Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:434

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201304679/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:294, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2012 heeft het college het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning houden van geiten binnen de inrichting van [belanghebbende] aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304679/1/A4.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Hof van Twente, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 april 2013 in zaak nr. 12/1012 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2012 heeft het college het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning houden van geiten binnen de inrichting van [belanghebbende] aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 3 februari 2014 aan de orde gesteld.

Overwegingen

1. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar van [10 personen], allen behorend tot [appellanten], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband voeren zij aan dat de ontvankelijkheid summier is afgedaan en ten onrechte niet is weerlegd dat bacteriën die Q-koorts kunnen veroorzaken via de wind grote afstanden kunnen afleggen, waardoor voornoemde personen als belanghebbenden bij het besluit van 4 april 2012 moeten worden aangemerkt.

1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2. In haar uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201007705/1/M2 heeft de Afdeling het beroep van [appellanten], wat betreft [10 personen] reeds eerder niet-ontvankelijk verklaard. [appellanten] kwamen in die zaak op tegen een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het houden van meer dan 5.650 geiten binnen de inrichting van [belanghebbende] aan de [locatie] te [plaats]. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak overwogen dat [10 personen] op een zodanige afstand van de inrichting wonen dat het gezien de aard en omvang van de inrichting niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen daarvan milieugevolgen kunnen worden ondervonden. Blijkens de controle van het college op 18 september 2012 heeft het handhavingsverzoek dat bij besluit van 4 april 2012 is afgewezen betrekking op het zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning houden van circa 1.000 geiten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om thans anders te oordelen. Het college heeft het bezwaar van [appellanten], wat betreft [10 personen], terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

2. Hierna worden de overige tot [appellanten] behorende personen tezamen en in enkelvoud als [appellant]aangeduid.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college verplicht is handhavend op te treden nu zijn gezondheid in geding is. [appellant] vreest voor een uitbraak van Q-koorts en betoogt dat het college niet heeft bewezen dat de binnen de inrichting gehouden geiten daartegen zijn ingeënt. Volgens [appellant] wordt zijn recht op ongestoord woongenot en het recht op een ongestoord privé-, familie- en gezinsleven, neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geschonden. [appellant] betoogt dat de milieueffectrapportage onder meer onjuist is, omdat daarin geen contourenbenadering uitgaande van virale en bacteriële risico's is opgenomen. Ook schiet de wetgever volgens hem tekort, omdat de stofontwikkeling en de emissies van een nabijgelegen composteerbedrijf niet gecumuleerd hoeven te worden met die van de inrichting. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit in strijd is met het voorzorgsbeginsel uit artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan milieugevolgen in beginsel bij de bron dienen te worden bestreden.

3.1. Niet in geschil is dat ten tijde van belang binnen de inrichting zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning geiten werden gehouden, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar concreet zicht op legalisatie bestond, zodat het college in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien. [belanghebbende] had immers op 13 juli 2012 een daartoe strekkende aanvraag ingediend en het college was voornemens die vergunning te verlenen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat reeds op voorhand moet worden geconcludeerd dat de gevraagde omgevingsvergunning, al dan niet onder het stellen van voorschriften, niet kan worden verleend.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

628.