Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4363

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201309413/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/8/R3, heeft de Afdeling het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover het betreft de planregeling voor het perceel [locatie 1] te Oirschot, gegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling het bestreden besluit in zoverre vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de planregeling voor het perceel te wijzigen. De uitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1238
JB 2015/14
JOM 2015/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309413/1/R3.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Oirschot,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zoals dit luidde ten tijde van belang) van de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/8/R3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/8/R3, heeft de Afdeling het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover het betreft de planregeling voor het perceel [locatie 1] te Oirschot, gegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling het bestreden besluit in zoverre vernietigd en zelf in de zaak voorzien door de planregeling voor het perceel te wijzigen. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2013, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak in zoverre te herzien.

De raad en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 oktober 2014, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.M.A.C van de Laak, advocaat te Moergestel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Rotman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij besluit van 29 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" vastgesteld. In het plan was de bestemming "Wonen" toegekend aan het perceel [locatie 1].

In beroep tegen dit besluit heeft [belanghebbende] betoogd dat de woning op dat perceel geen burgerwoning is, maar een tweede bedrijfswoning bij zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 2].

3. In de uitspraak van 26 september 2012 heeft de Afdeling hierover het volgende overwogen:

"2.39. [belanghebbende] heeft ten slotte aangevoerd dat in het plan ten onrechte een woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 1]. Hij stelt dat deze bestemming beperkingen oplevert voor zijn agrarische bedrijfsvoering en dat deze bestemming een uitbreiding van zijn bedrijf aan de [locatie 2] onmogelijk maakt. Volgens [belanghebbende] is de desbetreffende woning geen burgerwoning, maar gaat het om een tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf. In het voorheen geldende plan was aan de desbetreffende woning eveneens ten onrechte een woonbestemming toegekend. Hiertegen zijn abusievelijk geen rechtsmiddelen aangewend, zo stelt [belanghebbende].

2.39.1. Aan het perceel [locatie 1] is in het plan de bestemming "Wonen (W)" toegekend.

2.39.2 Blijkens de zienswijzennota heeft de raad bij de planvaststelling van belang geacht dat in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens een woonbestemming was toegekend aan de desbetreffende woning.

Uit het deskundigenbericht en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 10 november 1966 een vergunning heeft verleend voor de bouw van een woonhuis met bedrijfsruimte op het desbetreffende perceel. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat de woning reeds vanaf de bouw in gebruik is geweest als bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf aan de [locatie 2] en dat deze woning ook momenteel nog als zodanig in gebruik is. De raad heeft zich ter zitting dan ook op het standpunt gesteld dat de desbetreffende woning had moeten worden bestemd als tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2].

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [belanghebbende] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.40. Zoals uit het voorgaande blijkt, stelt de raad zich inmiddels op het standpunt dat de woning op het perceel [locatie 1] dient te worden bestemd als tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2]. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is dat derden hierdoor in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om de bestemming van het perceel [locatie 1] zelfvoorziend aan te passen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd."

4. [verzoeker] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie 1]. In zijn verzoekschrift betoogt hij dat aanleiding bestaat de hiervoor weergegeven overwegingen te herzien. Volgens [verzoeker] is hij als eigenaar van de woning ten onrechte niet betrokken bij de procedure, die heeft geleid tot de uitspraak van 26 september 2012.

Hij voert aan dat zijn woning voorafgaande aan de uitspraak niet in gebruik was als agrarische bedrijfswoning bij het bedrijf aan de [locatie 2] en dat dit ook daarna niet het geval is geweest.

5. Hetgeen [verzoeker] naar voren brengt over de eigendomssituatie en het gebruik van de betreffende woning, betreffen geen feiten of omstandigheden die bij [verzoeker] vóór de uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Het door hem aangevoerde voldoet dan ook niet aan de omschrijving van feiten en omstandigheden die tot herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak kunnen leiden, zoals opgenomen in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

6. De Afdeling stelt evenwel vast dat zij [verzoeker] niet op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. De Afdeling ziet hierin in dit geval aanleiding voor ambtshalve vervallenverklaring van de uitspraak van 26 september 2012, voor zover het betreft de overwegingen 2.39 tot en met 2.40 en de daarbij behorende onderdelen uit het dictum. Daarbij is van belang dat [verzoeker] eigenaar is van het perceel [locatie 1]. Verder wordt in aanmerking genomen dat de raad en [belanghebbende] ter zitting van 9 oktober 2014 hebben bevestigd dat zij [verzoeker] destijds niet op de hoogte hebben gesteld van het beroep van [belanghebbende] tegen de planregeling voor het perceel [locatie 1] en dat voorts niet is gebleken dat [verzoeker] anderszins op de hoogte was of had kunnen zijn van dit beroep. Ten slotte is van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 26 september 2012 zelf in de zaak heeft voorzien door de planregeling voor het perceel te wijzigen, waarbij zij ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat derden hierdoor niet in hun belangen worden geschaad.

7. Uit het vorenstaande volgt dat opnieuw uitspraak dient te worden gedaan op het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van de raad van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dat beroep is gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie 1] te Oirschot. Hiertoe zal het onderzoek worden heropend onder het zaaknummer 201309413/4/R3, waarbij - met instemming van alle partijen - eerst de mogelijkheden voor een mediationtraject zullen worden onderzocht.

8. In de nieuwe uitspraak op het beroep zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek om herziening af;

II. verklaart de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/8/R3, vervallen, voor zover het betreft:

a. de rechtsoverwegingen 2.39 tot en met 2.40;

b. de onderdelen III.f3, VII.d.1, VII.d.2 en VII.d.3 van het dictum;

c. onderdeel VIII van het dictum, voor zover daarin is bepaald dat de uitspraak, wat betreft de onderdelen VII.d1, VII.d2 en VII.d3, in de plaats treedt van het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dit plan onder III.f3 is vernietigd;

III. bepaalt dat het onderzoek, voor zover het betreft het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van de raad van de gemeente Oirschot van 29 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010", voor zover dat beroep is gericht tegen de bestemmingsregeling die in dat plan is toegekend aan het perceel [locatie 1], wordt heropend onder het zaaknummer 201309413/4/R3.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

208.