Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201304575/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304575/1/V2.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 april 2013 in zaak nr. 12/15470 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de belangenafweging waartoe artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) noopt, in het nadeel van de vreemdeling heeft doen uitvallen. Door aan haar overweging onder meer, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, nr. 55597/09 (www.echr.coe.int; hierna: het arrest Nunez), ten grondslag te leggen dat de staatssecretaris de belangen van de kinderen van de vreemdeling onvoldoende in ogenschouw heeft genomen, heeft de rechtbank niet onderkend dat de situatie van de vreemdeling verschilt van de situatie in dat arrest. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat hij niet ten onrechte gewicht heeft toegekend aan het feit dat de vreemdeling meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en voorts dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van de acht kinderen, waarvan zes minderjarig zijn, in redelijkheid kan worden verwacht dat zij de vreemdeling naar Kroatië volgen. Hij heeft, gelet op de in het besluit gegeven motivering, wel deugdelijk gemotiveerd waarom hij de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling heeft doen uitvallen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 7 maart 2013 in zaak nr. 201111613/1/V3) volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Nunez, dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient te toetsen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

2.2. In het arrest Nunez heeft het EHRM in de concrete en uitzonderlijke omstandigheden van het geval waarop dat arrest betrekking heeft, grond gevonden voor het oordeel dat de uitzetting van de desbetreffende vreemdeling een schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. Daarbij heeft het EHRM, voor zover thans van belang, gewicht toegekend aan het feit dat de kinderen van de desbetreffende vreemdeling als gevolg van de echtscheiding tussen die vreemdeling en hun vader, veel spanningen hadden doorgemaakt. Voorts heeft het EHRM daarbij gewicht toegekend aan het feit dat de desbetreffende vreemdeling tot aan de echtscheiding de dagelijkse zorg voor de kinderen voor haar rekening had genomen en dat, nu na de echtscheiding het gezag over de kinderen volledig aan de vader was toegekend, de uitzetting van de vreemdeling feitelijk tot gevolg zou hebben dat haar kinderen van haar zouden worden gescheiden.

De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank in het arrest Nunez ten onrechte grond heeft gezien voor het oordeel dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling heeft doen uitvallen. Hiervoor is reeds redengevend dat, zoals de staatssecretaris in het besluit van 2 mei 2012 heeft toegelicht, de vreemdeling niet is gescheiden van de vader van de kinderen en zij bovendien het gezag over de kinderen heeft.

De staatssecretaris klaagt voorts terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling heeft meegewogen dat zij meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat de laatste definitieve veroordeling dateert van 29 juni 1999, doet hieraan niet af.

Daarnaast biedt de enkele stelling van de vreemdeling dat de kinderen in Kroatië geconfronteerd zullen worden met een taalachterstand en problemen vanwege hun etniciteit, geen grond voor het oordeel dat hij ten onrechte bij de afweging heeft betrokken dat van de kinderen in redelijkheid kan worden gevergd dat zij hun moeder naar Kroatië volgen. De staatssecretaris heeft hiertoe niet ten onrechte redengevend geacht dat van de kinderen in redelijkheid kan worden verwacht dat zij zich gelet op hun leeftijd en hun kennis van de Kroatische cultuur, met begeleiding van hun moeder en ondersteuning van de meerderjarige kinderen, aan de Kroatische cultuur aanpassen.

De enkele omstandigheid dat de staatssecretaris eerder niet heeft gepoogd de vreemdeling uit te zetten biedt, daargelaten dat de vreemdeling daarin tot op zekere hoogte zelf de hand heeft gehad door het telkens opstarten van verblijfsprocedures, onder deze omstandigheden en mede gelet op hetgeen de staatssecretaris overigens bij zijn belangenafweging heeft betrokken, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling heeft doen uitvallen.

Gelet op vorenstaande en in aanmerking genomen de in het besluit van 2 mei 2012 gegeven motivering, bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling in overeenstemming is met de 'fair balance' die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 mei 2012 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 april 2013 in zaak nr. 12/15470;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

572-753.