Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4384

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201408282/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 11 juni 2014, in zaak nr. 201307348/1, heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 juni 2013 van de raad van de gemeente Wassenaar waarbij het bestemmingsplan "Ammonslaantje-Maaldrift 2013" is vastgesteld, ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408282/1/R4.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[appellant A], wonend te Wassenaar, en [appellant B] en [appellant C], beiden wonend te Katwijk, (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

verzoekers,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, in zaak nr. 201307348/1/R4.

Procesverloop

Bij uitspraak van 11 juni 2014, in zaak nr. 201307348/1, heeft de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 juni 2013 van de raad van de gemeente Wassenaar waarbij het bestemmingsplan "Ammonslaantje-Maaldrift 2013" is vastgesteld, ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

[appellant] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 november 2014, waar [appellant], van wie [appellant B] en [appellant A] in persoon, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. [appellant] voert aan dat de Afdeling in de uitspraak van 24 november 1998 in zaak nr. E01.97.0385 heeft overwogen dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het perceel naast het perceel [locatie A] te Wassenaar te klein is om woningbouw mogelijk te maken. [appellant] heeft het perceel nadien vergroot. Desondanks heeft de Afdeling in de uitspraak van 11 juni 2014 overwogen dat de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen afzien aan het perceel een bouwvlak toe te kennen. Deze uitspraak is derhalve in strijd met de eerdere uitspraak van 24 november 1998, aldus [appellant].

De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 juni 2014 overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel [locatie B] te Wassenaar een bouwwerk is toegevoegd. [appellant] voert aan dat hij door middel van de in deze procedure overgelegde plankaart van het bestemmingsplan "Ammonslaantje 1998" en verklaringen van omwonenden aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel [locatie B] te Wassenaar een woning is toegevoegd en dat dit perceel geen agrarische bestemming heeft gehad.

[appellant] voert aan dat sprake is van een feitelijke onjuistheid, nu in de uitspraak van 11 juni 2014 ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat hij heeft verzocht aan het perceel [locatie A] te Wassenaar een tweede bouwvlak toe te kennen.

[appellant] doet in verband met het bovenstaande een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van een herzieningsverzoek uitsluitend van belang is of feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld.

Ten aanzien van de overgelegde verklaringen en de overlegde plankaart overweegt de Afdeling dat het feit dat de overgelegde verklaringen zijn afgelegd en de plankaart is verkregen na de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014 niet uitsluit dat zij betrekking hebben op feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak en aldus dienst kunnen doen ter vaststelling van een feit in de zin van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er evenwel niet toe om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Het middel biedt een partij derhalve niet de mogelijkheid argumenten die in een eerdere procedure naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw onderscheidenlijk alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Nu [appellant] met zijn uiteenzetting een zodanige heropening beoogt, moet het verzoek worden afgewezen.

Ten aanzien van de gestelde feitelijke onjuistheid, de gestelde strijd met de uitspraak van 24 november 1998 en het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat het herstellen van rechterlijke misslagen, voor zover daar al sprake van zou zijn, niet kan worden begrepen onder de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb bedoelde feiten of omstandigheden. Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen.

Voor zover daarom is verzocht, ziet de Afdeling evenmin reden om tot vervallenverklaring van de uitspraak over te gaan. Vervallenverklaring is een buitenwettelijk middel dat slechts in zeer bijzondere gevallen wordt gehanteerd. Zodanig bijzonder geval doet zich hier niet voor.

4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

433.