Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201307050/1/R4 en 201403325/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk 3.3990, heeft de raad het bestemmingsplan "Weerlaan 13" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0274
JOM 2014/1235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307050/1/R4 en 201403325/2/R4.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Hillegom,

en

de raad van de gemeente Hillegom,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk 3.3990, heeft de raad het bestemmingsplan "Weerlaan 13" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief van 1 augustus 2013 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaak nr. 201307050/1/R4.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij besluit van 23 januari 2014, kenmerk 3.4376, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is op 12 maart 2014 bekendgemaakt.

De Afdeling heeft zaak nr. 201307050/1/R4 ter zitting behandeld op 14 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.K. Koornneef, en de raad, vertegenwoordigd door mr. N.L.J.M. van Hattum en ing. E.S. Kraaij, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Plasthill B.V., vertegenwoordigd door M.J. van Toor, M.M.G. Schellevis en M.W.G. Zuiderduin, gehoord.

De Afdeling heeft daarbij het onderzoek in die zaak gesloten.

Tegen het besluit van 23 januari 2014 heeft onder anderen [appellante] beroep ingesteld, bij brief van 22 april 2014, aangevuld bij brief van 22 mei 2014. De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellante] tegen het besluit van 23 januari 2014 afgesplitst van de andere beroepen tegen dat besluit. Het beroep van [appellante] tegen dit besluit is geregistreerd onder zaak nr. 201403325/2/R4. De behandeling van de andere beroepen zal worden voortgezet onder zaak nr. 201403325/1/R4.

De Afdeling heeft vervolgens op 27 juni 2014 het onderzoek in de zaak met nr. 201307050/1/R4 heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en [appellante] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk kenbaar te maken of in de brief van 22 mei 2014 de gehele motivering van het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 23 januari 2014 is vervat en deze motivering zo nodig aan te vullen. Van deze gelegenheid heeft [appellante] geen gebruik gemaakt. Met toestemming van partijen is een (nadere) zitting in de zaken 201307050/1/R4 en 201403325/2/R4 achterwege gebleven, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bij besluit van 13 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Weerlaan 13" biedt een nieuw ruimtelijk kader voor de uitbreiding van het bedrijf Plasthill dat is gevestigd op het perceel Weerlaan 13 te Hillegom.

Het bij besluit van 23 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" is een overwegend conserverend bestemmingsplan voor drie bedrijventerreinen in de gemeente Hillegom.

3. [appellante] is gevestigd ten oosten van Plasthill op het perceel [locatie]. Het beroep van [appellante] van 1 augustus 2013 is gericht tegen het besluit van 13 juni 2013, voor zover daarin is voorzien in bouwmogelijkheden op het deel van het perceel Weerlaan 13 dat grenst aan haar perceel.

Het besluit van 23 januari 2014

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4.1. De Afdeling overweegt dat het besluit van 23 januari 2014 onder meer betrekking heeft op het plandeel dat door [appellante] is bestreden in het beroep tegen het besluit van 13 juni 2013. Het besluit van 13 juni 2013 is in zoverre vervangen door het besluit van 23 januari 2014. Nu het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" evenals het bestemmingsplan "Weerlaan 13" voorziet in de uitbreiding van het bedrijf Plasthill komt het besluit van 23 januari 2014 niet tegemoet aan het beroep van [appellante] tegen het besluit van 13 juni 2013. Gelet hierop is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 13 juni 2013 van rechtswege tevens gericht tegen het besluit van 23 januari 2014.

5. [appellante] betoogt dat de bouwmogelijkheden op het perceel Weerlaan 13 leiden tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar onbebouwde strook grond die grenst aan het perceel van Plasthill, omdat door het benutten van die bouwmogelijkheden zon- en daglicht aan die strook grond wordt onttrokken. Om algaanslag bij de ter plaatse opgeslagen rolcontainers met voedingsmiddelen te voorkomen, hebben de desbetreffende gronden volgens [appellante] zon- en daglicht nodig. [appellante] voert verder aan dat het plan de toekomstige uitbreiding van haar bedrijf op het perceel [locatie] in de weg staat. Volgens [appellante] leidt realisatie van bebouwing tot op de erfgrens door Plasthill ertoe dat de thans onbebouwde strook grond op het perceel [locatie] door [appellante] niet meer kan worden bebouwd vanwege brandveiligheidseisen en de vereiste bereikbaarheid van het perceel van [appellante] voor hulpdiensten. Ter zitting heeft [appellante] daarnaast aangevoerd dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten van het perceel van Plasthill in het geding komt door de realisatie van bebouwing tot op de erfgrens door zowel Plasthill als [appellante].

