Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201308828/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:6843, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het Faunafonds aan [appellant sub 1] onder meer een tegemoetkoming van € 945,00 toegekend voor schade die door grauwe ganzen is toegebracht aan door [appellant sub 1] geteelde miniknollen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308828/2/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 augustus 2013 in zaak nr. 12/1289 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het Faunafonds.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het Faunafonds aan [appellant sub 1] onder meer een tegemoetkoming van € 945,00 toegekend voor schade die door grauwe ganzen is toegebracht aan door [appellant sub 1] geteelde miniknollen.

Bij besluit van 17 april 2012 heeft het Faunafonds het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 april 2012 vernietigd, de aan [appellant sub 1] toekomende tegemoetkoming vastgesteld op € 1.603,13 en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.J. Nicolaas, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk en W. Remijnse, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201308828/1/A2 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het Faunafonds opgedragen binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen alsnog toereikend te motiveren waarom de bij het besluit van 3 mei 2011 toegekende en bij besluit van 17 april 2012 gehandhaafde tegemoetkoming in de schade die door grauwe ganzen is toegebracht aan door [appellant sub 1] geteelde miniknollen juist is, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen, alsmede de Afdeling en [appellant sub 1] de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het Faunafonds ter uitvoering van de tussenuitspraak de bij het besluit van 3 mei 2011 toegekende en bij besluit van 17 april 2012 gehandhaafde tegemoetkoming van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 4 november 2014 heeft [appellant sub 1] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. In het voorjaar van 2010 zijn op een perceel van [appellant sub 1] ter grootte van 0,45 ha 25.000 miniknollen geplant.

Op 17 augustus 2010 is 15% teeltoppervlakte van deze knollen, te weten 675 m², verloren gegaan door toedoen van grauwe ganzen.

2. Het Faunafonds heeft aan het bij besluit van 17 april 2012 gehandhaafde besluit van 3 mei 2011 ten grondslag gelegd dat de schade dient te worden begroot door het gewicht van de verwachte opbrengst te vermenigvuldigen met de verwachte kiloprijs. Bij de begroting van schade aan pootgoed wordt doorgaans gebruikgemaakt van cijfers van Kwantitatieve Informatie (hierna: KWIN). Volgens het aan het Faunafonds op 17 maart 2011 uitgebrachte advies van Taxatiebureau Overheul Agro (hierna: Overheul) bedraagt de opbrengst van pootgoed volgens KWIN 33.000 kg per hectare met een prijs van € 0,30 per kilogram. Omdat in het geval van [appellant sub 1] geen schade is toegebracht aan pootgoed, maar aan miniknollen, is Overheul uitgegaan van een hogere opbrengst per hectare, te weten 40.000 kg, en een hogere prijs per kilogram, te weten € 0,35. Het Faunafonds is Overheul hierin gevolgd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Faunafonds de vervangingswaarde van de miniknollen had moeten vergoeden. Daarbij heeft de rechtbank, ervan uitgaande dat 15% van de aan het begin van het teeltjaar gepote 25.000 miniknollen verloren is gegaan, het uit te keren bedrag vastgesteld op € 1.603,13.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het aantal verloren gegane miniknollen het eind van het eerste jaar substantieel zou zijn vermeerderd. Volgens de Afdeling bestaat de schade van [appellant sub 1] uit de opbrengst die hij aan het eind van het eerste jaar misloopt. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dient te worden beoordeeld welke waarde de miniknollen aan het eind van het eerste jaar hadden. Het Faunafonds heeft ter zitting bij de Afdeling desgevraagd toegelicht dat Overheul bij de begroting van de schade van [appellant sub 1] de waarde van pootgoed als uitgangspunt heeft genomen, omdat voor de begroting van miniknollen geen goed referentiekader bestaat. Het Faunafonds heeft evenwel niet kunnen verduidelijken waarom in het aan hem uitgebrachte advies tot de opbrengst van 40.000 kg per ha en € 0,35 per kilo miniknollen is gekomen, hoewel dit wel op zijn weg lag. [appellant sub 1] heeft het advies van Overheul gemotiveerd betwist en zijn stelling onderbouwd met stukken, waaronder een rapport van agrarisch expert S. Veldboer van 26 maart 2013. Het lag daarom op de weg van het Faunafonds om zijn besluit van een nadere toelichting te voorzien en hierbij in te gaan op de door [appellant sub 1] ingenomen stelling, eventueel na hierover nader advies van een ter zake deskundige te hebben ingewonnen. Nu het Faunafonds dat niet heeft gedaan, is het besluit van 17 april 2012 genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aldus de Afdeling in de tussenuitspraak. De Afdeling heeft het Faunafonds daarom opgedragen alsnog toereikend te motiveren waarom de bij het besluit van 3 mei 2011 toegekende en bij besluit van 17 april 2012 gehandhaafde tegemoetkoming in de schade die door grauwe ganzen is toegebracht aan door [appellant sub 1] geteelde miniknollen juist is, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.

