Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201307773/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot over 2010 herzien op € 2882,00 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307773/1/A4.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 mei 2013 in zaak nr. 12/8803 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot over 2010 herzien op € 2882,00 gesteld.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 6 december 2011 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 30 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. van den Buijs, advocaat te Den Haag, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvangtoeslag verstaan: een tegemoetkoming van het Rijk, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) in de kosten van de kinderopvang.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 56, vierde lid, geschiedt gastouderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.

Bij de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang over het berekeningsjaar 2010 heeft voldaan. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet aangetoond heeft geacht dat zij een gedeelte van de kosten van kinderopvang over dat jaar contant heeft betaald aan de gastouder.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201201769/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52, eerste lid, van de Wko vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

2.3. Uit de door [appellante] aan de Belastingdienst/Toeslagen overgelegde jaaropgave over 2010 van [gastouderbureau] blijkt dat de totale kosten van kinderopvang over dat jaar € 18.000,00 bedroegen.

2.4. Bij besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 7 januari 2010 heeft hij het bij zijn besluit van 5 december 2009 toegekende voorschot over 2010 herzien en het uit te betalen maandbedrag aan voorschot gesteld op € 1.746,66. Bij deze besluiten heeft de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld dat het voorschot in maandelijkse termijnen wordt overgemaakt op de bankrekening van [appellante]. Bij besluit van 26 maart 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot over 2010 herzien naar nihil. Bij besluit van 10 april 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit herzien, het uit te betalen maandbedrag gesteld op € 1.746,66 en medegedeeld dat het voorschot in maandelijkse termijnen wordt overgemaakt op de bankrekening van het gastouderbureau. Bij besluit van 2 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot over 2010 nogmaals herzien en het uit te betalen maandbedrag over de periode van januari tot en met maart 2010 ongewijzigd gelaten, het met betrekking tot april 2010 uit te betalen maandbedrag gesteld op € 1.816,54 en het over de periode van mei tot en met december 2010 uit te betalen maandbedrag gesteld op € 1.921,34. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen medegedeeld dat het voorschot in maandelijkse termijnen wordt overgemaakt op de bankrekening van het gastouderbureau. Bij besluit van 28 augustus 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aldus toegekende voorschot herzien en medegedeeld dat het voorschot in maandelijkse termijnen wordt overgemaakt op de bankrekening van [appellante]. Gelet op het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat de Belastingdienst/Toeslagen uitsluitend in de periode van april tot en met augustus 2010, bij wijze van uitbetaling van het voorschot over 2010, bedragen heeft overgemaakt op de bankrekening van het gastouderbureau en dat hij in totaal niet meer dan € 9,501,90 op de bankrekening van het gastouderbureau heeft overgemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellante] niet heeft aangevoerd dat het bedrag dat de Belastingdienst/Toeslagen, bij wijze van uitbetaling van het voorschot over 2010, rechtstreeks op de bankrekening van het gastouderbureau heeft overgemaakt hoger ligt dan dit bedrag. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen op basis van de bankafschriften die [appellante] heeft overgelegd aangetoond geacht dat zij in totaal € 6.931,95 heeft overgemaakt ter voldoening van kosten van kinderopvang over 2010. Met de bankafschriften die [appellante] heeft overgelegd heeft zij niet aangetoond dat het totaalbedrag van de girale betalingen, die zij ter voldoening van deze kosten heeft gedaan, hoger ligt dan dit bedrag.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201308727/1/A2), dienen contante betalingen gestaafd te worden met kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] geen bewijzen van geldopnames heeft overgelegd die corresponderen met door haar overgelegde kwitanties. Daartoe is het volgende in aanmerking genomen. [appellante] heeft in totaal 11 kwitanties overgelegd om aan te tonen dat zij een gedeelte van de kosten van kinderopvang over 2010 contant heeft betaald. Deze kwitanties zijn gedateerd op 27 januari 2010, 31 maart 2010, 28 april 2010, 26 mei 2010, 30 juni 2010, 28 juli 2010, 25 augustus 2010, 29 september 2010, 28 oktober 2010, 24 november 2010 en 29 december 2010. Op deze kwitanties zijn geen data en bedragen vermeld die corresponderen met data en bedragen die zijn vermeld op bankafschriften, die [appellante] heeft overgelegd om de door haar gestelde contante betalingen aan te tonen. Derhalve heeft zij niet aangetoond dat zij de door haar gestelde contante betalingen heeft gedaan.

2.6. Nu gelet op het vorenstaande het bedrag aan kosten dat [appellante] blijkens de jaaropgave over 2010 verschuldigd is niet overeenkomt met het bedrag van de daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang over het berekeningsjaar 2010 niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [appellante] geen aanspraak kan maken op een voorschot kinderopvangtoeslag over dat jaar. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte het voorschot over 2010 heeft herzien naar € 2882,00. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

402.