Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
201310979/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij haar uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201104247/1/R3 heeft de Afdeling het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010" onder meer vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie] te [plaats]. Daarbij heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor het vernietigde onderdeel te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1239

Uitspraak

201310979/1/R3.

Datum uitspraak: 3 december 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Gemert-Bakel,

appellant,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

Procesverloop

Bij haar uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201104247/1/R3 heeft de Afdeling het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010" onder meer vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van het meest oostelijke plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie] te [plaats]. Daarbij heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor het vernietigde onderdeel te nemen.

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010".

Bij besluit van 19 december 2013, kenmerk 744728, heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie] en omgeving" vastgesteld.

[appellant] heeft zijn beroepschrift aangevuld met beroepsgronden tegen het besluit van 19 december 2013.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en de raad, vertegenwoordigd door, mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 december 2013

1. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het perceel [locatie] in Gemert. Aan het oostelijke deel van het plangebied zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend. Aan het westelijke deel van het plangebied zijn de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" toegekend.

4. [appellant], die een intensieve veehouderij exploiteert aan de [locatie], komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". Hij wenst ter plaatse een nieuwe stal op te richten voor 960 vleesvarkens evenals voorzieningen om de milieubelasting van zijn bedrijf te reduceren. [appellant] betoogt dat het verlies aan bouwmogelijkheden op het noordelijke deel van zijn perceel, buiten het plangebied van dit plan, ten gevolge van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010", in het thans voorliggende bestemmingsplan had moeten worden gecompenseerd door het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" in oostelijke richting uit te breiden. Gelet hierop heeft de raad zijn verzoek in het bestreden besluit ten onrechte beoordeeld als een verzoek om vergroting van het bouwvlak, in plaats van als een verzoek om vormverandering van zijn oorspronkelijke bouwvlak. Voorts betoogt [appellant] dat sprake is van een duurzame locatie. Hij wijst op de duurzaamheidstoets van A&D Adviesbureau. [appellant] stelt dat indien de raad binnen de door de Afdeling in genoemde uitspraak van 21 maart 2012 gegeven termijn een nieuw besluit had genomen, het voorbereidingsbesluit van provinciale staten van Noord-Brabant inzake zorgvuldige veehouderijen (hierna: het voorbereidingsbesluit) en de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014) niet in de weg hadden gestaan aan de door hem gewenste ontwikkeling. [appellant] stelt dat deze ontwikkeling niet zal leiden tot een toename van de geurbelasting op de aan de noordzijde van zijn perceel gelegen bedrijfsgronden, nu hij zal moeten blijven voldoen aan de geldende milieunormen. Hieraan kan volgens hem ook worden voldaan. Volgens [appellant] is de ontwikkeling noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de geurnorm ter plaatse van het bedrijventerrein en aan de eisen van dierenwelzijn en milieu. De aanpassingen en schaalvergroting zijn dan ook noodzakelijk om zijn bedrijf rendabel te houden. [appellant] stelt voorts dat hij een concreet bedrijfsontwikkelingsplan heeft voorgelegd. Hij wijst erop dat in het exploitatieplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010" geld is gereserveerd om de milieubelasting van zijn bedrijf te reduceren. Hij stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat zijn perceel aan een bedrijventerrein grenst nu de raad deze bestemmingen naast elkaar heeft opgenomen en heeft gesteld dat de bedrijfsbestemming geen beperking zou opleveren voor zijn bedrijf. Ook de Afdeling is volgens hem in haar uitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201011530/1/R3 al eerder van oordeel geweest dat de bedrijfsbestemming aan de noordzijde van zijn perceel zich goed verhoudt met de intensieve veehouderij op zijn perceel. [appellant] stelt voorts dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom zijn perceel gedeeltelijk is aangeduid als verwevingsgebied en gedeeltelijk als extensiveringsgebied. Ter zitting heeft hij gesteld dat bij de begrenzing hiervan een beoordelingsmarge van 25 m geldt. Voor zover de raad wijst op de gemeentelijke Visie Plattelandsontwikkeling, betoogt [appellant] dat zijn perceel daarin ten onrechte is aangemerkt als primair woon- en leefgebied. Volgens hem ligt zijn perceel in agrarisch gebied. Hij wijst op eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012 waaruit tevens volgt dat ter plaatse van zijn perceel de geurnorm terecht was verhoogd.

4.1. De raad stelt dat de door [appellant] gewenste ontwikkeling in strijd is met hoofdstuk 9 van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012), nu de door [appellant] gewenste ontwikkeling is beoogd in extensiveringsgebied en voorts geen sprake is van een duurzame locate.

4.2. Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van de Verordening 2012, die gold ten tijde van het bestreden besluit, geldt voor de toepassing van hoofdstuk 9 de integrale zonering waarvan de geometrische plaatsbepaling en begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 m zijn vastgelegd. In de toelichting bij de Verordening 2012 staat dat zolang de integrale zonering op basis van de reconstructieplannen haar gelding blijft behouden de begrenzing niet opnieuw in de Verordening 2012 behoeft te worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het bepaalde onder e kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie.