4. Bij brief van 15 augustus 2014 heeft het Faunafonds [appellant sub 1] gevraagd de overeenkomst die [appellant sub 1] met de leverancier van de miniknollen, Frito-Lay, heeft gesloten over te leggen. Verder heeft het fonds voorgesteld de schade van [appellant sub 1] te begroten aan de hand van de vervangingswaarde van de verloren gegane miniknollen. Om de schade op deze wijze te kunnen begroten, heeft het fonds [appellant sub 1] gevraagd de bonnen van de miniknollen die [appellant sub 1] ter vervanging van de verloren gegane miniknollen heeft aangeschaft over te leggen. Het Faunafonds heeft [appellant sub 1] ten slotte gevraagd waarom deze wijze van schadebegroting geen optie of geen reële optie is.

Bij brief van 15 september 2014 heeft [appellant sub 1] aan het Faunafonds kenbaar gemaakt dat het fonds volgens hem de overeenkomst die hij met Frito-Lay heeft gesloten niet nodig heeft bij de begroting van de schade, dat hij geen nieuwe miniknollen heeft aangeschaft omdat hij hiervoor onvoldoende financiële middelen had en dat, nu geen handel plaatsvindt in tweedejaarsknollen, de verloren gegane miniknollen niet vervangen konden worden.

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het Faunafonds zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 1] strikt genomen geen schade heeft geleden, omdat hij de miniknollen om niet heeft ontvangen van Frito-Lay en dat, nu [appellant sub 1] stelt geen kosten te hebben gemaakt om de miniknollen te vervangen en hij de overeenkomst tussen hem en Frito-Lay niet heeft overgelegd, niet kan worden vastgesteld of [appellant sub 1] anderszins nadeel - bijvoorbeeld vanwege een in de overeenkomst opgenomen boetebeding - heeft geleden. Er bestaat volgens het fonds dan ook geen aanleiding terug te komen op zijn bij het besluit van 17 april 2012 gehandhaafde besluit van 3 mei 2011. Het Faunafonds heeft verder de aan deze besluiten ten grondslag gelegde motivering aangevuld, door te verwijzen naar een nadere toelichting van Overheul van 2 oktober 2014. In die toelichting geeft Overheul te kennen dat, nu de waarde van de teelt van eerstejaarsaardappelen niet hoger ligt dan die van tweedejaarsaardappelen, kan worden uitgegaan van de waarde van de teelt van tweedejaarsaardappelen, zoals hij heeft gedaan in zijn op 17 maart 2011 uitgebrachte advies.

5. Met het besluit van 7 oktober 2014 heeft het Faunafonds opnieuw beslist op het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 3 mei 2011 gemaakte bezwaar.

Uit het bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht behorende overgangsrecht volgt dat, nu het nieuwe besluit is bekendgemaakt na 31 december 2012, dit moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dit geldt sinds de inwerkingtreding van deze wet.

Het besluit van 7 oktober 2014 is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding.

6. [appellant sub 1] komt in zijn zienswijze op tegen het besluit van 7 oktober 2014. Volgens [appellant sub 1] heeft het Faunafonds ook met dit besluit niet toereikend gemotiveerd waarom de schade moet worden vastgesteld op € 945,00. [appellant sub 1] betoogt daartoe onder meer dat het Faunafonds geheel is voorbijgegaan aan het aan het fonds uitgebrachte advies van A. Toussaint, werkzaam bij de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK).

6.1. In een ongedateerde e-mail van Toussaint aan Van Dijk, schrijft eerstgenoemde het volgende:

"De productie van pootgoed in Nederland start via (traditionele) stamselectie of in-vitro geproduceerde miniknollen en volgt het classificatieschema (…). Uitgangspunt van dit systeem is een jaarlijkse automatische klasse verlaging (garandeert regelmatige instroom gezond pootgoed en beperkt opbouw van ziekten). Miniknollen worden geproduceerd in speciale laboratoria/kassen die erkend zijn door de NAK. Stammentelers kopen miniknollen voor de productie van [eerstejaars] stammen. Voor de productie van een [tweedejaars] stam wordt in de regel de opbrengst van een [eerstejaars] stam gebruikt.

De opbrengst van de vermeerdering miniknollen tot [eerstejaars] stam varieert (afhankelijk van ras, omstandigheden [et cetera]). Gemiddeld is dat 7 tot 10 keer per gepote miniknol. De variatie, zowel naar [beneden als] boven, kan groter zijn. De in het procesverloop genoemde getallen voor [het] aantal gepote miniknollen 25.000 op 0,45 ha [en het] aantal verloren gegane en benodigde [aantal] miniknollen [33.250] voor het poten van 0,5 ha zijn - uitgaande van gemiddelden - realistisch en in overeenstemming met de gangbare praktijk van de teelt. Voor de productie van een [tweedejaars] stam kunnen zowel miniknollen als de opbrengst van een [eenjarige] stam worden gebruikt (aankoop van pootgoed [eerstejaars] stam). Met het oog op een gesloten bedrijfsvoering (geen aankoop [van] bedrijfsvreemd pootgoed) is aankoop van miniknollen (…) voor de productie van een [tweedejaars] stam (…) een verstandige praktijk."

