Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201308768/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2013, kenmerk 2013-21280, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Engelenburg, Twello" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308768/1/R2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Twello, gemeente Voorst,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Wilp, gemeente Voorst,

en

de raad van de gemeente Voorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2013, kenmerk 2013-21280, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Engelenburg, Twello" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door J.L. Beltman-Rompelman en C. Morren, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Engelenburg te Twello en is conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de gronden van het perceel [locatie] te Twello, waaraan in het plan de bestemmingen "Wonen - 1" en "Agrarisch" zijn toegekend.

[appellant sub 1] stelt dat vanaf de aankoop van het voormalige agrarische perceel in 1994 het zijn bedoeling is geweest het gehele perceel voor woondoeleinden te gebruiken en dat aan een deel van zijn perceel, dat thans in gebruik is als tuin, in het plan ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. In dit verband wijst [appellant sub 1] erop dat deze gronden niet voor hobbymatige of bedrijfsmatige agrarische activiteiten worden gebruikt. Verder stelt [appellant sub 1] dat de aan de gronden van het perceel toegekende bestemming "Wonen - 1" wat de toegestane bebouwingsmogelijkheden betreft ontoereikend is voor de op het perceel aanwezige bouwwerken, die een gezamenlijk oppervlak hebben van 665 m2. Voorts heeft de raad volgens [appellant sub 1] in het plan ten onrechte voorzien in een saneringsregeling, nu de op het perceel aanwezige gebouwen in goede staat verkeren.

4.1. De raad betoogt dat de gronden aan de [locatie] waaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend in gebruik zijn als grasland, zodat deze bestemming in overeenstemming is met het feitelijk gebruik. Hieraan voegt de raad toe dat het aan deze gronden toekennen van de bestemming "Wonen - 1" onwenselijk is, omdat daarmee de huidige concentratie van de bouwwerken op de gronden van het perceel [locatie] waaraan de bestemming "Wonen - 1" is toegekend en de overige aan de Leigraaf gelegen percelen met de bestemming "Wonen - 2" alsmede de daartussen gelegen openheid van de gronden van het perceel [locatie] die in gebruik zijn als grasland teniet zouden kunnen worden gedaan.

Wat de in het plan opgenomen saneringsregeling betreft betoogt de raad dat deze uit het vorige bestemmingsplan is overgenomen. Deze saneringsregeling is destijds opgenomen om te bevorderen dat aan agrarische functies toebehorende bijgebouwen in omvang zouden worden teruggebracht. Dit betekent volgens de raad dat bestaande legale bebouwing mag blijven staan, maar dat bij een eventuele sloop en nieuwbouw de oppervlakte aan bebouwing per saldo dient te worden teruggebracht. Met de saneringsregeling is beoogd de verstening en verrommeling van het buitengebied tegen te gaan, aldus de raad.

4.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden betreffende het perceel [locatie] deels de bestemming "Wonen - 1" en deels de bestemming "Agrarisch" zijn toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;

b. hobbymatig agrarisch gebruik;

c. recreatief medegebruik, met uitzondering van paardenbakken;

d. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. openbare nutsvoorzieningen;

f. bij deze bestemming horende voorzieningen zoals groen, paden en verharding.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 9.2, onder b, mogen op deze gronden overige gebouwen worden gebouwd en gelden daarbij de volgende regels:

1. overige gebouwen dienen minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd, met dien verstande dat overkappingen minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd;

2. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;

3. de bouwhoogte mag maximaal 5 m bedragen;

4. de gezamenlijke oppervlakte van overige gebouwen mag maximaal 100 m² bedragen.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, onder a, zijn, indien bestaande bebouwing afwijkt van de in dit plan gegeven regels ten aanzien van afstanden, hoogten, oppervlakten, aantallen en percentages, de bestaande afstanden, hoogten, oppervlakten, aantallen en percentages als maximaal aan te merken en als zodanig toegestaan.

Ingevolge lid 15.1, onder b, is het bepaalde onder a niet van toepassing ingeval van sloop-herbouw van bijgebouwen met de bestemming "Wonen - 1", in dit geval is het bepaalde in artikel 9.6.1 van toepassing.