5.1. De raad stelt voorop dat op grond van het tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Weerlaan 13" geldende plan "Horst ten Daal 1995" reeds tot op de zij- en achtererfafscheiding mocht worden gebouwd. De raad stelt verder dat de toegelaten bouwhoogte van de bebouwing van Plasthill op de erfgrens niet zal leiden tot een onaanvaardbare afname van de toetreding van zon- en daglicht ter plaatse van het perceel van [appellante] en verwijst in dit kader naar een bezonningsonderzoek. Volgens de raad komt de bereikbaarheid van de bedrijven door hulpdiensten voorts niet in het geding, omdat de Veiligheidsregio Hollands Midden heeft aangegeven dat er ten minste twee ontsluitingswegen moeten zijn en daaraan ook met bebouwing van Plasthill tot op de erfgrens wordt voldaan. Op 30 oktober 2013 is aan Plasthill omgevingsvergunning verleend voor de bouw van tijdelijke bedrijfsbebouwing, aldus de raad. Volgens de raad is de aanvraag om die vergunning getoetst en zullen ook toekomstige aanvragen worden getoetst aan het Bouwbesluit 2012, waardoor de brandveiligheid wordt gewaarborgd.

5.2. Het perceel Weerlaan 13 heeft in het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering 1" en "bedrijf tot en met categorie 4.1".

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder b en c, van de planregels bedraagt de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens en de achterste perceelgrens minimaal 3 m.

Ingevolge lid 4.2.1, onder e, gelden in afwijking van het bepaalde onder b en c ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering 1" de onder b en c genoemde afstandseisen niet.

Ingevolge lid 4.2.1, onder g, mag ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven. De toegelaten bouwhoogte varieert nabij de oostelijke perceelgrens van 8 m in het zuidelijke deel, 24 m in het centraal gelegen deel en 13 m in het noordelijke deel van het perceel van Plasthill.

5.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200801092/1, overweegt de Afdeling dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke eisen bestaan. In het kader van de belangenafweging kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of wordt voldaan aan de zogeheten TNO-norm. Buro Sro heeft een studie verricht naar de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie ter plaatse van het perceel van [appellante] (hierna: bezonningsstudie). In de bezonningsstudie is de zogenoemde strenge TNO-norm gehanteerd. Deze norm houdt in dat goede bezonning plaatsvindt als ten minste drie bezonningsuren per dag mogelijk zijn in de periode van 21 januari tot en met 22 november in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van een raam. Zoals in de bezonningsstudie is vermeld wordt deze norm gebruikt om te beoordelen of voldoende bezonning door een raam in de woonkamer van een woning plaatsvindt. Volgens de bezonningsstudie is de norm ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op de ramen van bedrijfspanden, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd. [appellante] heeft niet weersproken dat de norm ook bruikbaar is in geval van een bedrijfspand en heeft evenmin aangevoerd dat niet bij deze norm kan worden aangesloten in geval van een onbebouwd deel van een bedrijventerrein. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de TNO-norm om te kunnen beoordelen of ter plaatse van het perceel van [appellante] na realisatie van het plan voldoende bezonning plaatsvindt. Het is evenwel aan de raad om vervolgens alle relevante belangen af te wegen.

5.3.1. In de bezonningsstudie is een vergelijking gemaakt tussen de bezonning bij benutting van de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan "Horst ten Daal 1995" en de bezonning bij realisatie van de bouwmogelijkheden die het onderhavige plan biedt. Op grond van het bestemmingsplan "Horst ten Daal 1995" was op het perceel Weerlaan 13, zoals de raad terecht stelt, op grond van artikel 10, derde lid, onder e, van de planvoorschriften reeds bebouwing in de zij- of achtererfscheiding toegestaan. Op grond van artikel 4, lid 4.2.1, onder e, van de planregels van het onderhavige plan is dit ook toegelaten.

