Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201402333/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Spoorbaantracé" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 11
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2014/8
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6381

Uitspraak

201402333/1/R3.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Waalre,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Waalre,

en

de raad van de gemeente Waalre,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Spoorbaantracé" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2X], beiden bijgestaan door mr. R.E. Wannink, advocaat te Boxtel, en ing. P.A.C. Veenbrink, en de raad, vertegenwoordigd door A.H. Burggraaf, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de aanleg van een gedeelte van een fietspad tussen de gemeenten Waalre en Valkenswaard over het Oude spoorbaantracé ten zuiden van de kern Waalre.

3. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ingediend namens [appellant sub 2], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2A]), [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2C]), [appellant sub 2E] en [appellante sub 2F] (en hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2E]), [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K] en [appellant sub 2L] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2K]), [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellante sub 2P] en [appellant sub 2Q] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2P]), [appellant sub 2R], [appellante sub 2S], [appellant sub 2T] en [appellante sub 2U] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2T]), [appellant sub 2V], [appellant sub 2W], [appellant sub 2X], [appellant sub 2Y] [appellant sub 2Z], [appellant sub 2Aa], [appellant sub 2Ab], [appellant sub 2Ac], [appellant sub 2Ad] en [appellante sub 2Ae] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2Ad]), [appellant sub 2Af] en [appellante sub 2Ag] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2Af]), [appellant sub 2Ah] en [appellant sub 2Ai].

3.1. De woning van [appellant sub 2] staat op een afstand van ongeveer 125 m van het plangebied, de woning van [appellant sub 2A] op een afstand van ongeveer 125 m, de woning van [appellant sub 2E] op een afstand van ongeveer 125 m, de woning van [appellant sub 2I] op een afstand van ongeveer 688 m, het pand van [appellant sub 2I] aan de [locatie] op een afstand van ongeveer 180 m, de woning van [appellant sub 2J] op een afstand van ongeveer 255 m, de woning van [appellant sub 2K] op een afstand van ongeveer 206 m, de woning van [appellant sub 2M] op een afstand van ongeveer 290 m, de woning van [appellant sub 2N] op een afstand van ongeveer 357 m, de woning van [appellant sub 2O] op een afstand van ongeveer 150 m, de woning van [appellant sub 2R] op een afstand van ongeveer 185 m, de woning van [appellante sub 2S] op een afstand van ongeveer 150 m, de woning van [appellant sub 2T] op een afstand van ongeveer 128 m, de woning van [appellant sub 2V] op een afstand van ongeveer 150 m, de woning van [appellant sub 2X] op een afstand van ongeveer 370 m, de woning van [appellant sub 2Y] en [appellant sub 2Z] op een afstand van ongeveer 200 m, de woning van [appellant sub 2Aa] op een afstand van ongeveer 200 m, de woning van [appellant sub 2Ab] op een afstand van ongeveer 200 m, de woning van [appellant sub 2Ac] op een afstand van ongeveer 200 m, de woning van [appellant sub 2Af] op een afstand van ongeveer 200 m, de woning van [appellant sub 2Ah] op een afstand van ongeveer 200 m en de woning van [appellant sub 2Ai] op een afstand van ongeveer 200 m.

Gelet op deze afstanden en de omstandigheid dat tussen de woningen en het plangebied bebouwing, bomen en struiken staan of wegen liggen, hebben zij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, zijn deze afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellant sub 2], [appellant sub 2A], [appellant sub 2E], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K], [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2R], [appellante sub 2S], [appellant sub 2T], [appellant sub 2V], [appellant sub 2X], [appellant sub 2Y] en [appellant sub 2Z], [appellant sub 2Aa], [appellant sub 2Ab], [appellant sub 2Ac], [appellant sub 2Af], [appellant sub 2Ah] en [appellant sub 2Ai] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2], [appellant sub 2A], [appellant sub 2E], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K], [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2R], [appellante sub 2S], [appellant sub 2T], [appellant sub 2V], [appellant sub 2X], [appellant sub 2Y] en [appellant sub 2Z], [appellant sub 2Aa], [appellant sub 2Ab], [appellant sub 2Ac], [appellant sub 2Af], [appellant sub 2Ah] en [appellant sub 2Ai], is niet-ontvankelijk.

