Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201401089/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9877, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het college een verzoek om openbaarmaking van informatie van [appellant] toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401089/1/A3.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2013 in zaak nr. 13/1538 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het college een verzoek om openbaarmaking van informatie van [appellant] toegewezen.

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lagrand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. Bij e-mail van 6 februari 2012 heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot de herstructurering van de Sint Mariastraat 106-146. Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het college een verslag van 1 april 2011 van een bezoek van Woonstad Rotterdam en de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en tekeningen van het project Eendrachtsstraat 143-145 openbaar gemaakt. Op 9 maart 2012 en 31 mei 2012 zijn aan [appellant] aanvullende documenten verstrekt. Op 20 juni 2012 heeft naar aanleiding van het verhandelde op de hoorzitting in bezwaar een overleg plaatsgevonden tussen [appellant] en het college, waarbij is afgesproken dat het college nogmaals op zoek gaat naar een aantal door [appellant] genoemde documenten. Bij brief van 28 december 2012 heeft het college documenten over de erfpacht van de Sint Mariastraat 106-146 openbaar gemaakt en aan [appellant] verstrekt. Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor zover de aan [appellant] verstrekte documenten niet openbaar zijn gemaakt. Het college heeft het besluit van 21 februari 2012 in zoverre gewijzigd dat de documenten alsnog openbaar zijn gemaakt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het standpunt van het college, dat er niet meer documenten onder het college berusten, niet ongeloofwaardig is. Daartoe voert hij aan dat hij in het beroepschrift heeft aangetoond dat uit de reeds openbaar gemaakte documenten blijkt dat er onder het college meer documenten moeten berusten. Voorts stelt hij dat het college aan geloofwaardigheid heeft ingeboet, omdat het een aantal keer documenten vond, nadat hem was medegedeeld dat er niet meer documenten waren. Volgens [appellant] is dit tevens voorgevallen ten aanzien van een Wob-verzoek van de bewoners van de Bajonetstraat en overwoog de rechtbank in die zaak dat het college de stukken opnieuw moet zoeken. Tot slot betoogt [appellant] dat uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat op hem een onredelijk zware bewijslast rust, nu het niet de bedoeling van de Wob kan zijn dat hij de gevraagde documenten zelf moet produceren.

4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 201001965/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

4.1. Dat het college een aantal maal heeft gezocht, waarna documenten openbaar zijn gemaakt die eerder niet waren gevonden, maakt niet dat er voor de rechtbank grond bestond om het standpunt van het college dat er niet meer documenten onder hem berusten, ongeloofwaardig te achten. Daarbij heeft het college in het in beroep ingediende verweerschrift toegelicht dat voor zover [appellant] in zijn beroepschrift heeft verwezen naar concrete documenten, deze al openbaar zijn gemaakt of na uitgebreide zoekacties niet zijn gevonden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten onder het college berusten.

Hetgeen de rechtbank Rotterdam in een andere procedure overwoog, doet aan het voorgaande niet af, nu de rechtbank in dit geval een eigen oordeel moet geven en niet is gebonden aan een in een andere zaak gegeven oordeel. Voorts acht de Afdeling het niet onredelijk dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, is om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

382-819.