Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201404077/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:2323, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 18 februari 2012 en 1 februari 2013 heeft het Faunafonds aan [appellant] tegemoetkoming toegekend van respectievelijk € 18.942,00 en € 5.331,00 in schade veroorzaakt door brandganzen en grauwe ganzen op percelen grasland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404077/1/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2014 in zaken nrs. 13/1917 en 13/3936 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 februari 2012 en 1 februari 2013 heeft het Faunafonds aan [appellant] tegemoetkoming toegekend van respectievelijk € 18.942,00 en € 5.331,00 in schade veroorzaakt door brandganzen en grauwe ganzen op percelen grasland.

Bij besluiten van 15 februari 2013 en 8 mei 2013 heeft het Faunafonds de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

De [appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2014, waar [appellant B] en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. W. van Dijk en W. Remijnse, werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (hierna: de Regeling) kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade met inachtneming van het hierna bepaalde.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het Faunafonds een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het derde lid, aanhef en onder b, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, in schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ffw en waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend, slechts toegekend indien de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het Faunafonds op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

2. [appellant] heeft verzocht om tegemoetkomingen in schade, ontstaan op zijn percelen grasland die in een ganzenfoerageergebied liggen.

Voorafgaande aan het besluit van18 februari 2012 heeft een door het Faunafonds aangewezen taxateur op 11 januari, 8 februari, 7 maart, 21 maart, 25 april, 9 mei en 7 juni 2012 de percelen bezocht en de schade getaxeerd op € 18.942,00. Volgens het taxatierapport is de schade, het verlies aan gras, voor 100% veroorzaakt door brandganzen. Het definitieve taxatierapport dateert van 22 juni 2012. Op 7 augustus 2012 heeft het Faunafonds schriftelijk gereageerd op de daartegen ingebrachte bedenkingen door [appellant]. Op 6 augustus 2012 heeft het Taxatiebureau 2000 daarop gereageerd. Bij besluit van 18 februari 2012 heeft het Faunafonds een tegemoetkoming toegekend van € 18.942,00.

Voorafgaande aan het besluit van 1 februari 2013 heeft een taxateur op 7 juni, 9 juli, 31 juli, 14 augustus en op 3 oktober 2012 de graspercelen bezocht en de schade getaxeerd op € 5.612,00. Volgens het taxatierapport van 13 oktober 2012 is de schade voor 60% veroorzaakt door brandganzen en voor 40% door grauwe ganzen. Op 6 november 2012 heeft het Faunafonds gereageerd op de tegen het rapport ingebrachte bedenkingen. Op de door de taxateur berekende schade is 5% in mindering gebracht vanwege het eigen risico van een grondgebruiker. De tegemoetkoming is vervolgens vastgesteld op € 5.331,00.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het geschil zich beperkt tot de hoogte van de toegekende tegemoetkomingen in de schade. Daarbij gaat het om de wijze van taxeren, de hoeveelheid gras die verloren is gegaan en de gehanteerde grasprijs. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanleiding is voor twijfel aan de deskundigheid en conclusies van de taxateurs, heeft het Faunafonds de hoogte van de tegemoetkoming op basis van deze taxaties kunnen vaststellen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Faunafonds de taxaties aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat het Faunafonds aanleiding had moeten zien te twijfelen of de taxatierapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en concludent zijn. Daartoe stelt [appellant] dat de door de taxateurs verrichte metingen onjuist en onzorgvuldig zijn uitgevoerd. Volgens hem is niet erkend dat het grasverlies groter is dan 20 cm en dat de eindtaxatie van de schade die zich in het voorjaar heeft voorgedaan te laat is geweest. De eerste taxatie van de schade die zich in de zomer heeft voorgedaan, is eveneens te laat geweest. In beide gevallen zijn de schadebedragen te laag vastgesteld. Dit volgt volgens [appellant] ook uit een overzicht over de jaren 2010 tot en met 2013 en het overzicht van januari tot en met september in 2014, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat de taxaties en de uiteindelijk bepaalde hoeveelheid grasverlies niet juist zijn.

5. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Faunafonds van de taxatierapporten mocht uitgaan, nu niet aannemelijk is gemaakt dat deze rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, niet aannemelijk is gemaakt dat het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten niet op zorgvuldige wijze is uitgevoerd en dat de bevindingen de conclusies kunnen dragen. Zoals de rechtbank heeft overwogen is het voorjaarsgras zevenmaal getaxeerd. Voor de zomerperiode is er vijfmaal getaxeerd. Van belang is ook dat de taxaties zijn verricht door drie verschillende taxateurs die een aantal keren met zijn tweeën de taxatie hebben uitgevoerd en dat op 7 juni 2012 de twee taxateurs zijn begeleid door twee medewerkers van het Faunafonds. Bovendien zijn de taxateurs ingegaan op de bedenkingen van [appellant] op de tussentijdse taxaties en zijn de bevindingen voor het voorjaarsgras naar aanleiding van die opmerkingen aangepast. Bij hun taxaties hebben de taxateurs de richtlijnen van het Faunafonds en het rapport "Meten is weten" in acht genomen.

Meer in het bijzonder is de laatste taxatie inzake de voorjaarsschade op 7 juni 2012 geweest. De eerste taxatie in de zomerschade is op diezelfde datum geweest. Anders dan [appellant] betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat een bepaalde periode niet zou vallen onder een van de twee taxatierapporten en is alle door de ganzen aangerichte schade meegenomen. Gelet op de ontvangst van de tweede aanvraag inzake de zomerschade op 4 juni 2012 en de daaropvolgende taxatie van 7 juni 2012, is er geen grond voor het oordeel dat het Faunafonds niet zorgvuldig heeft gehandeld. Evenmin is de stelling van [appellant] dat een grasverlies van meer dan 20 cm niet kan en mag worden vastgesteld, zodat hij tekort is gedaan voor een oppervlakte van 26 ha, ook in hoger beroep niet aannemelijk geworden. Reeds in de beslissing op bezwaar van 15 februari 2013 heeft het Faunafonds aangegeven dat de opdracht aan de taxateur is om het aantal centimeters grasverlies als gevolg van faunaschade vast te stellen. De taxatierichtlijnen schrijven geen maximaal te taxeren aantal centimeters voor. De schade betreft het verschil tussen de graslengtes op de beschadigde delen een niet beschadigd deel op een vergelijkbaar perceel. Dat, zoals De [appellant] stelt, uit het handboek melkveehouderij blijkt dat bij een maaidatum van 25 mei een droge stof opbrengst van zes ton mogelijk is, betekent niet dat de taxaties in dit geval onjuist zijn geweest.

Gelet op genoemde omstandigheden heeft [appellant] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de taxaties niet volgens de regels zijn uitgevoerd of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij komt dat [appellant] tegenover de taxaties van het Faunafonds geen eigen, door een deskundige opgemaakte, taxatie heeft gesteld. De vaststelling van de gerechtsdeurwaarder L. van Nimwegen in een proces-verbaal van 25 mei 2012, dat de totale oppervlakte weiland van 26.35 hectare in het buitengorsgebied kaal was, kan niet als zodanig worden beschouwd. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder deskundige is op het gebied van opbrengstverlies. Dat uit het bij de rechtbank overgelegde overzicht over de jaren 2010 tot en met 2013 blijkt dat de schade in 2012 lager is dan in de andere jaren, betekent niet dat daaruit volgt dat de taxaties onjuist of onzorgvuldig zijn geweest.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

299.