Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201304409/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Gramsbergerstraat Coevorden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/228

Uitspraak

201304409/1/R4.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Smurfit Kappa Solid Board B.V. (hierna: Smurfit), gevestigd te Groningen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Coevorden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Gramsbergerstraat Coevorden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Smurfit beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Smurfit en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2013, waar Smurfit, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door P.F. van Benthem, en de raad, vertegenwoordigd door L.H. Sakkers, G. de Borst en C.J. Valk, bijgestaan door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de bouw van 28 grondgebonden woningen en ongeveer 32 appartementen op het terrein van een voormalige aardappelmeelfabriek aan de zuidrand van de stad Coevorden. Het plan is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, in zaak nr. 201203175/1/R4, waarbij het besluit van 7 februari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Gramsbergerstraat, Coevorden" is vernietigd.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Smurfit exploiteert een papier-/kartonfabriek die is gelegen op een afstand van ongeveer 40 m van het plangebied. Smurfit kan zich niet vinden in de in het plan voorziene woningbouw en vreest voor klachten van de toekomstige bewoners. Smurfit voert aan dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met het nationale stank/geurbeleid, zoals weergegeven in de Herziene Nota Stankbeleid van het ministerie van VROM uit 1994 en de brief rijksbeleid geur van de minister van VROM van 30 januari 1995. Smurfit betoogt dat de raad concreet had moeten vaststellen wat voor hem een acceptabel geurhinder niveau is. Dit blijkt volgens Smurfit niet uit het bestemmingsplan, noch uit het rapport "Afweging aanvaardbaar geurhinderniveau bestemmingsplan Gramsbergerstraat" van Witteveen + Bos van 5 februari 2013 (hierna: het rapport). Het rapport is voorts volgens Smurfit ten onrechte uitsluitend gebaseerd op een klachtenanalyse.

4. In de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 is, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

7.2 In de plantoelichting is het toegepaste toetsingskader voor geurhinder uitgelegd aan de hand van het nationale geurbeleid, neergelegd in de Herziene Nota Stankbeleid van het ministerie van VROM uit 1994 en de brief rijksbeleid geur van de minister van VROM uit 1995. Uitgangspunt van dit beleid is het voorkomen van nieuwe hindersituaties. Indien de geurconcentratie lager is dan 1 geureenheid per m³ (ge/m³) als 99,5 percentiel, wordt volgens het beleid geen hinder verwacht. Indien de geurconcentratie hoger is dan 10 ge/m³ als 98 percentiel, is sprake van een saneringssituatie; woningbouw kan dan niet worden toegestaan. Indien het gebied tussen de geurcontouren van 1 ge/m³ als 99,5 percentiel en 10 ge/m³ als 98 percentiel ligt, dient terughoudendheid te worden betracht bij het bouwen van woningen.

7.3. Uit de plantoelichting blijkt dat het plangebied ligt tussen de geurcontouren van 11 en 4 ge/m³ als 98 percentiel. Volgens het rijksbeleid dient ter plaatse aldus terughoudendheid te worden betracht bij het bouwen van woningen. Ook vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient de raad te bezien of de geurhinder afkomstig van de fabriek van Smurfit ter hoogte van de in het plan voorziene woningen als aanvaardbaar kan worden beoordeeld.

7.4 Het onderzoeksbureau Witteveen + Bos heeft een beperkt snuffelonderzoek uitgevoerd op één willekeurige dag en daarnaast een klachtenanalyse opgesteld. De uitkomsten van dit onderzoek zijn weergegeven in het rapport Inventariserend onderzoek geursituatie ter hoogte van de voormalige aardappelmeelfabriek te Coevorden van 3 juli 2008. Uit het rapport volgt dat de geur afkomstig van de fabriek tot op 400 à 500 meter afstand duidelijk waarneembaar is. Volgens het rapport ligt de gemeten geuremissie in dezelfde orde van grootte als eerder gemeten in 2003. Toegelicht wordt dat naar aanleiding van het onderzoek uit 2003 door Smurfit geurreducerende maatregelen getroffen moesten worden, waarna uit nader onderzoek in 2005 bleek dat de geuremissie sterk was gereduceerd. Uit het rapport uit 2008 volgt dat de situatie is verslechterd ten opzichte van de situatie in 2005 en dat wordt aanbevolen de situatie uit 2005 weer te realiseren door zo nodig extra geurreducerende maatregelen te treffen.

7.5. Uit het voorgaande volgt dat de geuremissie van Smurfit tijdens de meting in 2008 is toegenomen ten opzichte van de situatie in 2005, die destijds door de Afdeling als aanvaardbaar werd beoordeeld. Gelet op het voorgaande wordt met het snuffelonderzoek niet aangetoond dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

De raad heeft aangevoerd dat ten tijde van de meting in 2008 niet aan de vergunningvoorschriften werd voldaan. Deze enkele stelling acht de Afdeling echter onvoldoende om aan te tonen dat wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van de in het plan voorziene woningen kan worden gewaarborgd indien aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan.

7.6. Voor zover de raad betoogt dat de geurhinder aanvaardbaar is, omdat de situatie in dit plan vergelijkbaar is met de situatie in het bestemmingsplan "Bogasterrein", overweegt de Afdeling het volgende.

Niet in geschil is dat in het bestemmingsplan "Bogasterrein" op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf van Smurfit woningen mogelijk zijn gemaakt. In dit plan worden op een afstand van 50 meter van het bedrijf van Smurfit woningen mogelijk gemaakt. Gelet op deze verschillen in de feitelijke situatie tussen het bestemmingsplan "Bogasterrein" en het voorliggende bestemmingsplan heeft de raad er niet vanuit mogen gaan dat de situatie dermate vergelijkbaar is dat uit het oordeel van de Afdeling in de uitspraak uit 2007 zonder meer kan worden afgeleid dat ook de geursituatie ter plaatse van de in het voorliggende plan voorziene woningen aanvaardbaar is.

