Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201403726/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 1] om een vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/166 met annotatie van G.M. van den Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403726/1/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Hillegom,

2. het college van burgemeester en wethouders van Hillegom,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2014 in zaak nr. 11/8033 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 1] om een vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2011 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft het college, uitvoering gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] beslist, dat bezwaar gegrond verklaard en [appellant sub 1] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 80.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente.

[appellant sub 1] heeft gronden tegen dit besluit aangevoerd.

[appellant sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door G.W.L. Aandewiel, adviseur, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.C. Leemans, advocaat te Haarlem, bijgestaan door mr. N.L.J.M. van Hattum, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: de WRO) kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro, zijn een bepaling van een bestemmingsplan en een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, oorzaken als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de op 1 juli 2008 in werking getreden Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005 tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten) nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge het tweede lid geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO en van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade op de voet van artikel 6.1 van de Wro dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant sub 1] is sinds 14 oktober 1976 eigenaar van het perceel met woning, garage en bijbehoren aan de [locatie 1] te Hillegom (hierna: de onroerende zaak). Bij aanvraag van 17 maart 2009 heeft hij het college verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een aantal vrijstellingsbesluiten en bestemmingsplannen. Volgens hem is de waarde van zijn onroerende zaak daardoor verminderd.

4. Het college heeft aan de afwijzing van het verzoek een advies van juli 2010 en een aanvullend advies van juni 2011 van Ingenieursbureau ‘Oranjewoud’ B.V. ten grondslag gelegd. Volgens Oranjewoud hebben de desbetreffende besluiten niet geleid tot planologisch nadeel dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

5. De rechtbank heeft aanleiding gezien de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb uit te laten brengen. Mede onder verwijzing naar het advies van 21 november 2012 en het aanvullend advies van 8 april 2013 van de StAB, heeft de rechtbank overwogen dat het college ten aanzien van een aantal besluiten ten onrechte de aanvraag van [appellant sub 1] heeft afgewezen, omdat geen planologisch nadeel zou zijn geleden, en ten onrechte geen taxatie heeft uitgevoerd om de omvang van de planschade vast te stellen. Zij heeft het besluit van 6 september 2011 in zoverre vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

6. Zowel [appellant sub 1] als het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In het navolgende zullen de door hen in hoger beroep aangevoerde gronden per besluit worden behandeld.

Bestemmingsplan "Treslong"

7. Op 14 oktober 1976, toen [appellant sub 1] de onroerende zaak in eigendom verkreeg, gold ter plaatse het uitbreidingsplan "Treslong" met daarbij behorende bebouwingsvoorschriften. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting worden plannen van uitbreiding met daarbij behorende bebouwingsvoorschriften geacht bestemmingsplannen in de zin van de WRO te zijn. Dit uitbreidingsplan zal in het navolgende worden aangeduid als het bestemmingsplan "Treslong".

8. [appellant sub 1] heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat zijn opmerking in het hoger beroepschrift dat de StAB aan haar adviezen ten onrechte niet de gewaarmerkte plankaarten van de herzieningen van het bestemmingsplan "Treslong" ten grondslag heeft gelegd, niet als hogerberoepsgrond behoeft te worden aangemerkt, aangezien dat voor de beoordeling van het geschil niet uitmaakt.

Het standpunt van [appellant sub 1] dat de StAB het bestemmingsplan "Treslong" onjuist heeft uitgelegd en daardoor onjuiste planvergelijkingen heeft gemaakt, komt, voor zover van belang, in het navolgende aan de orde.

Vrijstellingsbesluiten van 9 augustus 2000 (hierna: besluit 1)

9. Bij besluit 1 heeft het college vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Treslong" en vergunning verleend voor de bouw van twee kantoorgebouwen op de ten zuiden van de onroerende zaak van [appellant sub 1] gelegen percelen [locatie 2 en 4]. Onder het bestemmingsplan "Treslong" gold voor deze percelen de bestemming "Tuin".

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Treslong" en besluit 1 (hierna: de eerste planvergelijking) en geconcludeerd dat besluit 1 ten opzichte van het bestemmingsplan "Treslong" niet heeft geleid tot planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft overwogen aan deze conclusie geen gevolgen te kunnen verbinden, aangezien zij, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, dient uit te gaan van het eerder ingenomen standpunt van het college dat besluit 1 wel tot planologisch nadeel voor [appellant sub 1] heeft geleid.

10. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het advies van de StAB niet heeft gevolgd op dit punt, aangezien het in reactie op dat advies te kennen heeft gegeven dat het zich ten aanzien van de eerste planvergelijking bij dat advies aansluit. Met de opmerking in het verweerschrift in beroep dat besluit 1 heeft geleid tot een "verwaarloosbare waardedaling" heeft het slechts bedoeld aan te geven dat, voor zover zich al een planologische verslechtering voordoet, die verslechtering zo gering is dat een waardedaling van de onroerende zaak van [appellant sub 1] niet is te taxeren, aldus het college.

