Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201402047/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2762, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402047/1/V2.

Datum uitspraak: 28 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 februari 2014 in zaak nr. 13/13833 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 24 mei 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 februari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich niet verzet tegen de uitvaardiging van het inreisverbod. De staatssecretaris betoogt in dit verband dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 24 mei 2013 deugdelijk heeft gemotiveerd dat gelet op de aard en de ernst van het door de vreemdeling gepleegde geweldsmisdrijf inmenging in de uitoefening van zijn recht op familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is.

1.1. In hoger beroep is onbestreden dat tussen de vreemdeling en zijn ouders en broers gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM.

1.2. Uit de door de rechtbank aangehaalde arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 23 juni 2008, nr. 1638/03, Maslov tegen Oostenrijk, 22 april 2004, nr. 42703/98, Radovanovic tegen Oostenrijk, en 23 september 2010, nr. 25672/07, Bousarra tegen Frankrijk (www.echr.coe.int) volgt dat de staatssecretaris ook in het geval een meerderjarige een strafbaar feit heeft gepleegd, in de belangenafweging gewicht moet toekennen aan de omstandigheid dat de leeftijd van de desbetreffende vreemdeling nog als jeugdig kan worden gekwalificeerd.

De rechtbank heeft verwijzend naar deze arresten terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling het door hem gepleegde misdrijf, diefstal met geweld en bedreiging waarvoor hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, op achttienjarige, en dus op jongvolwassen leeftijd heeft gepleegd. Anders dan in voormelde arresten het geval was, heeft de vreemdeling echter slechts van zijn veertiende tot zijn negentiende jaar rechtmatig verblijf in Nederland gehad, aan welke omstandigheid de staatssecretaris in het besluit van 24 mei 2013 naar het oordeel van de Afdeling niet ten onrechte zwaar gewicht heeft toegekend.

Verder heeft de staatssecretaris terecht betoogd dat de vreemdeling niet heeft gestaafd dat het voor hem niet mogelijk is om het contact met zijn in Afghanistan woonachtige oom te herstellen. Bovendien heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de vreemdeling Dari spreekt en dat hij tijdens zijn jarenlange verblijf in Pakistan geacht kan worden sociale banden te zijn aangegaan met personen uit Afghanistan, aangezien zich in Pakistan een grote Afghaanse gemeenschap bevindt.

Aangezien de vreemdeling op 1 november 2012 uit detentie is vrijgelaten, betoogt de staatssecretaris voorts terecht dat het tijdsverloop, anders dan in het arrest van het EHRM van 12 januari 2010, nr. 47486/06, Khan tegen Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) het geval was, sinds de invrijheidstelling te kort is om aan de omstandigheid dat hij niet heeft gerecidiveerd significante waarde toe te kennen. Dit geldt evenzeer voor de positieve gedragsverandering die de vreemdeling gedurende en na zijn detentie heeft laten zien. Ook de enkele stelling van de vreemdeling dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen, geeft geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in het geheel van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden bij de "fair balance", die hij heeft moeten vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het belang van de openbare orde bij het voorkomen van geweldsmisdrijven anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het inreisverbod, in aanmerking genomen dat de vreemdeling meerderjarig is, niet in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op bescherming van zijn familie- en gezinsleven.

De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 mei 2013 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. Het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod heeft de rechtsgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 februari 2014 in zaken nrs. 201304257/1/V1 en 201308529/1/V1) volgt dat de vreemdeling, zolang het inreisverbod niet is herroepen, geen belang heeft bij beoordeling van het beroep, voor zover gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het inreisverbod niet in strijd is met het recht op respect voor zijn privéleven.

4.1. De vreemdeling heeft slechts vijf jaar beschikt over een verblijfstitel die hem feitelijk tot het uitoefenen van privéleven in staat stelde. Voorts heeft de staatssecretaris betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de vreemdeling voordat hij op zijn veertiende jaar naar Nederland kwam zijn vormende jaren reeds voor een deel buiten Nederland had doorgebracht. Nu de feiten die in beroep zijn aangevoerd niet zodanig bijzonder zijn dat daaruit voor de staatssecretaris de verplichting voortvloeit om verblijf hier te lande toe te staan, bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat hij ten onrechte heeft geconcludeerd dat het inreisverbod niet in strijd is met het recht op eerbiediging van het privéleven van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van juli 2012 betoogd dat het inreisverbod in strijd is met artikel 3 van het EVRM, aangezien hij geen netwerk en relaties heeft in Afghanistan die hem kunnen beschermen.

5.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 1.2 is overwogen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het missen van een netwerk en relaties een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris, gelet op de prejudiciële vragen in de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2013 in zaken nrs. 201112799/1/V3 en 201202062/1/V3, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde en daarom Nederland onmiddellijk moet verlaten.

6.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling gelet op de aard en de ernst van het door hem gepleegde geweldsmisdrijf, waarvoor hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld, een gevaar vormt voor de openbare orde. Nu de vreemdeling geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die naast deze veroordeling een rol hadden moeten spelen bij de keuze voor het achterwege laten van een termijn voor vrijwillig vertrek, faalt de beroepsgrond.

7. Het beroep tegen het in bezwaar gehandhaafde inreisverbod en terugkeerbesluit is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 februari 2014 in zaak nr. 13/13833;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk;

IV. verklaart dat beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Zwinkels

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014

309-681.