Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201304868/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:274, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2011 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het slopen van een stal op het perceel [locatie] in Markelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3263

Uitspraak

201304868/1/A1.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 april 2013 in zaak nr. 12/2459 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2011 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het slopen van een stal op het perceel [locatie] in Markelo.

Bij besluit van 17 april 2012 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door J. Kip, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat [appellant] en anderen geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun hoger beroep omdat [belanghebbende] is begonnen met het slopen van de stal. Gelet op de ter zitting door het college getoonde foto’s en hetgeen ter zitting is verhandeld is de Afdeling van oordeel dat [appellant] en anderen nog steeds belang hebben bij de beoordeling van hun hoger beroep reeds omdat de stal nog niet geheel is gesloopt.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat luidde ten tijde van belang, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een bouwwerk te slopen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, voor zover thans van belang en zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die tot verschillende categorieën activiteiten, als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, behoort, er onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

3. Ingevolge artikel 8.1.1. van de Bouwverordening Hof van Twente 2009 (hierna: de Bouwverordening), zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden geheel of gedeeltelijk bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 8.1.6, zoals dat luidde ten tijde van belang, moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de veiligheid met de bij het besluit behorende voorschriften voldoende is gewaarborgd. Daartoe voeren zij aan dat de voorschriften in strijd zijn met artikel 3.8 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR). Voorts voeren zij aan dat niet duidelijk is wat onder gesloopte onderdelen wordt verstaan. Ten slotte voeren zij aan dat de voorschriften onvoldoende bescherming bieden ten aanzien van de stofontwikkeling en het opslaan van afvalstoffen.

4.1. Volgens het besluit van 8 december 2011 is de vergunning verleend volgens de gewaarmerkte stukken. Voor de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, wordt in het besluit verwezen naar de bijlage. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de veiligheid met die voorschriften voldoende gewaarborgd is. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat één van de voorschriften inhoudt dat het verspreiden van stof zoveel mogelijk moet worden tegengegaan door het besproeien van de gesloopte onderdelen met water. In de door [appellant] en anderen betrokken stellingen over de NeR en het gebruik van een vernevelingskanon kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het aan de vergunning verbonden voorschrift niet adequaat is om de veiligheid van het slopen te waarborgen als bedoeld in artikel 8.1.6, aanhef en onder a, van de Bouwverordening. Dat er meerdere methoden zijn om tijdens het slopen verspreiding van stof te voorkomen betekent niet dat de veiligheid met het aan de vergunning verbonden voorschrift niet op voldoende peil kan worden gewaarborgd. Bovendien vormt de NeR geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.6. van de Bouwverordening en is het college niet verplicht om bij het bepalen van de voorschriften bij de NeR aan te sluiten.

Anders dan [appellant] en anderen stellen, is het eerder genoemde aan de vergunning verbonden voorschrift door het gebruik van de zinsnede "gesloopte onderdelen" niet onduidelijk. Hieronder dienen alle onderdelen die zijn gesloopt, waaronder de door [appellant] en anderen bedoelde onderdelen van de bebouwing, te worden verstaan. Ten aanzien van het opslaan van afval heeft het college een aantal voorschriften aan de vergunning verbonden en [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd waarom die voorschriften onvoldoende zijn om de veiligheid te waarborgen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat tevens een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist en de vergunning derhalve niet kon worden verleend. Daartoe voert hij aan dat het breken van puin en het verwerken van sloopafval in strijd zijn met de ingevolge het ten tijde van het besluit van 17 april 2012 geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997 Markelo, herziening [locatie]" op het perceel rustende bestemming.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat strijd met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond is als bedoeld in artikel 8.1.6. van de Bouwverordening en dat het college in zoverre de vergunning dan ook niet op die grond mocht weigeren. Het bestemmingsplan is, gelet op artikel 8.1.6, aanhef en onder e, van de Bouwverordening wel van belang indien een aanlegvergunning is vereist, hetgeen hier niet het geval is.

Voor zover [appellant] en anderen beogen te betogen dat het breken van puin en het verwerken van sloopafval op het perceel in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat die activiteit onlosmakelijk als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo samenhangt met het slopen zodat het college de aanvraag buiten behandeling had moeten stellen, wordt overwogen dat dit betoog faalt, reeds omdat in dit geval voor het breken van puin en het verwerken van sloopafval geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist. Het breken van puin en het verwerken van sloopafval vindt hier plaats in het kader van het slopen van de op het perceel aanwezige stal en het hergebruiken van het puin ten behoeve van de fundering van de nieuwe stal. Het gebruik van het perceel ten behoeve van het breken van puin en het verwerken van sloopafval is eenmalig en zodanig kortdurend dat het niet in strijd kan worden geacht met de op het perceel rustende bestemming. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen een gebruik van het perceel voor zover dit kortdurend en incidenteel is. In dit verband verwijst de Afdeling nog naar een uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201001177/1/H1.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen betogen voor het eerst in hoger beroep dat de bij besluit van 8 december 2011 verleende vergunning niet kon worden verleend omdat tevens een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dat niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant] en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

414-712.