6.2. [appellant sub 1] betoogt terecht dat het op de weg van het Faunafonds lag een reactie te geven op de door hemzelf overgelegde verklaring van Toussaint, volgens welke de door Veldboer, wiens schadebegroting [appellant sub 1] aan zijn verzoek om tegemoetkoming ten grondslag heeft gelegd, gekozen uitgangspunten realistisch en in overeenstemming met de gangbare praktijk van de teelt zijn. Nu het Faunafonds dat niet heeft gedaan en de opbrengst wederom en zonder toelichting heeft uitgedrukt in kilogrammen en niet in aantallen en het is uitgegaan van een kiloprijs in plaats van een stukprijs, moet worden geoordeeld dat het Faunafonds met het besluit van 7 oktober 2014 het gebrek dat aan het besluit van 17 april 2012 kleefde, niet heeft hersteld.

Het betoog slaagt.

7. Met het oog op een spoedige en definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling het college niet opnieuw opdragen om een besluit te nemen over een tegemoetkoming in schade die door grauwe ganzen is toegebracht aan door [appellant sub 1] geteelde miniknollen. Nu Toussaint de door Veldboer gekozen benadering van de schade van [appellant sub 1] als realistisch en in overeenstemming met de gangbare praktijk van de teelt heeft aangemerkt, gaat de Afdeling uit van de juistheid van deze benadering. De stukprijs waarvan [appellant sub 1] uitgaat - € 0,45 - ligt in de ordegrootte van de in het door [appellant sub 1] in bezwaar overgelegde overzicht van de Coöperatieve Zaaizaad- en Pootgoedtelersvereniging Anna Paulowna genoemde prijzen. Aangezien het Faunafonds zich ook over dit overzicht niet heeft uitgelaten, terwijl dit wel op zijn weg lag, gaat de Afdeling ervan uit dat € 0,45 een redelijke stukprijs is voor het type miniknol waaraan de schade is toegebracht. Dat de miniknollen door Frito-Lay om niet aan [appellant sub 1] ter beschikking zijn gesteld en [appellant sub 1] de verloren gegane miniknollen niet heeft vervangen doet, zoals [appellant sub 1] terecht heeft aangevoerd, niet ter zake, reeds omdat, zoals de Afdeling in de tussenuitspraak uiteen heeft gezet, de schade van [appellant sub 1] niet bestaat uit het verloren gaan van pootgoed dat aan het begin van het eerste jaar is gepoot, maar uit de misgelopen opbrengst aan het eind van het eerste jaar.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de Afdeling [appellant sub 1] volgt in zijn stelling dat met de verloren gegane miniknollen een oppervlakte van 0,5 ha beplant had kunnen worden, dat, om deze oppervlakte alsnog te kunnen beplanten, 33.250 miniknollen nodig waren geweest, ter waarde van € 0,45 per stuk. De totale schade wordt daarmee op € 14.962,50 vastgesteld. Nu volgens artikel 8, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 2, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds een tegemoetkoming wordt verminderd met 5% van het vastgestelde bedrag, dient de tegemoetkoming aan [appellant sub 1] op € 14.214,38 te worden vastgesteld.

9. Uit de tussenuitspraak volgt reeds dat het door het Faunafonds ingestelde incidenteel hoger beroep van het Faunafonds ongegrond is. Het door [appellant sub 1] ingestelde hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de tegemoetkoming aan [appellant sub 1] is vastgesteld op € 1.603,13 en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De Afdeling zal het besluit van 7 oktober 2014 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb, het besluit van 3 mei 2011 herroepen en bepalen dat het Faunafonds aan [appellant sub 1] een tegemoetkoming van € 14.214,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2010, de datum waarop het fonds de aanvraag heeft ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, betaalt. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 oktober 2014. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

10. Het Faunafonds dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het bestuur van het Faunafonds ongegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de Noord-Holland van 5 augustus 2013 in zaak nr. 12/1289, voor zover daarbij de tegemoetkoming aan [appellant sub 1] is vastgesteld op € 1.603,13 en is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IV. vernietigt het besluit van 7 oktober 2014, kenmerk FF 18265.87905;

V. herroept het besluit van 3 mei 2011, kenmerk FF 18265.6.87905;

VI. bepaalt dat het bestuur van het Faunafonds aan [appellant sub 1] een tegemoetkoming van € 14.214,38 betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 oktober 2014;

VIII. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

IX. veroordeelt het bestuur van het Faunafonds tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217.50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het bestuur van het Faunafonds aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Michiels w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

17-735.