Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201407427/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201407427/2/R4.

Datum uitspraak: 28 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Vereniging voor Natuurbescherming, gevestigd te Gorredijk,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Opsterland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de vereniging beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft de vereniging de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2014, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [secretaris], bijgestaan door mr. M.T. Hoen, advocaat te Gorredijk, en de raad, vertegenwoordigd door A. Kramer, werkzaam bij de gemeente, en P. van Dijk, wethouder, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan beoogt een actueel planologisch-juridisch kader te bieden voor het buitengebied van de gemeente Opsterland.

3. De vereniging betoogt dat het plan zal leiden tot negatieve effecten op de in het plangebied aanwezige natuurwaarden, waaronder een drietal Natura 2000-gebieden, vanwege stikstofdepositie. Ook betoogt zij dat het plan leidt tot verstoring van beschermde diersoorten, onder andere vanwege lichthinder.

3.1. De raad stelt dat analyses in onder meer het plan-MER hebben uitgewezen dat de stikstofsituatie in het plangebied ontwikkelingsruimte overlaat voor agrarische bedrijvigheid. Deze ontwikkelingsruimte is in de planregels afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de bestaande stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten dan wel andere stalsystemen niet mag toenemen. Daarmee is volgens de raad op planniveau generiek geborgd dat geen significant negatieve effecten kunnen optreden voor de relevante Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden. Daarbij heeft de raad niet verder willen gaan dan wat op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) mogelijk is. Mocht in het kader van een Nbw-vergunningprocedure blijken dat een door een agrarisch bedrijf gewenste ontwikkeling met toename van emissie door het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân wordt toegestaan, dan wil de raad deze ontwikkeling niet in de weg staan.

Wat betreft de gestelde verstoring van beschermde diersoorten door licht wijst de raad erop dat betrokken instanties (LTO, provincie en milieuorganisaties) bezig zijn met afronding van een convenant, waarin afspraken over lichtuitstoot worden gemaakt. Een planregeling over lichthinder zou die afspraken kunnen frustreren en tot onnodige regeldruk en juridische problemen kunnen leiden, aldus de raad.

3.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge het derde lid, gelezen in samenhang met artikel 19g, mag het plan alleen dan worden vastgesteld indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.

3.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een grond- en plaatsgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat intensieve veehouderij als neventak met een oppervlakte van maximaal 250 m², dan wel de bestaande oppervlakte wanneer deze groter is, in de bestemming is begrepen;

c. intensieve veehouderij, uitsluitend voor zover het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder e, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met enige bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden, gebouwen dan wel overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden.

Ingevolge lid 28.2 wordt niet tot een strijdig gebruik gerekend:

a. het gebruik van gronden, gebouwen en/of overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden, indien:

1. dit niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); of

2. toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en) niet leidt tot een overschrijding van de kritische depositiewaarde van de habitats; of

3. toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en) wordt gesaldeerd door een in ieder geval gelijkwaardige afname van depositie uit andere bronnen;

4. van het bevoegd gezag een natuurbeschermingswetvergunning is verkregen waarbinnen een toename is toegelaten, dan wel van het bevoegd gezag een schriftelijke bevestiging is ontvangen dat voor de toename geen natuurbeschermingswetvergunning is vereist.

3.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 augustus 2014 in zaak nr. 201207794/1/R4, volgt uit de bewoordingen van artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld, en dat ze moeten worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan door de raad. Nu de planregeling onder meer, in artikel 28, lid 28.2, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels, gebruik toestaat indien daarvoor van het desbetreffende bevoegd gezag een Nbw-vergunning wordt verkregen, heeft de raad gebruik toegestaan waarvan hem bij de vaststelling van het plan niet bekend was welk gebruik dat is en dat door hem niet als zodanig is beoordeeld in het plan-MER. Reeds gelet hierop bestaat twijfel of met deze regeling wordt voldaan aan de eisen van artikel 19j van de Nbw.

3.5. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In paragraaf 3.3 van het Ecologisch onderzoek buitengebied wordt geadviseerd om voor verlichting aangepaste lichtarmaturen te gebruiken om lichtuitstraling naar het omringende gebied te voorkomen. In paragraaf 5.5 van het plan-MER wordt vermeld dat zonder maatregelen om de lichtuitstraling te beperken een grote lichtuitstraling naar de omgeving zal plaatsvinden, die effect kan hebben op onder meer natuur. De raad heeft ter zitting erkend dat hij heeft beoogd in afwachting van de totstandkoming van bedoeld convenant, waarbij hij geen partij is en waarvan de voortgang hem niet bekend is, ten aanzien van mogelijke verstoring van beschermde diersoorten door verlichting geen regeling in het plan op te nemen. Gelet op het vorenstaande bestaat twijfel of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

3.6. Gezien voornoemde twijfel, de complexiteit van de betrokken aspecten en de aard en de omvang van de beoogde ontwikkeling, vergt de beoordeling van de zaak nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent. Daarbij speelt gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar voornoemde uitspraak van 6 augustus 2014 ook de vraag een rol of met artikel 28, lid 28.2, onder a, sub 1 tot en met 3, van de planregels wordt voldaan aan artikel 19j van de Nbw. De voorzieningenrechter zal aan de hand van een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de hoofdzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

4. Ter zitting is gebleken dat inmiddels een vijftal aanvragen om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is ingediend, waarvan drie betrekking hebben op bedrijfsuitbreidingen van agrarische bedrijven. In aanmerking genomen de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan door de inwerkingtreding van het plan voordat de Afdeling in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van alle betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Opsterland van 30 juni 2014, kenmerk 2014-13895;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Opsterland tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging voor Natuurbescherming in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.028,14 (zegge: duizendachtentwintig euro en veertien cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Opsterland aan de vereniging Vereniging voor Natuurbescherming het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Kuipers

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014

271-817.