Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201400927/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:10104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over onderscheidenlijk 2008, 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400927/1/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2013 in zaak nr. 13/3499 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over onderscheidenlijk 2008, 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] toegekende kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, (vanaf 1 januari 2010: eerste lid) van de Wet kinderopvang (hierna: Wko), wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j (in 2009: i; in 2010: h), van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in de kosten van kinderopvang verstaan.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder j (in 2009: i; in 2010: h) van de Awir, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder tegemoetkoming een financiële bijdrage van het Rijk op grond van een inkomensafhankelijke regeling verstaan.

Ingevolge artikel 12 blijft voor de toepassing van dit hoofdstuk titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten toepassing.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen dertien weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dit eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt.

2. Aan het besluit van 21 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft overgelegd, zodat hij niet heeft aangetoond dat de gastouderopvang op basis van een dergelijke overeenkomst heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in 2008, 2009 en 2010 kosten voor kinderopvang heeft gehad.

3. [appellant] betoogt eerst in hoger beroep dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte ervan heeft afgezien hem te horen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen wel had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

4. [appellant] betoogt verder primair dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de Wko niet de eis stelt dat de ouder zelf kosten voor kinderopvang moet maken en dat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag om deze reden derhalve ten onrechte op nihil heeft gesteld. Subsidiair betoogt [appellant] dat hij wel degelijk kosten van kinderopvang heeft gehad. In dit verband heeft hij een verklaring van de gastouder overgelegd, waaruit blijkt dat hij boodschappen, speelgoed en uitjes heeft betaald. Meer subsidiair betoogt [appellant] dat, ingeval de Afdeling van oordeel is dat hij geen kosten van kinderopvang heeft gehad, deze kosten moeten worden beschouwd als zijnde geschonken door de gastouder.

4.1. Uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder n - vanaf 1 januari 2010: eerste lid -, en 7, eerste lid, van de Wko volgt dat kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang is, die mede afhankelijk is van het inkomen van de ouder. Een deel van de kosten van kinderopvang blijft derhalve voor rekening van de ouder. Dat dit, als gesteld, in de brochure toelichting kinderopvangtoeslag 2008 van de Belastingdienst/Toeslagen niet uitdrukkelijk is vermeld, laat onverlet dat dit uit de Wko volgt.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juli 2014 in zaak nr. 201303430/1/A2), volgt uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Hieruit volgt dat het aan [appellant], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om een deugdelijke administratie van zijn betalingen aan de gastouder bij te houden. Dat hij geen bankafschriften kan overleggen waaruit blijkt dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad, komt dan ook voor zijn rekening. [appellant] heeft niet gereageerd op de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 23 april 2013 om meer informatie te sturen. Dat de Belastingdienst/Toeslagen daarbij heeft verzocht om bankafschriften en [appellant] die niet over kon leggen, betekent, nu hij de Belastingdienst/Toeslagen daarvan destijds niet op de hoogte heeft gesteld, niet dat het op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen lag om kenbaar te maken op welke andere wijze [appellant] alsnog bewijs kon leveren. De Belastingdienst/Toeslagen heeft er terecht op gewezen dat, indien er bij [appellant] vragen bestonden over wat van hem werd verwacht, het op zijn weg had gelegen hierover contact op te nemen en nadere informatie in te winnen.

Met de overgelegde verklaring van de gastouder van 21 maart 2014, dat deze over de maanden januari tot en met december van de jaren 2008 en 2009 en de maand januari van het jaar 2010 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen alsmede dat door [appellant] maandelijks ongeveer € 350,00 werd besteed aan boodschappen, speelgoed en uitjes, heeft [appellant] niet aangetoond dat hij daadwerkelijk zelf kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De enkele verklaring van de gastouder dat deze - naar de Afdeling begrijpt - het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en dat [appellant] boodschappen, speelgoed en uitjes heeft betaald - daargelaten of laatstgenoemde uitgaven als kosten in de zin van artikel 7 van de Wko kunnen worden aangemerkt - is, zonder nadere ondersteunende gegevens, onvoldoende bewijs voor de aan te tonen kosten.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad.

4.3. Voor zover [appellant] stelt dat de door hem aan de gastouder verschuldigde kosten hem door de gastouder bij wijze van schenking zijn kwijtgescholden, kan dit hem niet baten, reeds omdat bewijs voor deze stelling ontbreekt.

4.4. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de voorschotten te herzien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009 in zaak nr. 200803995/1) vloeit uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Awir voort dat aan het verlenen van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat.

6. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat artikel 4:48, eerste lid, van de Awb in de weg staat aan de herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag, reeds omdat die bepaling ingevolge artikel 12 van de Awir toepassing mist ten aanzien van het in hoofdstuk 2 van die wet bepaalde.

7. Ook het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag niet meer mocht herzien, omdat hij de toeslag ten onrechte niet in overeenstemming met de in artikel 19, eerste lid, van de Awir vermelde termijn definitief heeft vastgesteld, faalt. Daartoe is van belang dat uit artikel 16, vierde lid, van de Awir volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van het voorschot mag herzien, zolang hij de tegemoetkoming nog niet heeft toegekend. Uit de Awir blijkt niet dat gevolgen moeten worden verbonden aan overschrijding van de in artikel 19, eerste lid, vermelde termijn. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van de Awir biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat aan overschrijding van de genoemde termijn het verstrekkende gevolg moet worden verbonden dat de Belastingdienst/Toeslagen niet meer bevoegd is om een voorschot kinderopvangtoeslag te herzien. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 in zaak nr. 201301181/1/A2.

8. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat aan de terugvordering geen evenredige belangenafweging ten grondslag ligt, nu de terugvordering ertoe leidt dat hij nog lange tijd met een aanzienlijke schuld wordt geconfronteerd.

8.1. Aangezien artikel 26 van de Awir imperatief voorschrijft dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd en in de Awir geen bepaling is opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel het terug te vorderen bedrag kan matigen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen met juistheid het gehele voorschot van [appellant] teruggevorderd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van het ontstaan van een schuld door de terugvordering leidt niet tot het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen de teveel betaalde voorschotten niet kon terugvorderen. Een belangenafweging is bij de terugvordering als zodanig immers niet aan de orde.

Het betoog faalt.

9. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over 2008, 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag heeft kunnen herzien en op nihil heeft kunnen stellen en - zo begrijpt de Afdeling de rechtbank - de kinderopvangtoeslag over 2008 definitief heeft kunnen vaststellen op nihil. Dit betekent dat de rechtbank voorbij kon gaan aan de betogen van [appellant] over de overeenkomst die aan de opvang ten grondslag zou liggen.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

97-735.