7.7. Gelet op het voorgaande berust het standpunt van de raad dat ter hoogte van de in het plan voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd niet op een deugdelijk onderzoek. Voorts heeft de raad er geen blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met het rijksgeurbeleid, welk beleid aangeeft terughoudendheid te betrachten bij het mogelijk maken van woningbouw bij een geurbelasting als hier aan de orde teneinde nieuwe geurhindersituaties te voorkomen, terwijl gelet op het voorgaande niet is verzekerd dat geen nieuwe hindersituatie zal ontstaan.

5. De raad stelt zich op het standpunt dat, ondanks dat ongeveer de helft van het plangebied ligt binnen de richtafstand van 100 m uit de brochure edrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure), ter plaatse van de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst de raad naar het rapport dat hij naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 heeft laten opstellen. In dit rapport is aan de hand van de afwegingscriteria uit het rijksbeleid, neergelegd in de Herziene Nota stankbeleid van het en de brief rijksbeleid geur, beoordeeld of ter plaatse van de in het plan voorziene woningen sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. De raad stelt dat voldoende rekening is gehouden met het rijksgeurbeleid en stelt het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van de voorziene woningen vast op 9 ge/m³ als 98-percentiel.

6. In de plantoelichting is het rijksbeleid weergegeven. Dit beleid houdt in dat nieuwe hinder dient te worden voorkomen, waarbij het uitgangspunt is dat een nieuwe woonlocatie op een zodanige afstand wordt gepland van stankbronnen dat geen of hooguit een acceptabele (aanvaardbare) mate van hinder te verwachten is. De afwegingscriteria voor wat aanvaardbaar is, zijn gelijk aan die voor vergunningverlening, maar kunnen voor een ruimtelijk plan tot andere conclusies leiden. Deze criteria zijn: zijn er klachten, hoeveel hinder is er, wat is de historische situatie, welke toekomstige ontwikkelingen zijn er en passen de bedrijven de beste beschikbare technieken toe.

7. In het rapport is weergegeven dat de voorziene woningbouw gedeeltelijk plaatsvindt binnen de geurcontour van 4 ge/m³ als 98-percentiel, die op basis van het algemene toetsingskader als milieuhygiënische indicatie voor nieuwe situaties wordt gehanteerd. Ongeveer een derde van de woningen is gelegen binnen de contour van 6 ge/m³ als 98-percentiel en een klein deel van het plangebied is gelegen binnen de contour van 9 ge/m³ als 98-percentiel. De woningen zijn echter geheel buiten de contour van 11 ge/m³ als 98-percentiel voorzien, waarmee de vergunningrechten van Smurfit volledig worden gerespecteerd. In het rapport staat dat de fabriek van Smurfit werkt op basis van de best beschikbare technieken. In het rapport zijn voorts de uitkomsten van het locatieonderzoek en de klachten- en hinderanalyse vermeld. Weergegeven wordt dat de geur afkomstig van de fabriek niet erg opvallend is en dat de laatste 7 jaar drie klachten zijn binnengekomen over geurhinder. Deze klachten waren afkomstig van de Spoorsingel, een straat gelegen ten noordoosten van de fabriek van Smurfit. Geconcludeerd wordt dat uit het gebied aan de oostkant van de fabriek, waar het plangebied is gelegen, geen klachten zijn binnengekomen. In het rapport wordt voorts een vergelijking gemaakt met het Bogasterrein, waarop woningbouw is gesitueerd bij een vergelijkbare geurbelasting als in de voorliggende situatie. In dat geval is die geurbelasting acceptabel bevonden. Over de historische situatie wordt in het rapport vermeld dat een groot deel van het centrum van Coevorden in het verleden tussen de contouren van 11 en 4 ge/m3 als 98-percentiel lag, zonder dat dat aanleiding tot klachten of hinder gaf en dat de geursituatie is verbeterd sinds in 2005 een beheersmaatregel is getroffen.

8. De Afdeling stelt vast dat de raad heeft getoetst aan de criteria uit het rijksbeleid. In hetgeen Smurfit heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich daarbij niet in redelijkheid op het rapport heeft mogen baseren. De stelling van Smurfit dat het rapport alleen is gestoeld op een klachtenanalyse is feitelijk onjuist, nu meerdere aspecten zijn betrokken in het onderzoek en uit het onderzoek niet volgt dat uitsluitend gewicht is toegekend aan de klachtenanalyse. Voor zover Smurfit aanvoert dat ten onrechte geen aanvaardbaar hinderniveau is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist nu in de plantoelichting staat dat het aanvaardbare hinderniveau is vastgesteld op 9 ge/m³ als 98-percentiel.

In het aangevoerde ziet de Afdeling gelet op het rapport geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het rijksgeurbeleid, noch voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van een aantal woningen binnen de geurcontour van 9 ge/m³ als 98-percentiel in dit geval niet onaanvaardbaar is. De raad heeft daarbij in redelijkheid belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat de bestaande rechten op grond van de milieuvergunning van Smurfit worden gerespecteerd, dat de geur kennelijk als niet erg opvallend wordt ervaren, dat uit de historische situatie in de omgeving van het plangebied volgens het rapport voorts volgt dat de geurbelasting de laatste jaren is verbeterd en in de laatste jaren nauwelijks klachten van omwonenden zijn binnengekomen met betrekking tot geur, alsmede dat de woningen mogelijk worden gemaakt in bestaand stedelijk gebied.

9. Het beroep is ongegrond

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

472-731.