4.3. Vaststaat dat de gronden van het perceel [locatie] ten tijde van de aankoop door [appellant sub 1] in 1994 volgens het toen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarische doeleinden I" hadden. Aan het deel van de gronden waar op het perceel de voormalige agrarische woning en de agrarische bedrijfsopstallen en een deel van de aangrenzende tuin waren gelegen is in het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Aan het deel van de gronden van het perceel dat voor het grootste deel uit grasland bestond is in dat bestemmingsplan met de bestemming "Agrarisch" de voorheen geldende agrarische bestemming opnieuw aan deze gronden toegekend. Met de in het thans voorliggende plan voor de gronden van het perceel [locatie] voorziene regelingen "Agrarisch" en "Wonen - 1" heeft de raad beoogd de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande situatie wederom als zodanig te bestemmen.

4.4. Wat de gronden van het perceel [locatie] met de bestemming "Agrarisch" betreft overweegt de Afdeling als volgt.

Gebleken is dat de gronden bestaan uit grasland met een omvang van ongeveer 2.000 m², waarop zich met enige regelmaat ter begrazing pony’s bevinden. Langs twee zijden van de perceelsgrens van deze gronden zijn een haag en enkele bomen aanwezig. De gronden met het grasland grenzen aan de oostzijde aan andere percelen waaraan door de raad in het thans voorliggende plan en in het aangrenzende plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" eveneens de bestemming "Agrarisch" is toegekend. In aanmerking genomen het vorige en het huidige gebruik van de gronden van het perceel [locatie] met de bestemming "Agrarisch", het conserverende karakter van het plan en gelet op de openheid van het perceel in relatie tot de op de naastgelegen percelen aanwezige concentratie van bebouwing en de omvang van het perceel met het grasland en de ligging van dit perceel aangrenzend aan andere gronden met eenzelfde bestemming, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de gronden toegekende bestemming "Agrarisch" in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit verband een groter belang mogen toekennen aan de daarbij betrokken omstandigheden dan aan het belang van [appellant sub 1] om de bedoelde gronden te mogen betrekken bij de aangrenzende gronden van het perceel met de bestemming "Wonen - 1".

Het betoog faalt.

4.5. Wat de gronden van het perceel [locatie] met de bestemming "Wonen - 1" betreft overweegt de Afdeling als volgt.

Niet in geschil is dat [appellant sub 1] bij de aankoop van het perceel en de daarop volgende wijziging van het toegelaten gebruik, op het perceel een groot aantal agrarische bouwwerken heeft gesloopt. Het betrof onder meer varkensstallen, een wagenloods, een mestsilo en een kuilvoerplaat. Evenmin is in geschil dat de nadien gerenoveerde bijgebouwen met een oppervlak van ongeveer 665 m2 zijn vergund. Ter zitting heeft de raad betoogd dat de gebouwen die op het perceel staan aanwezig mogen blijven.

De Afdeling stelt vast dat de op het perceel aanwezige bestaande bebouwing in de planregeling als zodanig is bestemd. Hoewel uit artikel 9, lid 9.2, onder b, sub 4, volgt dat de gezamenlijke oppervlakte van overige gebouwen op het perceel maximaal 100 m² mag bedragen, volgt uit het bepaalde in artikel 15, lid 15.1, onder a, van de planregels dat, indien bestaande bebouwing afwijkt van de in het plan gegeven regels ten aanzien van afstanden, hoogten, oppervlakten, aantallen en percentages, de bestaande afstanden, hoogten, oppervlakten, aantallen en percentages als maximaal zijn aan te merken en als zodanig zijn toegestaan.

Het betoog faalt.

4.6. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat in het plan ten aanzien van de thans op de gronden van het perceel aanwezige bebouwing ten onrechte is voorzien in een saneringsregeling overweegt de Afdeling als volgt.

Vaststaat dat de raad met de in artikel 9, lid 9.6.1, van de planregels voorziene saneringsregeling voor legale bijgebouwen heeft beoogd in een bestaande situatie waarin meer dan 100 m² aan legale bijgebouwen aanwezig is bij een eventuele sloop en nieuwbouw de oppervlakte aan bebouwing per saldo terug te brengen, doordat van het meerdere dan 100 m² dat gesloopt wordt ten hoogste 50% herbouwd mag worden. Nu uit het samenstel van de artikelen 9, lid 9.6.1, en 15, lid 15.1, onder b, van de planregels volgt dat de saneringsregeling in het geval van de op het perceel [locatie] aanwezige bijgebouwen uitsluitend van toepassing is ingeval van sloop en herbouw van deze bijgebouwen, is deze saneringsregeling niet van toepassing in de huidige situatie waarin, zoals [appellant sub 1] stelt, de op het perceel aanwezige gebouwen in goede staat verkeren en de sloop hiervan niet aan de orde is. Niet is gebleken dat [appellant sub 1] het voornemen heeft de thans aanwezige gerenoveerde gebouwen binnen de planperiode te slopen.