10.1. Het college heeft aan de besluitvorming onder meer het advies van Oranjewoud van juli 2010 ten grondslag gelegd. In dat advies heeft Oranjewoud onder punt 11 geconcludeerd dat [appellant sub 1] planologisch nadeel heeft ondervonden als gevolg van besluit 1. Anders dan het college lijkt te veronderstellen, heeft de rechtbank aan haar oordeel dan ook niet alleen de opmerking in het verweerschrift ten grondslag gelegd, maar evenzeer het standpunt van het college zoals dat volgt uit de besluitvorming op de aanvraag van [appellant sub 1]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] dat standpunt op zichzelf in beroep niet heeft bestreden, zodat zij daarvan bij de toetsing van het besluit van 6 september 2011 diende uit te gaan.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de WRO geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat geringe waardevermindering niet voor vergoeding in aanmerking komt en, nu het college niet heeft gesteld dat de waardevermindering nihil is, het deze door middel van een taxatie op basis van de eerste planvergelijking had dienen te laten vaststellen.

Het betoog faalt.

11. Gelet hierop, behoeft het betoog van [appellant sub 1] dat de adviezen van de StAB ten aanzien van de eerste planvergelijking niet deugen, geen bespreking. De rechtbank heeft die adviezen op dat punt immers niet bij haar oordeel betrokken.

12. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het standpunt van het college dat de waardevermindering van zijn onroerende zaak verwaarloosbaar is, onjuist is. Volgens hem heeft het college aan dat standpunt ten onrechte het advies van Oranjewoud ten grondslag gelegd, nu dat advies niet deugdelijk is. Zo heeft Oranjewoud ten onrechte niet onderkend dat vanuit een groot deel van het kantoorgebouw op het perceel [locatie 3] inkijk in de woning en tuin van [appellant sub 1] mogelijk is en zijn uitzicht wordt beperkt door dat kantoorgebouw, hetgeen een niet geringe waardedaling van de onroerende zaak tot gevolg heeft.

[appellant sub 1] verwijst ter staving van zijn stellingen naar het door hem in beroep overgelegde taxatierapport van Adriaanse Vastgoed B.V. van 12 oktober 2011, met de aanvulling dat Adriaanse daarbij evenals Oranjewoud niet heeft onderkend dat voor het perceel [locatie 1] op grond van het bestemmingsplan "Treslong" een bouwstrook van 32,5 m gold, zodat, uitgaande van een maximale invulling van dat bestemmingsplan op dat perceel, de inkijk in de mogelijk op dat perceel te bouwen woning groter is en het zicht daaruit meer wordt beperkt dan in de feitelijke situatie het geval is.

12.1. Besluit 1 heeft uitsluitend betrekking op de planologische situatie op de percelen [locatie 2 en 4] en ziet niet op het perceel [locatie 1]. Dat betekent dat, anders dan [appellant sub 1] aanvoert, niet relevant is wat onder het bestemmingsplan "Treslong" op dat perceel maximaal kon worden gerealiseerd. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 26 januari 2011 in zaak nr. 201005433/1/H2 en 7 maart 2007 in zaak nr. 200604214/1) dient bij de planologische vergelijking alleen rekening te worden gehouden met de planologische mogelijkheden van de gronden waarvan het planologisch regime is gewijzigd en met de planologische mogelijkheden van de gronden, gelegen tussen de gronden waarop de planologische wijziging betrekking heeft en de onroerende zaak ten aanzien waarvan wordt gesteld dat planschade is geleden.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Oranjewoud bij de eerste planvergelijking ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale bouwmogelijkheden op zijn perceel [locatie 1], faalt dit betoog derhalve.

12.2. Volgens Oranjewoud heeft [appellant sub 1] vanuit zijn woning geen direct zicht op het kantoorgebouw op het perceel [locatie 3], omdat de woning op het tussengelegen perceel [locatie 4] dat zicht belemmert. Vanuit het oostelijke gedeelte van de achtertuin van [appellant sub 1] is op een afstand van 30 m zicht op een deel van het kantoorgebouw, maar gezien de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 4] levert dat geen beperking van het uitzicht op. Vanuit een deel van de verdiepingslagen van het kantoorgebouw is zicht op het perceel van [appellant sub 1], maar gelet op de afstand en oriëntatie blijft de inbreuk op de privacy beperkt, aldus Oranjewoud.

[appellant sub 1] voert terecht aan dat Oranjewoud bij de eerste planvergelijking ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van een in ieder geval sinds 1970 bestaand gasdistributie-station dat tegen de erfgrens van het perceel [locatie 4] is gebouwd. De gemachtigde van het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het college niet heeft kunnen achterhalen welk besluit aan de plaatsing van dat gasdistributiestation ten grondslag ligt. Hij heeft ter zitting verder verklaard dat het college zich niet langer op het standpunt stelt dat voor dat gasdistributiestation geen veiligheidszone geldt waarin niet dan wel beperkt gebouwd mag worden. Volgens de gemachtigde bedraagt die veiligheidszone voor woningen 10 m en voor kantoorgebouwen 4 m. [appellant sub 1] voert evenwel terecht aan dat in de overgelegde stukken in deze procedure, zoals latere bestemmingsplannen, een veiligheidszone van 15 m wordt vermeld. De Afdeling ziet, bij gebreke aan een andersluidend besluit, geen aanleiding om niet van de juistheid van laatstgenoemde afstand uit te gaan.

