan ingeschreven als veehouderij en dat de door hem gehouden schapen aldaar worden geregistreerd op zogeheten stallijsten.

In het licht van het geheel van de zich hier voordoende feiten en omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat niet valt in te zien dat in dit geval niet kan worden gesproken van een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, onder at, van de planvoorschriften. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, [wederpartij] niet bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als houder van een agrarisch bedrijf, maakt dat niet anders.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt het college dat de rechtbank heeft miskend dat de aangelegde verharding niet van ondergeschikte betekenis is bij het agrarische bedrijf en derhalve een omgevingsvergunning is vereist. Het college voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van belang is of de aan te leggen verharding ondergeschikt is aan de grootte van het perceel, de aanwezige schapenboet en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het perceel.

4.1. Vast staat dat de op het perceel aangebrachte verharding een oppervlakte heeft van 343 m2. Anders dan het college stelt heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het aanleggen van deze verharding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wabo is vereist. Hierbij heeft de rechtbank bij de uitleg van artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften terecht geen zelfstandige betekenis toegekend aan de vraag of de aangelegde werkzaamheden ondergeschikt zijn aan de op het perceel aanwezige landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Gelet op de totale omvang van het perceel en de oppervlakte, situering en aard van de verharding heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verharding en inrit ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 3, elfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het aanleggen van de verharding zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder b, van de Wabo.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Texel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1016,54 (zegge: duizendzestien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Texel een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

700.