Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201401108/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7002, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 november 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert [appellante] bericht dat de raad op 27 september 2012 heeft besloten dat geen gebruik wordt gemaakt van de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende ontheffing van de Verordening ruimte 2011 van de provincie Noord-Brabant ten behoeve van de uitbreiding van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie] te Mill (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401108/1/A4.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2013 in zaak nr. 13/3957 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert.

Procesverloop

Bij brief van 29 november 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert [appellante] bericht dat de raad op 27 september 2012 heeft besloten dat geen gebruik wordt gemaakt van de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende ontheffing van de Verordening ruimte 2011 van de provincie Noord-Brabant ten behoeve van de uitbreiding van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie] te Mill (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en vergezeld door [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J. Zwiebel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] betoogt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen het besluit van de raad van 25 juni 2013 kennis te nemen. Daartoe voert zij aan dat de brief van 29 november 2012, waartegen het bezwaar was gericht, een afwijzend besluit bevat op haar verzoek van 8 mei 2008, waarin zij heeft verzocht om verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór 1 juli 2008 van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, als het verzoek om die vrijstelling is ingediend voor 1 juli 2008.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dat luidde voor 1 juli 2008, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan die in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat luidde voor 1 juli 2008, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen.

2.1. In de brief van 29 november 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert (hierna: het college) [appellante] meegedeeld dat de raad in zijn vergadering van 27 september 2012 heeft besloten geen gebruik te maken van de ontheffing die gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 13 maart 2012 heeft verleend ten behoeve van een bestemmingsplan dat voorziet in uitbreiding van het bouwblok zoals door [appellante] gewenst. Voorts heeft het college in de brief gemotiveerd vermeld waarom het geen medewerking aan de gevraagde uitbreiding verleent. Verder is vermeld dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt bij het college.

2.2. Bij verzoek van 8 mei 2008 heeft de [v.o.f.], rechtsvoorgangster van [appellante], het college verzocht om medewerking ten behoeve van vergroting van het agrarisch bouwblok op het perceel tot een oppervlakte van 2 ha door verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het verzoek betreft derhalve een verzoek om vrijstelling waarop (eventueel door de raad op grondslag van artikel 19, eerste lid, van de WRO indien het tweede lid geen grondslag biedt) een besluit moet worden genomen. Geen aanleiding bestaat om het verzoek, zoals de raad eerst in het verweerschrift in beroep heeft gesteld en ter zitting in hoger beroep heeft herhaald, op te vatten als een principeverzoek dat slechts ten doel had om te verkennen of en in hoeverre het college bereid zou zijn om medewerking te verlenen aan het initiatief.

Het college heeft het verzoek in behandeling genomen, zoals onder meer blijkt uit de brief van 16 juli 2009, waarbij [appellante] is verzocht om, gelet op de bereidheid van het college om de gevraagde vrijstelling te verlenen, een ondertekende verhaalsovereenkomst in te zenden in verband met eventuele planschade als gevolg van die vrijstelling. Voorts heeft [appellante], daartoe uitgenodigd door het college, een in maart 2011 opgestelde ruimtelijke onderbouwing ingezonden.

Het college heeft op 31 maart 2011, bevestigd door de raad bij brief van 3 mei 2011, gedeputeerde staten van Noord-Brabant verzocht om te beslissen omtrent ontheffing, met het oog op de uitgesproken bereidheid om vrijstelling te verlenen. In dit verzoek wordt als aanleiding het vrijstellingsverzoek van 8 mei 2008 genoemd. In de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 13 maart 2012 verleende ontheffing van de provinciale Verordening ruimte wordt eveneens het vrijstellingsverzoek genoemd.

Vast staat dat het college noch de raad in de periode tussen ontvangst van het verzoek om vrijstelling van 8 mei 2008 en de brief van 29 november 2012 op enige wijze op dat verzoek om vrijstelling heeft beslist. Daarnaast staat vast dat [appellante], noch haar rechtsvoorgangster, met betrekking tot de uitbreiding van haar veehouderij bij het college of de raad enige andere aanvraag heeft ingediend waarop het gestelde in de brief van 29 november 2012 betrekking kan hebben.

Gelet op het vorenoverwogene kan de brief van 29 november 2012 niet anders worden begrepen dan als een besluit op het verzoek om vrijstelling van 8 mei 2008. De omstandigheid dat in de aanbiedingsbrief van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij de door hem verleende ontheffing is vermeld dat de ontheffing uitsluitend strekt ten behoeve van het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad, kan, daargelaten welke betekenis aan deze vermelding moet worden gegeven, geen aanknopingspunt bieden voor een ander oordeel.

Tegen het in beroep bestreden besluit op bezwaar, dat gelet op het voorgaande betrekking heeft op de weigering om vrijstelling te verlenen, stond beroep open bij de rechtbank. De rechtbank heeft zich dan ook ten onrechte onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 25 juni 2013.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

4. De Afdeling ziet uit een oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:116 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) af te doen, nu die naar haar oordeel geen verdere behandeling door de rechtbank behoeft. Daartoe overweegt de Afdeling dat de raad het bezwaar van [appellante] ten onrechte niet heeft aangemerkt als te zijn gericht tegen een weigering om vrijstelling te verlenen. De raad heeft het bezwaar in het besluit van 25 juni 2013 dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat vooruitlopend op een bestemmingsplanprocedure geen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit om geen gebruik te maken van de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleend ontheffing. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 25 juni 2013 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De raad dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daarbij dient de raad te bezien of artikel 19, tweede lid van de WRO grondslag biedt om op het verzoek te beslissen, in welk geval hij zich onbevoegd dient te verklaren en het bezwaar ter behandeling dient door te zenden aan het college, dat terzake het bevoegde orgaan is. Wanneer slechts het eerste lid van artikel 19 van de WRO daartoe grondslag biedt, dient de raad de in de brief van 29 november 2012 vervatte weigering om vrijstelling te verlenen zelf te heroverwegen.

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2013 in zaak nr. 13/3957;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert van 25 juni 2013, zaaknummer Z/M/13/00350;

V. draagt de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.021,46 (zegge: tweeduizend eenentwintig euro en zesenveertig cent), waarvan € 1.948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 956,00 (zegge: negenhonderdzesenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

163-727.