De aanwezigheid van het gasdistributiestation en de daarbij behorende veiligheidszone brengen mee dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 4] worden beperkt. Niet valt uit te sluiten dat het zicht vanuit de achtertuin van het perceel [locatie 1] op het perceel [locatie 3] en vice versa als gevolg daarvan groter is dan door Oranjewoud aangenomen. Daarbij is tevens van belang dat, zoals [appellant sub 1] terecht aanvoert, volgens het bestemmingsplan "Treslong" een strook van 3 m vanaf de erfgrens tussen de percelen [locatie 4 en 1] niet mag worden bebouwd.

Verder is in dit verband van belang dat, zoals [appellant sub 1] eveneens terecht aanvoert, uit de ter zitting getoonde plankaarten blijkt dat het perceel [locatie 1] dieper is dan het perceel [locatie 4], zodat - zelfs wanneer er, rekening houdend met de veiligheidszone en de niet te bebouwen strook van 3 m, nog bouwmogelijkheden overblijven op laatstgenoemd perceel - niet valt uit te sluiten dat [appellant sub 1] vanuit het achterste deel van zijn achtertuin zicht heeft op het kantoorgebouw op het perceel [locatie 3] en vice versa.

Gelet hierop is de conclusie van Oranjewoud dat besluit 1 heeft geleid tot een geringe dan wel verwaarloosbare waardedaling van de onroerende zaak van [appellant sub 1] niet deugdelijk gemotiveerd. Het college had het advies van Oranjewoud derhalve ten aanzien van de eerste planvergelijking niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

In zoverre slaagt het betoog.

Bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan" (hierna: besluit 2)

13. Bij besluit 2, dat op 11 september 2003 door de raad is vastgesteld, hebben de percelen [locatie 2, 3 en 4] de bestemming "Kantoren" gekregen.

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Treslong" en besluit 2 (hierna: de tweede planvergelijking) en geconcludeerd dat besluit 2 ten opzichte van het bestemmingsplan "Treslong" heeft geleid tot planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de adviezen van de StAB, overwogen dat [appellant sub 1] voor vergoeding in aanmerking komende planschade heeft geleden als gevolg van besluit 2, voor zover daardoor de bouw van kantoorgebouwen op de percelen [locatie 2 en 4], uitbreiding van het pand op het perceel [locatie 4] en het gebruik van de gronden van dat perceel als parkeerterrein mogelijk werden.

14. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de StAB ten onrechte het gebruik als kantoor van een eventuele uitbreiding van het pand op het perceel [locatie 4] aan besluit 2 heeft toegerekend, aangezien dat gebruik geacht moet worden voort te vloeien uit het reeds vóór besluit 2 bestaande illegale gebruik van dat pand als kantoor. De rechtbank heeft daarom op onjuiste gronden geoordeeld dat besluit 2 heeft geleid tot een planologisch nadeel voor [appellant sub 1], aldus het college.

14.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200702220/1) komt een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een planologische maatregel waarbij reeds bestaand illegaal gebruik positief wordt bestemd, niet voor inwilliging in aanmerking, tenzij de verzoeker de bezwaren tegen de illegale situatie in voldoende mate heeft geuit tegen het bevoegd gezag.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning op het perceel [locatie 4] vóór besluit 2 illegaal werd gebruikt als kantoor en [appellant sub 1] zich niet tegen dat gebruik van de woning heeft verzet. De bij besluit 2 aan die woning gegeven kantoorbestemming leidt op zichzelf derhalve niet tot een planologisch nadeliger situatie voor [appellant sub 1]. Volgens de StAB maakt besluit 2 evenwel nieuwbouw met een voor [appellant sub 1] ongunstigere bebouwingsvorm en situering op het perceel mogelijk, hetgeen wel tot planologisch nadeel leidt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat die conclusie onjuist of onbegrijpelijk is. Dat [appellant sub 1] zich niet heeft verzet tegen het illegale gebruik van de bestaande woning op het perceel [locatie 4] als kantoor betekent immers niet dat hij zich tegen het gebruik als kantoor van een woning, in een andere, voor hem ongunstigere bebouwingsvorm en situering, evenmin zou hebben verzet.

Het betoog faalt.

15. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de StAB bij de tweede planvergelijking ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het vervallen van een bouwstrook van 32,5 m bij 26 m op zijn perceel, het vervallen van de veiligheidszone van het gasdistributiestation voor het perceel [locatie 4] in verband met de bestemmingswijziging naar Kantoren, de mogelijkheid om de kantoorgebouwen op de percelen [locatie 2, 3 en 4] aanzienlijk uit te breiden, waarbij het kantoorgebouw aan de [locatie 4] tot tegen de erfgrens met zijn perceel kan worden gebouwd, alsmede de toename van hinder door benzinestank, fijnstof en geluid als gevolg van de toegenomen parkeermogelijkheden bij de kantoorgebouwen.

Ten aanzien van de parkeermogelijkheden op het perceel [locatie 4] heeft de StAB zich volgens [appellant sub 1] ten onrechte op het standpunt gesteld dat het parkeren op dat perceel reeds vóór besluit 2 bij het illegale gebruik van het pand als kantoor behoorde en [appellant sub 1] daartegen niet is opgetreden.

15.1. De StAB heeft in het nadere advies van 8 april 2013 vermeld dat, nu [appellant sub 1] in deze procedure niet als schadegrondslag heeft genoemd dat de bouwmogelijkheden op zijn eigen perceel zijn beperkt, dit niet als zodanig is onderzocht.

[appellant sub 1] heeft in het verzoek om vergoeding van planschade het volgende vermeld over besluit 2: "Op 11 september 2003 is het bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan" door de Raad vastgesteld, waarmee de bestemming van de Treslongtuin en het perceel van Athos is gewijzigd van tuin, resp villa in Kantoren." [appellant sub 1] noemt daarbij derhalve niet het vervallen van een bouwstrook op zijn eigen perceel. Ook in zijn bezwaar- en beroepschrift heeft hij dat niet gedaan. De door hem ingeschakelde taxateur vermeldt evenmin zogenoemde directe planschade door het verlies van een bouwstrook op het perceel van [appellant sub 1]. Eerst na het advies van de StAB van 21 november 2012 heeft [appellant sub 1] zijn eis vermeerderd in die zin dat hij ook een tegemoetkoming in planschade wenst voor het vervallen van een bouwstrook op zijn perceel. Gezien het late stadium waarin [appellant sub 1] dit heeft aangevoerd en de bewoordingen van het verzoek om vergoeding van planschade, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de StAB de directe planschade, wat daar ook van zij, ten onrechte buiten haar advisering heeft gehouden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2006 in zaak nr. 200505086/1).

Het betoog faalt in zoverre.

15.2. Volgens de StAB heeft besluit 2 voor de percelen [locatie 2 en 4] geen grote gevolgen. Weliswaar kunnen de gebouwen in geringe mate worden uitgebreid, maar voor het overige is met het bestemmingsplan vastgelegd wat reeds met besluit 1 mogelijk was gemaakt, aldus de StAB. In het nadere advies heeft de StAB daaraan toegevoegd dat de bebouwing op de percelen [locatie 2 en 4] kan worden uitgebreid, maar niet in bepalende mate. Voor het perceel [locatie 4] geldt dat in de oude situatie een groter pand mogelijk was dan in de nieuwe, aldus de StAB.

Zowel [appellant sub 1] als het college hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwvlak op het perceel [locatie 3] met 86% is vergroot als gevolg van besluit 2. Volgens [appellant sub 1] is het bouwvlak op het perceel [locatie 2] met 76% vergroot, volgens het college met 65%. Daargelaten van welk percentage dient te worden uitgegaan, heeft de StAB niet deugdelijk gemotiveerd waarom een dergelijke toename van het bouwvlak als gering dan wel niet bepalend is aan te merken. [appellant sub 1] heeft verder terecht aangevoerd dat de StAB in dit verband ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op zijn stelling dat op die beide percelen als gevolg van een vrijstelling in artikel 25 van de planvoorschriften bij besluit 2 een extra bouwlaag mogelijk is gemaakt.

[appellant sub 1] voert evenzeer terecht aan dat de StAB in haar advisering de gevolgen van de aanwezigheid van een gasdistributiestation bij de erfgrens van het perceel [locatie 4] niet heeft onderkend. Zoals hiervoor onder 12.2. is overwogen, bracht de aanwezigheid van het gasdistributiestation en de daarbij behorende veiligheidszone van 15 m onder het bestemmingsplan "Treslong" mee dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 4] waren beperkt. De StAB is in dit verband ten onrechte niet ingegaan op de stelling van [appellant sub 1] dat de veiligheidszone van het gasdistributiestation niet dan wel in mindere mate geldt voor kantoorbestemmingen, zodat door de bestemmingswijzing van dat perceel mogelijk juist een groter gebouw kan worden neergezet dan voorheen. De conclusie van de StAB dat onder het bestemmingsplan "Treslong" op het perceel [locatie 4] een groter gebouw kon worden neergezet dan onder besluit 2, is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd.

