Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201408409/3/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Bij brief van 7 november 2014, nader toegelicht bij brief van 10 november 2014, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van de staatsraad bij de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op een zitting van 6 november 2014 in zaak nr. 201408409/2/A1 (hierna: de zaak).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408409/3/A1.

Datum beslissing: 18 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op het verzoek van:

[verzoeker] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),

om wraking (artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van mr. B.J. van Ettekoven als voorzieningenrechter van de Afdeling (hierna: de staatsraad) bij de behandeling van zaak nr. 201408409/2/A1.

Procesverloop

Bij brief van 7 november 2014, nader toegelicht bij brief van 10 november 2014, heeft [verzoeker] verzocht om wraking van de staatsraad bij de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op een zitting van 6 november 2014 in zaak nr. 201408409/2/A1 (hierna: de zaak).

De staatsraad heeft niet in de wraking berust.

Bij brief van 10 november 2014 heeft de staatsraad op het verzoek gereageerd. In die brief heeft de staatsraad te kennen gegeven niet ter zitting van de wrakingskamer gehoord te willen worden.

De Afdeling heeft op 12 november 2014 [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, gehoord.

Overwegingen

1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Het verzoek om wraking, zoals nader toegelicht, berust op het volgende. Bij aanvang van de behandeling van de zaak op 6 november 2014 heeft de staatsraad opgemerkt dat er veel stukken zijn ingediend in een kleine zaak. Verder bleek de staatsraad een geringe dossierkennis te hebben en gaf zijn vraagstelling er blijk van dat zijn sympathie bij de vergunninghouder lag. Aan het eind van de zitting heeft de staatsraad tot slot opgemerkt dat als zoveel procedures worden gevoerd over zoiets kleins als een paardenbak er meer aan de hand moest zijn dan juridische onenigheid. Uit het voorgaande tezamen volgt dat de staatsraad vooringenomen en daarmee partijdig is dan wel dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt, aldus [verzoeker].

2.1. Van de kant van de staatsraad is in de brief van 10 november 2014 onder meer aangegeven dat hij de zaak op de gebruikelijke wijze ter zitting heeft behandeld en hij na de behandeling van de zaak maar voor de sluiting van het onderzoek partijen "iets mee heeft willen geven". In dat kader is aan de orde geweest dat het hier om een kwestie ging die van planologisch ondergeschikte aard is en dat het hem trof hoeveel procedures er al zijn gevoerd over deze paardenbak en dat bij volhardende standpunten niet kon worden uitgesloten dat nog meer procedures zouden volgen, bijvoorbeeld in de sfeer van handhaving. Hij heeft partijen daarbij onder meer nog voorgehouden dat het de moeite zou lonen te verkennen of zij tot elkaar zouden komen.

3. Als maatstaf geldt dat de staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een staatsraad in een door hem behandelde zaak jegens een belanghebbende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een belanghebbende ter zake bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het enkele subjectieve oordeel van de belanghebbende is niet doorslaggevend.

Het is aan [verzoeker] om aannemelijk te maken dat zich de hiervoor bedoelde omstandigheden voordoen.

4. Gelet op hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht over de uitlatingen van de staatsraad op de zitting van 6 november 2014 en op hetgeen is vermeld in de reactie van de staatsraad daarop, is de Afdeling van oordeel dat de door [verzoeker] aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet een uitzonderlijke omstandigheid opleveren die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de staatsraad. Er zijn, mede gelet op het door de staatsraad ter zitting naar de feitelijke situatie verrichtte onderzoek, geen aanwijzingen aannemelijk geworden waaruit zou kunnen volgen dat de door de staatsraad op die zitting gemaakte opmerkingen en de wijze waarop hij het onderzoek heeft verricht, zijn ingegeven door persoonlijke, jegens [verzoeker] of zijn zaak vooringenomen, opvattingen. Evenmin vormen deze een toereikende grondslag voor de slotsom dat een bij [verzoeker] bestaande vrees voor partijdigheid van die staatsraad objectief gerechtvaardigd is. Gelet op de objectief gebleken feiten kan in de subjectieve vrees van [verzoeker] geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de staatsraad in de zaak niet onpartijdig, zonder vooringenomenheid, een oordeel in de zaak zal vellen.

Met zijn aan het slot van de zitting gemaakte opmerking dat als zoveel procedures worden gevoerd over zoiets kleins als een paardenbak, meer aan de hand moet zijn dan juridische onenigheid, heeft de staatsraad willen onderzoeken of het achterliggende geschil mogelijk meer omvat dan een juridisch geschil en of er in dit verband, niettegenstaande eerdere mislukte pogingen daartoe, wellicht toch nog openingen waren om zonder rechterlijke uitspraak tot een vergelijk tussen partijen te komen. Die handelwijze is niet ongebruikelijk bij de behandeling van een zaak op een zitting bij de Afdeling, te meer waar het hier de behandeling van een zaak in voorlopige voorziening betrof. Gezien voormelde strekking van de opmerking biedt deze geen grond voor het aannemen van een objectief gerechtvaardigde vrees voor (schijn van) partijdigheid van de staatsraad.

5. Het bovenstaande leidt ertoe dat er geen grond is voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook anderszins geeft het door [verzoeker] aangevoerde geen aanknopingspunt voor die conclusie.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2014

622.