Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201305110/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:715, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college te kennen gegeven dat een verzoek van de vereniging om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen niet-ontvankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3264
Milieurecht Totaal 2014/2716

Uitspraak

201305110/1/A4.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu Groen- en Milieubeheer, gevestigd te Nijmegen (hierna: de vereniging),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 mei 2013 in zaak nr. 12/1252 in het geding tussen:

de vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college te kennen gegeven dat een verzoek van de vereniging om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen niet-ontvankelijk is.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft het college het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het verzoek van de vereniging ontvankelijk geacht en het verzoek afgewezen.

Bij uitspraak van 27 mei 2013 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] en Rijssense Gebouwen Sloperij B.V. (hierna: RGS) en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2014, waar de vereniging, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door W. Loman en B. Kooistra, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en RGS, beide vertegenwoordigd door W. Tijhof en M. Nijkamp, gehoord.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over het gebruik van een mobiele puinbreker op het zogenoemde Indië-terrein te Almelo. Op dit voormalige fabrieksterrein wordt een aantal gebouwen gesloopt om woonbebouwing te ontwikkelen. Daarbij vrijkomend puin wordt met de puinbreker gebroken en daarna afgevoerd. De vereniging heeft verzocht om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen omdat de puinbreker een (afvalstoffen)inrichting in de zin van de Wet milieubeheer is, die ten onrechte zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan in werking is. Bovendien worden volgens de vereniging voorschriften van de door het college bij besluit van 1 maart 2010 aan [belanghebbende] verleende sloopvergunning en voorschriften van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval overtreden.

Bij het besluit op bezwaar van 18 december 2012 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat geen van de door de vereniging gestelde overtredingen zich voordoen.

2. De vereniging voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkzaamheden met de mobiele puinbreker, omdat deze steeds kortdurend wordt gebruikt en daarna weer elders wordt ingezet, niet kunnen worden aangemerkt als een inrichting. Zij wijst erop dat de puinbreker al verscheidene keren op het Indië-terrein is ingezet.

2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is er slechts sprake van een bedrijvigheid die pleegt te worden verricht in de zin van deze definitie, indien het niet gaat om eenmalige activiteiten die in een kort tijdbestek kunnen worden afgerond.

Uit de stukken blijkt dat de mobiele puinbreker enkele keren per jaar voor relatief korte tijd wordt ingezet op verschillende locaties op het ongeveer 23 ha grote Indië-terrein, en in de tussentijd elders in Nederland wordt ingezet. Dit kan niet worden beschouwd als een bedrijvigheid die pleegt te worden verricht. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de werkzaamheden met de puinbreker niet als een (afvalstoffen)inrichting kunnen worden aangemerkt. Reeds daarom is voor de puinbreker geen omgevingsvergunning voor een inrichting vereist.

Dit betoog faalt.

3. De vereniging voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat de puinbreker zonder een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking is. In dit verband betoogt zij dat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht niet is voorzien in een uitzondering op deze vergunningplicht.

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c niet vereist indien de activiteiten betrekking hebben op onder meer een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit.

3.2. De vereniging betoogt dat het gebruik van de puinbreker niet onder de in artikel 2, aanhef en onder 20, bedoelde activiteiten valt, omdat het breken van het vrijkomende puin los moet worden gezien van het daadwerkelijk slopen van de gebouwen. Dit betoog volgt de Afdeling niet. Artikel 2, aanhef en onder 20, vereist dat het gaat om een hulpconstructie die functioneel is voor bijvoorbeeld een sloopactiviteit. De puinbreker is zo’n hulpconstructie. Zoals [belanghebbende] en RGS in hun nadere stukken hebben opgemerkt, leidt de inzet van de puinbreker immers tot een forse afname van de met de sloopactiviteiten verband houdende transportbewegingen voor de afvoer van het vrijkomende puin.

Reeds gelet hierop is voor het gebruik van de puinbreker, anders dan de vereniging betoogt, geen krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende omgevingsvergunning vereist.

Dit betoog faalt.

4. De vereniging voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat in strijd met de verleende sloopvergunning wordt gehandeld, omdat de gesloopte materialen niet - zoals voorschrift 1 van de vergunning bepaalt - worden afgevoerd naar bedrijven die bevoegd zijn deze afvalstoffen te ontvangen, maar reeds in de puinbreker worden gebroken.

4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de in de sloopvergunning voorgeschreven verplichting om het puin af te voeren er niet aan in de weg staat dat dit puin reeds ter plekke wordt gebroken.

5. Het betoog van de vereniging dat de rechtbank heeft miskend dat de puinbreker in strijd met de voorschriften van de sloopvergunning in werking is, faalt eveneens. Zoals het college terecht opmerkt, zijn op de werkzaamheden met de puinbreker de voorschriften zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval van toepassing, niet de voorschriften van de sloopvergunning.

6. Tot slot heeft de vereniging aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat een aantal voorschriften van de bijlage bij het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval zijn overtreden. Zij verwijst hierbij naar door haar overgelegde foto’s waarop werkzaamheden op de locatie zijn te zien.

6.1. De rechtbank heeft geconstateerd dat bij door het college uitgevoerde controles geen overtreding van de voorschriften van de bijlage bij het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval is waargenomen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de vereniging het tegendeel niet heeft aangetoond.

De vereniging bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met een nagenoeg letterlijke herhaling van de argumenten die zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Deze enkele herhaling geeft de Afdeling geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. Hetzelfde geldt voor de overgelegde foto’s. De vereniging heeft niet duidelijk gemaakt in welk opzicht deze afdoen aan het oordeel van de rechtbank.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

262-720.