3.2. De woning van [appellant sub 1] staat op een afstand van ongeveer 86 m van het plangebied, de woning van [appellant sub 2C] op een afstand van ongeveer 83 m, de woning van [appellant sub 2G] op een afstand van ongeveer 44 m, de woning van [appellant sub 2H] op een afstand van ongeveer 52 m, de woning van [appellante sub 2P] op een afstand van ongeveer 48 m, de woning van [appellant sub 2W] op een afstand van ongeveer 48 m, en de woning van [appellant sub 2Ad] op een afstand van ongeveer 55 m. Gelet op deze afstanden en de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, zijn de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2C], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], [appellante sub 2P], [appellant sub 2W] en [appellant sub 2Ad] rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H], [appellante sub 2P], [appellant sub 2W] en [appellant sub 2Ad] zijn derhalve ontvankelijk.

3.3. In de volgende overwegingen heeft de aanduiding "[appellant sub 2] en anderen" betrekking op de tot die groep behorende personen die ontvankelijk zijn in hun beroep.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld. Zij vrezen dat het voorziene fietspad, mede gelet op de breedte daarvan van 3,5 m, negatieve gevolgen heeft voor hun woonomgeving. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het nut en de noodzaak van het in het plan voorziene fietspad. De onderzoeken die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd zijn te algemeen en bevatten ten onrechte geen cijfermatige onderbouwing over de toename van het aantal fietsers en de afname van het autoverkeer in de regio. Zij stellen dat het fietspad niet intensief gebruikt zal worden, omdat het fietspad alleen bedoeld is voor werknemers van de High Tech Campus Eindhoven en de sociale veiligheid op het fietspad niet is gewaarborgd wegens een slechte verlichting. Onder verwijzing naar een onderzoek van Oranjewoud in het kader van een plan-MER stellen zij dat het nieuwe fietspad slechts zal bijdragen aan een fractie van de verkeersafname. Omdat voormelde verkeersgegevens ontbreken is voorts niet inzichtelijk geworden dat het fietspad een gunstig effect heeft op de luchtkwaliteit. Voorts voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aan dat ook het alternatievenonderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd. Zij zijn van mening dat er betere alternatieven voor het fietspad zijn die de natuur en het woon- en leefklimaat minder aantasten. Daarnaast zijn alternatieven buiten de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) ten onrechte niet onderzocht.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het nut en de noodzaak van het fietspad aannemelijk zijn gemaakt aan de hand van diverse onderzoeken. Volgens de raad is uit het onderzoek naar alternatieven gebleken dat er geen geschikte alternatieven voor het fietspad zijn.

4.2. Aan het plandeel voor de gronden waarop het fietspad komt te liggen is de bestemming "Verkeer - Fietspad" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Fietspad" aangewezen gronden bestemd voor fietspaden, met dien verstande dat de breedte van het fietspad niet meer mag bedragen dan 3,5 m. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietspad 2" bedraagt de maximale breedte 2,4 m.

4.3. In de toelichting op het plan staat dat de provinciale weg N69 de bestaande verbinding vormt tussen de gemeenten Valkenswaard en Eindhoven. Dagelijks rijden 25.000 motorvoertuigen voor wonen en werken over deze weg. Door dit intensieve gebruik zijn er knelpunten ontstaan op het gebied van leefbaarheid en bereikbaarheid.

In het Gebiedsakkoord Grenscorridor N69 van 27 juni 2012 (hierna: Gebiedsakkoord) staat dat de aan dit akkoord deelnemende partijen een integrale oplossing zijn overeengekomen voor voormelde problemen. Daarbij is onder meer een pakket aan maatregelen afgesproken ten behoeve van een goede doorstroming van de lokale wegen. Een van de maatregelen betreft het bevorderen van het fietsgebruik door de aanleg van een fietspad over het Oude Spoorbaantracé in de gemeenten Valkenswaard en Waalre.