4.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor al dan niet bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik inclusief tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder 2, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende voorzieningen zoals mestopslagsilo’s, permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van waterberging en -infiltratie, voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie, verharding en groene erfinrichting. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding "intensieve veehouderij" is een intensieve veehouderij toegestaan naast grondgebonden activiteiten.

4.4. De aanduidingen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" komen overeen met de zonering in het reconstructieplan "De Peel" (hierna: het reconstructieplan). De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 mei 2007 in zaak nr. 200506286/1 omtrent de beroepen tegen het reconstructieplan de begrenzing van de integrale zonering ter plaatse van het perceel [locatie] in stand gelaten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010 in zaak nr. 200807643/1/R1 volgt dat artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing is verklaard op die zonering en dat het reconstructieplan, voor zover hier van belang, in rechte onaantastbaar is geworden. De integrale zonering werkt gelet daarop planologisch door. Dat in het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2010", volgens de raad abusievelijk, een andere begrenzing van de integrale zonering was opgenomen, doet hier niet aan af. De begrenzing van de integrale zonering volgt immers uit het reconstructieplan en de raad dient hier bij de vaststelling van een bestemmingsplan bij aan te sluiten. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de raad met het thans voorliggende plan de beoordelingsmarge van 25 m voor de vaststelling van de begrenzing van de integrale zonering heeft overschreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid van genoemde begrenzing heeft kunnen uitgaan, nog daargelaten de vraag of bij een andere begrenzing de door [appellant] gewenste ontwikkeling in overeenstemming zou zijn met de Verordening 2012. Daarbij is van belang dat de raad een uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellant] niet wenselijk acht, nu het perceel aan de noord- en oostzijde wordt omgeven door extensiveringsgebied en het gebied aan de noordzijde van het perceel als stedelijk gebied moet worden aangemerkt ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010". Voorts heeft de raad de ligging van het perceel in de nabijheid van een woongebied in Gemert van belang geacht. Wat betreft de verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, wordt overwogen dat, zoals de raad ter zitting ook heeft toegelicht, de door [appellant] gewenste ontwikkeling in die zaak niet voorlag. In die uitspraak is dan ook geen oordeel gegeven over de door [appellant] gewenste ontwikkeling.

Wat betreft het betoog van [appellant] dat de door hem gewenste ontwikkeling moet worden aangemerkt als vormverandering en niet als vergroting van het bouwvlak, overweegt de Afdeling als volgt. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2010" is de plangrens door het bouwvlak op het perceel [locatie] komen te liggen. Als gevolg van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Wolfsveld 2010", waarin voor het noordelijke deel van het perceel van [appellant] de bestemming "Groen" is vastgesteld, is het bouwvlak voor het perceel verkleind, omdat de bouwmogelijkheden ter plaatse zijn komen te vervallen. Met de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012 is dat bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Gelet hierop gold ten tijde van het bestreden besluit van 19 december 2013 het verkleinde bouwvlak en moet de door [appellant] gewenste ontwikkeling planologisch worden aangemerkt als uitbreiding van het bouwvlak.

Gelet op het voorgaande leidt de door [appellant] gewenste ontwikkeling tot een uitbreiding van een intensieve veehouderij in het extensiveringsgebied. Dit is ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 niet toegestaan. Of ter plaatse sprake is van een duurzame locatie is in dit verband niet van belang, nu in een extensiveringsgebied uitbreiding van een intensieve veehouderij ingevolge genoemde bepaling in het geheel niet is toegestaan. De raad heeft derhalve reeds gelet op het voorgaande met het plan terecht niet voorzien in de door [appellant] gewenste uitbreiding van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in oostelijke richting. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

4.5. Overigens merkt de Afdeling op dat ook indien de raad binnen de door de Afdeling in genoemde uitspraak van 21 maart 2012 gegeven termijn van 26 weken een nieuw besluit had genomen, de Verordening 2012 aan de door [appellant] gewenste ontwikkeling in de weg had gestaan. De Verordening 2012 is namelijk voor het verstrijken van genoemde termijn reeds in werking getreden. De vraag of het voorbereidingsbesluit en de Verordening 2014 ten tijde van het bestreden besluit mede aan deze ontwikkeling in de weg stonden is, wat daarvan ook zij, derhalve niet van belang.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 19 december 2013 ongegrond.

Beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

6. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 4.5, is overwogen, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het niet tijdig nemen van een besluit in verband met de inmiddels vastgestelde Verordening 2014. Gelet hierop en omdat op 19 december 2013 alsnog een reëel besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor het perceel [locatie] is genomen, heeft [appellant] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit van de gemeente Gemert-Bakel omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2010" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel van 19 december 2013, kenmerk 744728, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Koeman w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2014

653.