Volgens de bezonningsstudie heeft het plan beperkte gevolgen voor de bezonning op het perceel van [appellante]. Uitsluitend in de namiddag, na 17:00 uur, en in de avond zal minder zonlicht binnentreden door enkele dakramen in het bedrijfsgebouw van [appellante] door de bebouwing die het plan mogelijk maakt. De bezonningsduur ligt volgens de bezonningsstudie ruim boven de ondergrens van een goede bezonning, hetgeen betekent dat aan de strenge TNO-norm wordt voldaan. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van de bezonningsstudie onjuist zijn. In de bezonningsstudie zijn de effecten van het plan op het onbebouwde deel van het perceel van [appellante] weliswaar niet beschreven, maar de raad heeft het gelet op de in paragraaf 2.4 van de bezonningsstudie weergegeven bezonningsmodellen naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk kunnen achten dat de bezonningsduur ook op die strook grond zal voldoen aan de strenge TNO-norm. In die modellen is immers zichtbaar wat de effecten van het plan op de bezonning op de bedoelde strook grond zijn. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bebouwing die het plan mogelijk maakt leidt tot een zodanige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de voornoemde strook grond op het perceel van [appellante] vanwege de vermindering van licht aldaar dat de raad deze niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten en een groter gewicht had moeten toekennen aan de belangen van [appellante] dan aan de belangen die gemoeid zijn met het realiseren van de voorziene bebouwing. Het betoog faalt.

5.4. Over het betoog van [appellante] dat zij haar bebouwing in de toekomst niet kan uitbreiden als Plasthill bebouwing tot op de perceelgrens heeft gerealiseerd, omdat alsdan niet kan worden voldaan aan brandveiligheidseisen en eisen voor de bereikbaarheid van de percelen van [appellante] en Plasthill voor hulpdiensten, overweegt de Afdeling dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwplan bestond voor het oprichten van bedrijfsbebouwing tot op de perceelgrens door [appellante], zodat de raad daarmee bij de vaststelling van de planregeling voor het perceel Weerlaan 13 geen rekening hoefde te houden.

Overigens is in de plantoelichting verwezen naar een als bijlage bijgevoegd advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden van 12 september 2013. Volgens dit advies is het uit veiligheidsoogpunt voldoende dat een perceel op twee manieren bereikbaar is voor hulpdiensten. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat twee ontsluitingsroutes voor hulpdiensten onvoldoende zijn. Het perceel van [appellante] zou, ook in het geval zij evenals Plasthill bebouwing tot op de perceelgrens met Plasthill zou realiseren, op drie manieren bereikbaar blijven voor hulpdiensten gezien de ligging aan de Weerlaan en de Voltstraat. Het perceel van Plasthill zou ook voldoende bereikbaar blijven als beide bedrijven bebouwing tot op de perceelgrens zouden realiseren, nu het plan voorziet in een westelijke ontsluiting van het perceel naar de Horst en Daallaan. Plasthill heeft ter zitting toegelicht dat met behulp van een duiker een toegangsweg over de aldaar aanwezige sloot wordt gerealiseerd. Verder heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de tot op de perceelgrens voorziene bebouwing een omgevingsvergunning voor een bouwplan, dat ziet op het oprichten van bedrijfsbebouwing op de thans onbebouwde strook grond op het perceel [locatie], vanwege strijdigheid met brandveiligheidseisen als opgenomen in het Bouwbesluit 2012 zal moeten worden geweigerd.

Het betoog faalt.

5.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante] tegen het besluit van 23 januari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" ongegrond.

Het besluit van 13 juni 2013

6. Voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf", dat voorziet in uitbreidingsmogelijkheden op het perceel Weerlaan 13, is inmiddels een nieuw plan vastgesteld, te weten het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen". Nu het beroep tegen het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" in zoverre ongegrond wordt verklaard en overigens geen andere beroepen tegen dit plandeel zijn gericht, wordt het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" wat betreft dit plandeel in rechte onaantastbaar. Hieruit volgt dat de regeling van het bestemmingsplan "Weerlaan 13" wat dit plandeel betreft geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 13 juni 2013.

6.1. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 13 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Weerlaan 13" is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.

Proceskosten

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 13 juni 2013, kenmerk 3.3990, tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Weerlaan 13" niet-ontvankelijk.

II. verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het besluit van 23 januari 2014, kenmerk 3.4376, tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

271-780.