4.4. In opdracht van de gemeente Waalre heeft adviesbureau DHV onderzoek gedaan naar het nut en de noodzaak van het nieuwe fietspad. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Nieuwe kansen voor een oud spoor? Een nut en noodzaak onderzoek naar een fietsverbinding over het spoorwegtracé Valkenswaard, Waalre en Eindhoven" van juni 2010 (hierna: het DHV-rapport). In het DHV-rapport staat, onder verwijzing naar het rapport van bureau Ecorys "De Potenties voor ontlasting van het wegennet door de fiets voor zeven stedelijke regio’s" van juli 2009, dat relatief veel forenzen met de fiets naar het centrum van Eindhoven reizen. Vanuit de regio Eindhoven bedraagt het aandeel van fietsers in het wegverkeer naar het centrum van Eindhoven 39%. Vanuit Valkenswaard bedraagt het aandeel van fietsers in het wegverkeer slechts 18%, zodat er aanzienlijke kansen zijn om automobilisten te bewegen gebruik te maken van de fiets. Ruim 2.500 forenzen kunnen vanuit Waalre en Valkenswaard worden bewogen dagelijks gebruik te maken van de fiets. Voorts staat in het DHV-rapport over het nut van het fietspad dat door een verbeterde bereikbaarheid per fiets het aantal verplaatsingen per fiets zal toenemen ten koste van de verplaatsingen met de auto. Bij een hoogwaardig en veilig fietspad kan het huidige aandeel fietsers verdubbelen en door de daarmee gepaard gaande afname van het autoverkeer zal de luchtkwaliteit en de bereikbaarheid van economische centra in Eindhoven verbeteren. Ook zal de verkeersveiligheid verbeteren, omdat het bestaande fietspad langs de N69 gevaarlijke situaties kent door onder meer kruisende wegen. Over de noodzaak van het fietspad staat in het DHV-rapport dat de bestaande fietspaden forenzen niet ertoe aanzetten om in plaats van de auto gebruik te maken van de fiets. Dit wordt wel bereikt door een hoogwaardig fietspad dat comfortabel en veilig is.

Ook Accent Adviseurs heeft onderzoek gedaan naar het nut en de noodzaak van het fietspad. In de notitie "Second opinion fietspad Oude Spoorbaantracé" van Accent Adviseurs van 20 augustus 2012 staat dat het fietspad een meerwaarde heeft ten opzichte van bestaande fietspaden. Zo wordt in deze notitie onder meer vermeld dat het fietspad centraal ligt en makkelijk toegankelijk is voor het fietsverkeer vanuit de kern Valkenswaard. Voorts brengt het fietspad een directe en comfortabele verbinding tot stand tussen de gemeenten Valkenswaard en Eindhoven en is het fietspad verkeersveiliger dan de bestaande fietspaden.

4.5. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad voormelde onderzoeken niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Dat geldt ook waar het gaat om de breedte van het fietspad. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen stellen, bevatten de onderzoeken voldoende aanknopingspunten voor de raad om het nut en de noodzaak van het fietspad aan te nemen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat van het nieuwe fietspad geen intensief gebruik zal worden gemaakt. De stelling dat het fietspad alleen bedoeld is voor het bestemmingsverkeer naar de High Tech Campus in Eindhoven, volgt de Afdeling niet, nu volgens het DHV-rapport het fietspad wordt gezien als een verbinding met het netwerk dat economische toplocaties met elkaar verbindt. Daarnaast hebben zij de stelling dat de sociale veiligheid niet is gewaarborgd wegens een slechte verlichting niet onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het fietspad slechts zal bijdragen aan een fractie van de afname van het verkeer over de N69. Daarbij overweegt de Afdeling dat in de notitie van bureau Kragten van 4 maart 2013 staat dat het onderzoek van bureau Oranjewoud in het kader van een plan-MER niet specifiek is uitgevoerd voor het wegvak tussen Valkenswaard en Waalre, maar voor een zeer omvangrijk studiegebied dat zich uitstrekt van Eindhoven tot Lommel en van Leende tot Eersel.

4.6. In de notitie en haar memo van bureau Kragten van 4 maart 2013 onderscheidenlijk 5 december 2013 zijn de resultaten van het onderzoek naar alternatieven voor het fietspad neergelegd. In de notitie staat onder meer dat het fietsverkeer over de bestaande fietsroute over de Heikantstraat en de fietsroute langs de N69 regelmatig te kampen heeft met onderbrekingen en dat de verkeersveiligheid op deze routes in het geding is, zodat deze routes geen geschikte alternatieven zijn. Over de twee alternatieven buiten de EHS staat in deze memo dat deze alternatieven evenmin aan de verkeerkundige aspecten voor een volwaardige snelfietsroute voldoen. Beide alternatieven voorzien nauwelijks in een aanvulling op het bestaande wegennetwerk en een scheiding tussen het fiets- en autoverkeer. Voorts is de luchtkwaliteit bij beide fietsroutes slecht. Over de alternatieven binnen de EHS staat in de memo dat deze onvoldoende scoren op de verkeerskundige criteria voor een snelfietsroute om als volwaardig alternatief te dienen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar alternatieven naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad deze onderzoeken niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

4.7. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nut en de noodzaak van het fietspad aannemelijk zijn gemaakt.