15.3. [appellant sub 1] voert verder terecht aan dat de StAB in haar adviezen ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op zijn stelling dat op de percelen [locatie 2 en 4] als gevolg van besluit 2 extra parkeermogelijkheden zijn gekomen aan de voor-, zij- en achterkant van de kantoorgebouwen en hij daarvan hinder ondervindt. De opmerking van de StAB dat zich voor [appellant sub 1] door de mogelijke bebouwing op het perceel [locatie 4], de omliggende bebouwing en de doorgaande straat waaraan zijn perceel is gelegen, geen nadelen voor wat betreft verkeer voordoen, is niet toereikend voor de conclusie dat de uitbreiding van de parkeermogelijkheden op die percelen niet tot planologisch nadeel, zoals zichtverslechtering, heeft geleid.

Ten aanzien van het perceel [locatie 4] heeft de rechtbank overwogen dat [appellant sub 1] als gevolg van besluit 2, voor zover daarbij het gebruik van de gronden van dat perceel als parkeerterrein mogelijk werd, voor vergoeding in aanmerking komende planschade heeft geleden. Daaruit volgt dat de rechtbank [appellant sub 1] is gevolgd in zijn stelling dat hij het vóór besluit 2 illegale parkeren op dat perceel niet heeft gedoogd. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant sub 1] in dit verband aanvoert tegen het advies van de StAB geen bespreking.

15.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 15.2. en 15.3. is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de adviezen van de StAB ten aanzien van de uitbreiding van de bouwmogelijkheden op de percelen [locatie 2, 3 en 4] en de uitbreiding van de parkeermogelijkheden op de percelen [locatie 2 en 4] niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Zij heeft die adviezen op die punten derhalve ten onrechte aan haar beoordeling ten grondslag gelegd.

Het betoog slaagt in zoverre.

Vrijstellingsbesluiten van 24 juni 2005 (hierna: besluit 3) en 7 november 2005 (hierna: besluit 4)

16. Bij besluit 3 heeft het college vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Treslong" en bouwvergunning verleend voor het project De Marel, inhoudende de bouw van 88 woningen en appartementen bij de Parklaan en Vosselaan ten oosten van de onroerende zaak van [appellant sub 1].

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Treslong" en besluit 3 (hierna: de derde planvergelijking) en geconcludeerd dat besluit 3 ten opzichte van het bestemmingsplan "Treslong" heeft geleid tot planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de adviezen van de StAB, overwogen dat [appellant sub 1] in ieder geval vanwege de door besluit 3 ontstane mogelijkheid om op de gronden met voorheen een bestemming "Tuin" de woning aan de Marellaan 9 te kunnen oprichten, planologisch nadeel heeft geleden en het college opgedragen om een taxatie uit te voeren om de omvang van de planschade vast te stellen.

17. Bij besluit 4 heeft het college vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Treslong" voor wijzigingen aan 34 op grond van besluit 3 gebouwde woningen, de zogenoemde kopersopties, waaronder uitbouwen en balkons.

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Treslong" en besluit 4 (hierna: de vierde planvergelijking) en geconcludeerd dat besluit 4 ten opzichte van het bestemmingsplan "Treslong" heeft geleid tot een gering planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft overwogen dat het college die conclusie niet gemotiveerd heeft bestreden en het college opgedragen om een taxatie uit te voeren om de omvang van de planschade vast te stellen.

18. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat artikel 6.2 van de Wro niet van toepassing is met betrekking tot de besluiten 3 en 4, ten onrechte niet heeft onderkend dat het eerste lid van die bepaling, dat ziet op het normale maatschappelijke risico, wel van toepassing is.

18.1. De Afdeling volgt [appellant sub 1] niet in zijn standpunt dat het college dit betoog niet eerst in hoger beroep mag voeren. De StAB heeft zich in haar adviezen desgevraagd beperkt tot de vraag of [appellant sub 1] planologisch nadeel heeft geleden, zodat aan de vraag of de gestelde planschade binnen het normale maatschappelijke risico valt, niet is toegekomen. Er was voor het college derhalve geen aanleiding om zijn standpunt daarover bij de rechtbank naar voren te brengen. Overigens heeft Oranjewoud in zijn advies van juli 2010, dat ten grondslag is gelegd aan de bestreden besluitvorming, gewezen op het normale maatschappelijk risico en ten aanzien van de besluiten 3 tot en met 5 geadviseerd dat de gevolgen daarvan te beperkt zijn om tot planologisch nadeel te concluderen dat voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Het college heeft zich derhalve reeds in de besluitvormingsfase op het standpunt gesteld dat het normale maatschappelijke risico een relevante rol speelt bij de toekenning van planschade in deze zaak.

[appellant sub 1] wordt evenmin in zijn standpunt gevolgd dat de nadelige gevolgen van de besluiten 3 en 4 zijn ontstaan door en toe te rekenen zijn aan besluit 2, zodat zij evenals besluit 2 onder het regime van artikel 49 van de WRO vallen en de discussie over het normale maatschappelijke risico reeds daarom niet hoeft te worden gevoerd. Zoals ook de StAB in haar advies van 21 november 2012 heeft vermeld, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedkeuring onthouden aan de bij besluit 2 neergelegde uit te werken woonbestemming op de gronden ten oosten van de onroerende zaak van [appellant sub 1]. Het project De Marel is derhalve niet reeds mogelijk gemaakt bij dat besluit.

