Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201403890/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:1976, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellante] en anderen om openbaarmaking van de aan de akte van levering van 9 juli 2008 ten grondslag liggende koopovereenkomst inzake de eigendomsoverdracht van een aantal percelen nabij de Omkronte en It Sûd te Broek door Bouwfonds MAB Ontwikkeling B.V. aan de gemeente, het voorstel van het college ter zake aan de gemeenteraad en de aan voormelde koopovereenkomst voorafgaande correspondentie, besprekingsverslagen en overige op de betreffende transactie betrekking hebbende documenten, gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403890/1/A3.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellante B] en [appellant C], onderscheidenlijk gevestigd te [plaats] en wonend te [woonplaats] (hierna tezamen: [appellante] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2014 in zaak nr. 13/2289 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellante] en anderen om openbaarmaking van de aan de akte van levering van 9 juli 2008 ten grondslag liggende koopovereenkomst inzake de eigendomsoverdracht van een aantal percelen nabij de Omkronte en It Sûd te Broek door Bouwfonds MAB Ontwikkeling B.V. aan de gemeente, het voorstel van het college ter zake aan de gemeenteraad en de aan voormelde koopovereenkomst voorafgaande correspondentie, besprekingsverslagen en overige op de betreffende transactie betrekking hebbende documenten, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft het college het door [appellante] en anderen daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld.

[appellante] en anderen en Bouwfonds hebben de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, en mr. A. Daan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen, of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college openbaarmaking van de tussen de gemeente en Bouwfonds gevoerde correspondentie in redelijkheid op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob heeft kunnen weigeren. Daartoe voeren zij aan dat het oordeel dat openbaarmaking van de gevraagde informatie kan leiden tot een verzwakking van de onderhandelingspositie bij nog te verwezenlijken bouwprojecten en nog te sluiten transacties zonder nadere concrete motivering onbegrijpelijk is. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet op grond van welke omstandigheden voor een beperking van de onderhandelingsruimte voor de gemeente bij toekomstige transacties moet worden gevreesd. Voorts is de weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob evenmin deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft in dat verband miskend dat het door de Wob veronderstelde algemeen belang van openbaarheid niet behoeft te worden gemotiveerd, aldus [appellante] en anderen.

3. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de desbetreffende stukken en overweegt als volgt.

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de weigering tot openbaarmaking van de documenten, dit is de briefwisseling tussen de gemeente en Bouwfonds, op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de documenten gegevens met betrekking tot de economische en financiële belangen van de gemeente bevatten. De documenten geven inzicht in de onderhandelingsstrategie van de gemeente inzake de verwerving van gronden, nu daaruit kan worden afgeleid hoe zij zich tijdens onderhandelingen opstelt en onder welke voorwaarden zij bereid is om gronden aan te kopen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu openbaarmaking van die gegevens ertoe leidt dat deze voor een ieder openbaar zijn, derde partijen bij inwilliging van het verzoek hun onderhandelingspositie ten opzichte van de gemeente kunnen afstemmen op de door de gemeente gemaakte kosten- en prijsberaming in verband met de aankoop en de verwerving van de gronden. Anders dan [appellante] en anderen betogen, is voor een gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob niet bepalend of een transactie reeds heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dienaangaande terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010 in zaak nr. 200904051/1/H3 overwogen dat de onderhandelingspositie van de gemeente bij de verwerving en aankoop van gronden ten behoeve van de realisatie van nog te plannen bouwprojecten en nog te sluiten transacties kan worden verzwakt, omdat derden kennis kunnen verkrijgen van de door de gemeente gehanteerde grondprijzen en bekend raken met mogelijke andere afspraken die door de gemeente worden gemaakt in het kader van grondtransacties. Bovendien gaat het bij de belangen van de gemeente om meer dan alleen de verwerving van gronden. Overigens heeft het college onweersproken gesteld dat de gemeente nog gronden wenst te verwerven met het oog op de gewenste (her)ontwikkeling van het gebied Broek-Zuid tot een woningbouwlocatie en ten tijde van belang nog van verscheidene grondeigenaren gronden moesten worden verworven. Het college heeft aldus deugdelijk gemotiveerd op welke wijze openbaarmaking van de informatie de onderhandelingspositie en daarmee de economische en financiële belangen van de gemeente zal schaden.

De rechtbank heeft in het door [appellante] en anderen in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college geen zwaarder gewicht mocht toekennen aan de economische en financiële belangen van de gemeente dan aan het algemeen belang van openbaarmaking.

Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de door [appellante] en anderen verzochte documenten in redelijkheid op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob heeft kunnen weigeren. Hetgeen [appellante] en anderen in het kader van de weigering op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob hebben betoogd, behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

317-697.