Het betoog faalt.

5. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ten onrechte de begrenzing van de EHS ter plaatse van het fietspad heeft gewijzigd ten behoeve van de aanleg van het fietspad. Volgens hen is niet voldaan aan de voorwaarden voor herbegrenzing en liggen aan het besluit tot herbegrenzing van de EHS geen ruimtelijk relevante motieven ten grondslag. Zonder deze herbegrenzing zou het fietspad in de EHS komen te liggen, hoewel daarmee geen groot openbaar belang is gemoeid, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

5.1. Ingevolge artikel 4.7 van de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant 2012 (hierna: verordening 2012) kan het college van gedeputeerde staten de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur wijzigen indien uit het verzoek van de gemeente om herbegrenzing blijkt dat:

a. er sprake is van een groot openbaar belang;

b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de ecologische hoofdstructuur;

c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn waardoor de aantasting van ecologische hoofdstructuur wordt voorkomen;

d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd, waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 4.11.

5.2. Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier aan de orde, kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

5.3. Op verzoek van de gemeentebesturen van Waalre en Valkenswaard heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 27 augustus 2013 de begrenzing van de EHS ten behoeve van de verwezenlijking van het plan zodanig gewijzigd dat de gronden waarop het fietspad is voorzien niet meer in de EHS liggen. In het besluit van 27 augustus 2013 is onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 4.7 van de Verordening 2012 voor herbegrenzing van de EHS is voldaan. Zo is onder meer sprake van een groot openbaar belang, omdat het fietspad onderdeel uitmaakt van een pakket aan maatregelen dat is afgesproken in het Gebiedsakkoord om wezenlijke leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen op te lossen. Het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de volksgezondheid neemt daarin een prominente plaats in. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het besluit tot wijziging van de begrenzing van de EHS in strijd is met artikel 4.7 van de Verordening 2012 of in strijd is met het verbod van willekeur.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Zij stellen dat het door bureau Kragten verrichte onderzoek naar flora en fauna gebreken bevat. Onder verwijzing naar de notitie "Reactie op natuuronderzoeken/natuurtoets fietspad over oude spoorbaan" van S. [appellant sub 2X] van 3 november 2013 stellen zij dat in dit onderzoek is nagelaten gebruik te maken van de gegevens uit de Nationale databank Flora- en Fauna en dat geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van amfibieën ter plaatse van het plangebied. Zij stellen dat het fietspad in de weg staat aan de migratie van de heikikker en de poelkikker die in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn staan vermeld. Voorts stellen zij dat de verlichting van het fietspad tot een verstoring van leefgebieden van vleermuizen zal leiden.

Verder betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen dat het plan niet uitvoerbaar is, omdat de raad van de gemeente Valkenswaard na de vaststelling van het plan heeft afgezien van de vaststelling van een bestemmingsplan voor het deel van het fietspad binnen de gemeente Valkenswaard. Daarnaast betwijfelen zij of subsidie voor de aanleg van het fietspad zal worden verstrekt, omdat het college van burgemeester en wethouders van Waalre na de vaststelling van het plan aan het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven uitstel heeft verzocht voor het voldoen aan een voorwaarde voor het verlenen van subsidie.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Voor de aanleg van het fietspad hoeft geen ontheffing in het kader van de Ffw te worden verleend en voor zover dit wel het geval zou zijn, kan deze ontheffing worden verleend. Daarbij wijst de raad er op dat met de aanleg van het fietspad een groot openbaar belang is gemoeid.

Voorts stelt de raad dat ten tijde van het bestreden besluit, mede op basis van contacten met de gemeente Valkenswaard, de verwachting bestond dat een bestemmingsplan voor het deel van het fietspad op het grondgebied van de gemeente Valkenswaard zou worden vastgesteld. Intussen heeft de raad van de gemeente Valkenswaard bij besluit van 24 april 2014 dit bestemmingsplan alsnog vastgesteld. Daarnaast bestond, mede op basis van contacten met het Rijk, de verwachting dat subsidie zou worden verleend.

6.2. Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, voor zover thans van belang, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit) zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, aanhef en onder c, van de Ffw aangewezen:

e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

[…].

Ingevolge artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kan met betrekking tot de diersoorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, van de artikelen 9 tot en met 12 van de Ffw slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, b, c, d, e of f.