18.2. Het in artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wro neergelegde overgangsrecht, op grond waarvan de WRO van toepassing is, ziet op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008 alsmede op aanvragen om vergoeding van planschade als gevolg van een planologisch maatregel die vóór 1 september 2005 onherroepelijk is geworden.

Het in artikel 9.1.18, tweede lid, neergelegde overgangsrecht, op grond waarvan artikel 6.2, tweede lid, van de Wro niet van toepassing is, ziet op aanvragen die zijn ingediend in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010, waarbij de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel na 1 september 2005 onherroepelijk is geworden en vóór 1 juli 2008 in werking is getreden.

De aanvraag van [appellant sub 1] is op 19 maart 2009 door het college ontvangen. Besluiten 3 en 4 zijn na 1 september 2005 onherroepelijk geworden en vóór 1 juli 2008 in werking getreden. Gelet hierop, brengt artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro met zich dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is. Derhalve blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade als gevolg van de besluiten 3 en 4 voor rekening van [appellant sub 1]. Dat artikel 6.2, tweede lid, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, doet daaraan niet af. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

Het betoog slaagt.

18.3. De Afdeling volgt [appellant sub 1] in dit verband wel in zijn standpunt dat de besluiten 3 en 4, gelet op de aard en de inhoud van deze besluiten en het korte tijdsverloop tussen beide besluiten, voor het bepalen van het normale maatschappelijke risico als één samenhangend besluit moeten worden gezien.

19. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de StAB zich bij de derde planvergelijking ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij van de woningen aan de Marellaan 5 en 7 geen hinder ondervindt en dat het nog te bouwen appartementencomplex niet zichtbaar is vanaf zijn perceel en niet leidt tot aantasting van de privacy.

19.1. Volgens de StAB leidt [appellant sub 1] ten aanzien van het perceel met de woning Marellaan 9 planologisch nadeel, omdat dat perceel direct aan het perceel van [appellant sub 1] grenst. De andere woningen aan de westzijde van de Marellaan leiden niet tot planologisch nadeel, omdat deze door de tussengelegen percelen worden afgescheiden van het perceel van [appellant sub 1], aldus de StAB.

De percelen Marellaan 5 en 7 liggen aan de westzijde van de Marellaan ten zuiden van het perceel Marellaan 9. [appellant sub 1] voert terecht aan dat de StAB niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij vanaf zijn perceel geen zicht op de woningen op die percelen zou hebben en vice versa. Weliswaar wordt dat zicht beperkt door de mogelijke bebouwing op het perceel [locatie 4], maar uitgaande van een bij het gasdistributiestation behorende veiligheidszone van 4 m voor kantoren, is die bebouwing beperkt. Bovendien is, zoals hiervoor onder 12.2. is overwogen, het perceel [locatie 1] dieper dan het perceel [locatie 4], zodat geenszins valt uit te sluiten dat [appellant sub 1] in ieder geval vanuit het achterste deel van zijn achtertuin zicht heeft op de woningen op de percelen Marellaan 5 en 7 en vice versa.

De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat de adviezen van de StAB op dit punt niet deugdelijk zijn gemotiveerd en die adviezen derhalve in zoverre ten onrechte aan haar beoordeling ten grondslag gelegd.

Het betoog slaagt in zoverre.

19.2. Voor wat betreft de ten oosten van de Marellaan gelegen woningen en appartementen is volgens de StAB sprake van gering planologisch nadeel, omdat deze zijn waar te nemen vanaf het perceel van [appellant sub 1]. Gezien de afstand tot het perceel van [appellant sub 1], zal vanuit deze appartementen geen duidelijke inkijk zijn in de achtertuin van [appellant sub 1], zodat er geen aantasting van zijn privacy zal zijn, aldus de StAB.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om de StAB op dit punt niet te volgen. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat vanuit het appartementencomplex een zodanige inkijk in zijn woning en tuin mogelijk is dat zijn privacy hierdoor wordt aangetast. Verder heeft de StAB zich, anders dan [appellant sub 1] stelt, niet op het standpunt gesteld dat het te bouwen appartementencomplex niet zichtbaar is vanaf de onroerende zaak van [appellant sub 1], maar dat dit tot een gering planologisch nadeel leidt. Gezien de afstand van dit appartementencomplex tot de onroerende zaak van [appellant sub 1], is die conclusie niet onjuist of onbegrijpelijk.

Het betoog faalt in zoverre.

19.3. De stelling van [appellant sub 1] dat de StAB bij de derde planvergelijking ten onrechte rekening heeft gehouden met een op 24 juni 2005 aanwezig kantoorgebouw en aanwezige beurszaal/sporthal, aangezien die op de peildatum 25 juli 2006 reeds gesloopt waren, berust op een onjuiste lezing van de adviezen van de StAB. De StAB heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat het al dan niet aanwezig zijn van die bebouwing juist niet relevant is voor de planologische vergelijking. Voorts heeft de rechtbank de StAB hierin gevolgd.

20. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de StAB niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het bij de vierde planvergelijking slechts om kruimelgevallen gaat, nu de woningen aan de Marellaan 1, 3, 5 en 9 door de bij besluit 4 toegestane uitbreiding 2,5 m dichter bij zijn perceelgrens zijn gekomen.

20.1. Volgens de StAB vallen de bij besluit 4 mogelijk gemaakte uitbreidingen aan de achterzijde van de woningen aan de westzijde van de Marellaan onder de zogenoemde kruimelgevallenregeling als bedoeld in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het BRO). Door die uitbreidingen kan de aantasting van de privacy in grotere mate vanuit die woningen plaatsvinden, hetgeen tot een gering planologisch nadeel voor [appellant sub 1] leidt, aldus de StAB.

Besluit 4 is een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Aangezien artikel 20 van het BRO ziet op vrijstellingen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, heeft de StAB die bepaling ten onrechte van toepassing geacht op besluit 4. De conclusie van de StAB dat de desbetreffende uitbreidingen kruimelgevallen zijn die hebben geleid tot gering planologisch nadeel voor [appellant sub 1], is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend en de adviezen van de StAB derhalve in zoverre ten onrechte aan haar beoordeling ten grondslag gelegd.

Het betoog slaagt.

Vrijstellingsbesluit van 4 december 2007 (hierna: besluit 5)

21. Bij besluit 5 heeft het college vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Treslong" voor een uitbreiding van de ten zuidoosten van de onroerende zaak van [appellant sub 1] gelegen woning Marellaan 9, bestaande uit een opbouw op de garage en woonkamer en het dichtbouwen van een balkon dat is gebouwd op grond van besluit 4.

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Treslong" en besluit 5 en geconcludeerd dat besluit 5 ten opzichte van het bestemmingsplan "Treslong" heeft geleid tot een gering planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft overwogen dat het college die conclusie niet gemotiveerd heeft bestreden en het college opgedragen om een taxatie uit te voeren om de omvang van de planschade vast te stellen.

22. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat artikel 6.2 van de Wro niet van toepassing is met betrekking tot besluit 5, ten onrechte niet heeft onderkend dat het eerste lid van die bepaling, dat ziet op het normale maatschappelijke risico, wel van toepassing is.

22.1. Besluit 5 is na 1 september 2005 onherroepelijk geworden en vóór 1 juli 2008 in werking getreden. Gelet hierop, en op hetgeen onder 18.1. en 18.2. is overwogen, slaagt het betoog.

Bestemmingsplan "Treslong, omgeving Parklaan, correctieve herziening De Marel" (hierna: besluit 6)

23. Bij besluit 6, dat op 11 september 2008 door de raad is vastgesteld, zijn de besluiten 3, 4 en 5 planologisch vastgelegd. Tevens zijn daarbij bestemmingen voor de gronden van het project De Marel vastgelegd.

De StAB heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen die besluiten en besluit 6 (hierna: de zesde planvergelijking). Volgens de StAB is met besluit 6 in grote lijnen vastgelegd wat reeds met de vrijstellingen van het bestemmingsplan "Treslong" eerder mogelijk was gemaakt en heeft dat besluit per saldo niet geleid tot een planologisch nadeel voor [appellant sub 1]. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de StAB op dit punt niet te volgen.

24. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de StAB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij besluit 6 de bestaande situatie is vastgelegd. Volgens hem zijn er zeven van belang zijnde punten die eerst bij besluit 6 mogelijk zijn gemaakt en die een grote impact hebben op zijn privacy alsmede geluids-, licht- en stankoverlast kunnen veroorzaken. Daarnaast heeft de StAB ten onrechte de aantasting van de privacy verdisconteerd met de beperking van het uitzicht, aldus [appellant sub 1].

24.1. [appellant sub 1] voert als punt aan dat besluit 6 de aanleg van een openbare weg bestemd voor doorgaand verkeer en de plaatsing van lichtmasten daarop heeft mogelijk gemaakt. Ter zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat de aanleg van die weg, de Marellaan, reeds mogelijk is gemaakt bij besluit 3. De StAB is bij de zesde planvergelijking derhalve terecht niet ingegaan op dit punt. Zij had dat echter wel moeten doen bij de derde planvergelijking. Dit geldt eveneens ten aanzien van de mogelijkheid lichtmasten van 6 m op te richten op de Marellaan. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

24.2. Ten aanzien van het punt van [appellant sub 1] dat besluit 6 vier in plaats van drie bouwlagen met balkons op het appartementencomplex mogelijk maakt, heeft de StAB zich op het standpunt gesteld dat dit een ondergeschikt punt betreft. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om de StAB op dit punt niet te volgen. Zoals hiervoor onder 19.2. is overwogen, heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat vanuit het appartementencomplex een zodanige inkijk in zijn woning en tuin mogelijk is dat zijn privacy hierdoor wordt aangetast. Dat [appellant sub 1] zicht heeft op het appartementencomplex vanaf zijn onroerende zaak, heeft de StAB reeds van belang geacht bij de derde planvergelijking. De conclusie van de StAB dat dit zicht niet in relevante mate verslechtert als er een vierde bouwlaag bijkomt, is niet onjuist of onbegrijpelijk.