Het betoog faalt.

4.7. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

4.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 1] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de gronden die deel uitmaken van het bedrijventerrein "Engelenburg", waaraan de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat in artikel 4, lid 4.4, van de planregels ten onrechte is voorzien in een afwijkingsmogelijkheid om in plaats van de binnen de bestemming toegestane maximale bouwhoogte van gebouwen van 10 meter tot 15 meter hoogte te bouwen. Volgens [appellant sub 2] worden met de afwijkingsmogelijkheid de landschappelijke waarden aangetast en wordt zijn uitzicht ontnomen. Verder vreest [appellant sub 2] dat het gebruik maken van de afwijkingsmogelijkheid zal leiden tot een grotere bedrijfsomvang en daarmee tot extra geluidhinder door toename van het aantal transportbewegingen. Hierdoor wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning verder aangetast.

5.1. De raad betoogt dat de afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om te voorzien in de mogelijkheid van duurzaam ruimtegebruik op bedrijventerreinen. Door hogere gebouwen te mogen bouwen wordt de aanwezige ruimte beter benut, aldus de raad.

5.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels mogen op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" gebouwen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ aangegeven hoogte in meters mag bedragen.

Ingevolge lid 4.4 kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2 voor wat betreft het toestaan van een bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 15 meter, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke samenhang en uitstraling van de bebouwing.

In de verbeelding is ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" die deel uitmaken van het bedrijventerrein "Engelenburg" weergegeven dat de geldende maximale bouwhoogte 10 meter bedraagt.

5.3. De Afdeling stelt vast dat met de afwijkingsmogelijkheid kan worden voorzien in een bouwhoogte tot maximaal 15 meter voor bedrijfsgebouwen. In de bestaande situatie zijn de als "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bebouwd. De raad heeft de afwijkingsmogelijkheid in het plan opgenomen om te kunnen voorzien in de behoefte die de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven hebben om door middel van meer verdiepingen het vloeroppervlak uit te kunnen breiden. Uit de stukken is gebleken dat de woning van [appellant sub 2] aan de rand van het bedrijventerrein "Engelenburg" is gelegen.

5.4. Met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening moet de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel planologisch aanvaardbaar worden geacht. Daarom moet de raad reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan inzicht hebben in de gevolgen van de toepassing van deze bevoegdheid en hebben afgewogen of dat planologisch aanvaardbaar is. Ter zitting heeft de raad betoogd dat eerst bij een aanvraag om de afwijkingsmogelijkheid toe te passen zal worden beoordeeld of de gevolgen van de toepassing ervan aanvaardbaar zijn voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. Nu met de afwijkingsbevoegdheid in het plan kan worden voorzien in de uitbreiding van het bruto vloeroppervlak van de op het bedrijventerrein aanwezige bedrijven kan de ruimtelijke uitstraling van deze bedrijven worden vergroot. Gelet hierop bestond aanleiding om de ruimtelijke gevolgen van de afwijkingsbevoegdheid reeds bij de vaststelling van het plan te onderzoeken. Nu de raad dit heeft nagelaten is het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid.

Het betoog slaagt.

6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.4 is overwogen te onderzoeken welke gevolgen de planregeling van artikel 4, lid 4.4, van de planregels heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] en te motiveren of die gevolgen planologisch aanvaardbaar zijn, dan wel het plan te wijzigen. De raad behoeft bij de wijziging van het bestreden besluit geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. De raad dient het eventueel te wijzigen besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

7. Om te voorkomen dat zich onomkeerbare gevolgen voordoen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, zoals hierna nader is aangegeven.

8. In de einduitspraak zal ten aanzien van [appellant sub 2] worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Voorst naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van rechtsoverweging 5.4 te onderzoeken welke gevolgen de planregeling van artikel 4, lid 4.4, van de planregels heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] en te motiveren of die gevolgen planologisch aanvaardbaar zijn, dan wel het plan te wijzigen; en- de Afdeling en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

III. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Voorst van 1 juli 2013, kenmerk 2013-21280, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Engelenburg, Twello", voor zover het artikel 4, lid 4.4, van de planregels betreft;

IV. bepaalt dat de onder III. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de Afdeling uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gedaan.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

159.