6.2.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.2.2. Bureau Kragten heeft onderzoek gedaan naar de flora en fauna ter plaatse van de route van het fietspad. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Gemeente Waalre, Fietsverbinding Oude Spoortracé" van december 2010 (hierna: flora- en faunarapport). In het flora- en faunarapport staat dat de natuurgegevens van het Natuurloket zijn geraadpleegd om meer inzicht te krijgen in de mogelijk aanwezige diersoorten in de nabijheid van de fietsroute. Voorts staat in een e-mail van bureau Kragten van 13 mei 2014 dat het Natuurloket gegevens uit de Nationale databank Flora- en Fauna levert en dat deze gegevens voor het onderzoek zijn gebruikt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om deze toelichting van bureau Kragten onjuist te achten.

Het aantasten van foerageergebieden en migratieroutes van vleermuizen wordt niet begrepen onder het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen als bedoeld in artikel 11 van de Ffw, tenzij deze samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen.

In het flora- en faunarapport staat dat verblijfplaatsen van vleermuizen langs de fietsroute tijdens de inventarisaties niet zijn vastgesteld. Wel wordt de laanstructuur aan weerszijden van het zandpad, waarop het fietspad is voorzien, door de gewone dwergvleermuis als vliegroute en als foerageergebied gebruikt. Ook de laatvlieger gebruikt de laanstructuur als foerageergebied. De laanstructuur zal niet hoeven te wijken voor de aanleg van het fietspad. Om het daadwerkelijk functioneren van de vliegroutes te waarborgen wordt bij de keuze van de verlichting rekening gehouden met zo min mogelijk uitstraling naar de omgeving. Op deze wijze is een aanvraag om een ontheffing in het kader van artikel 75 van de Ffw niet nodig, zo staat in het flora- en faunarapport.

6.2.3. Voorts heeft Ecologica in opdracht van de gemeente Waalre onderzoek gedaan naar de gevolgen van het fietspad voor de ecologie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Compensatieplan Fietspad Oude Spoorbaantracé" (hierna: compensatieplan) van april 2012. Het compensatieplan bevat tevens een plan om de negatieve effecten van het fietspad voor onder meer amfibieën te mitigeren en te compenseren.

In het compensatieplan staat dat het fietspad een barrière kan vormen voor een vrije uitwisseling van met name de poelkikker en de heikikker tussen vennen waarvan zij schade kunnen ondervinden. Ook zal het fietspad tot meer verkeersslachtoffers leiden waarbij met name wordt gedacht aan amfibieën. Door het gebruik van faunapassages zal de versnipperende werking van het fietspad afnemen en kunnen verkeerslachtoffers worden voorkomen. Omdat verkeerslachtoffers niet in het geheel kunnen worden voorkomen blijft compensatie nodig.

Niet uitgesloten is dat een ontheffing in het kader van de Ffw nodig is voor overtreding van een verbod. De poelkikker en de heikikker zijn vermeld in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. De Afdeling overweegt dat in beginsel ten behoeve van een ontheffing van een verbod als bedoeld in artikel 9 tot en met 12 van de Ffw een beroep kan worden gedaan op het belang zoals genoemd in artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit.

6.2.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De betogen falen.

6.3. De omstandigheid dat de raad van de gemeente Valkenswaard vlak na de vaststelling van het plan heeft geweigerd een bestemmingsplan vast te stellen voor het deel het fietspad binnen de gemeente Valkenswaard en de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van Waalre nadien uitstel heeft verzocht voor het voldoen aan een voorwaarde voor het verlenen van subsidie, kan niet worden betrokken in het voorliggende geschil. Daarbij is van belang dat een toetsing door de Afdeling van het bestreden besluit wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee geoordeeld zou moeten worden dat de raad ten tijde van het bestreden besluit er niet vanuit mocht gaan dat een bestemmingsplan voor het deel van het fietspad binnen de gemeente Valkenswaard zal worden vastgesteld en dat subsidie voor de aanleg van het fietspad zal worden verleend. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

7. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], [appellant sub 2E] en [appellante sub 2F], [appellant sub 2I], [appellant sub 2J], [appellant sub 2K] en [appellant sub 2L], [appellant sub 2M], [appellant sub 2N], [appellant sub 2O], [appellant sub 2R] [appellante sub 2S], [appellant sub 2T], [appellant sub 2V], [appellant sub 2X], [appellant sub 2Y] en [appellant sub 2Z], [appellant sub 2Aa], [appellant sub 2Ab], [appellant sub 2Ac], [appellant sub 2Af] en [appellante sub 2Ag], [appellant sub 2Ah] en [appellant sub 2Ai], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Koeman w.g. Man

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

629.