Ten aanzien van de door [appellant sub 1] genoemde punten dat besluit 6 het parkeren op gronden met de bestemming "Tuin" en het plaatsen van bijgebouwen, balkons, erkers en dakkapellen mogelijk heeft gemaakt, heeft de StAB zich op het standpunt gesteld dat de regeling voor bijgebouwen, bouwwerken, erfafscheiding en parkeren bij de woningen aan de Marellaan kan leiden tot een verdere bebouwing van de achtertuinen. Dit kan voor [appellant sub 1] een belemmering van het uitzicht betekenen en eventueel tot een toename van geluid leiden ten opzichte van een onbebouwde achtertuin. Luchtverontreiniging is niet aannemelijk. Anderzijds zal de mogelijke bebouwing leiden tot een belemmering van zicht vanaf de percelen van de omwonenden op het perceel van [appellant sub 1], waarmee een verdere aantasting van zijn privacy wordt voorkomen. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien om de StAB op dit punt niet te volgen. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de regeling voor bijgebouwen, bouwwerken, erfafscheiding en parkeren bij de woningen aan de Marellaan dusdanige nadelige gevolgen heeft voor zijn uitzicht dat deze niet gecompenseerd worden door de als gevolg van deze regeling toegenomen privacy.

De StAB heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het door [appellant sub 1] genoemde punt van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid bij een planvergelijking op grond van de Wro buiten beschouwing dient te worden gelaten (vergelijk de tussenuitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2012 in zaak nr. 201108638/1/T1/A2).

Het betoog faalt.

Overig betoog

25. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) het college te veroordelen in de kosten die [appellant sub 1] in verband met het beroep werkelijk heeft moeten maken voor de door een derde aan hem beroepsmatig verleende rechtsbijstand en het inschakelen van een taxateur.

25.1. Het in de bijlage bij het Bpb neergelegde vergoedingenstelsel, waaraan in de aangevallen uitspraak toepassing is gegeven, heeft een forfaitair karakter. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van dit forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.

Het betoog faalt.

Conclusie ten aanzien van de hoger beroepen

26. De rechtbank heeft het besluit van 6 september 2011 terecht vernietigd voor zover het betrekking heeft op de besluiten 1 tot en met 5. De uitspraak van de rechtbank dient derhalve in de einduitspraak te worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen onder 12.2., 15.2., 15.3., 15.4., 18.2., 18.3., 19.1., 20.1., 22.1. en 24.1. is overwogen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Het besluit van 10 juni 2014

27. Het besluit van 10 juni 2014 wordt, gelet op artikel 6:24 gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

28. Bij dat besluit heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] beslist, dat bezwaar gegrond verklaard en [appellant sub 1] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 80.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente. Hieraan heeft het een planschaderapport van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van mei 2014 ten grondslag gelegd. In dat rapport heeft de SAOZ met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank de mogelijke planschade getaxeerd als gevolg van de besluiten 1 tot en met 5.

Aangezien de gronden van de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van die besluiten, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 12.2., 15.2., 15.3., 15.4., 18.2., 18.3., 19.1., 20.1., 22.1. en 24.1., niet juist zijn, is het advies van de SAOZ eveneens niet deugdelijk tot stand gekomen. Dit brengt mee dat het besluit van 10 juni 2014 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

29. De Afdeling ziet geen mogelijkheid thans zelf in de zaak te voorzien, maar ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 10 juni 2014 te herstellen. Daartoe dient het college, met de hulp van een deskundige en met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak onder 12.2., 15.2., 15.3., 15.4., 18.2., 18.3., 19.1., 20.1., 22.1. en 24.1. is overwogen, opnieuw onderzoek te doen naar het door [appellant sub 1] gestelde planologische nadeel als gevolg van de besluiten 1 tot en met 5, de daaruit voortvloeiende schade en de vergoedbaarheid daarvan.

Redelijke termijn

30. In de einduitspraak zal worden beslist op het verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van immateriële schade wegens de door hem gestelde overschrijding van de redelijke termijn in deze procedure.

Proceskosten en griffierecht

31. In de einduitspraak zal eveneens worden beslist over de proceskosten in hoger beroep en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Hillegom op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met de hulp van een deskundige en met inachtneming van de overwegingen 12.2., 15.2., 15.3., 15.4., 18.2., 18.3., 19.1., 20.1., 22.1. en 24.1. het gebrek in het besluit van 10 juni 2014, kenmerk "Z-11-10661\1.2. Post Uit\37468", te herstellen, en

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. De Vries-Biharie

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

611.