Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201405027/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude- en Nieuwehorne - De Fjilden" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405027/1/R6.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Heerenveen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Heerenveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude- en Nieuwehorne - De Fjilden" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat te Heerenveen, en de raad, vertegenwoordigd door G. Haanstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw woongebied in het noordoosten van Nieuwehorne, ter plaatse van een voormalig sportterrein.

Ontsluiting woningen Sevenaerpad

3. [appellant] woont ten noordoosten van het plangebied aan het Sevenaerpad. Het beroep van [appellant] is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen - 2" die betrekking hebben op de percelen die grenzen aan het Sevenaerpad, voor zover op gronden met die bestemming een ontsluiting mogelijk is. [appellant] voert aan dat de in het oostelijk deel van het plangebied voorziene woningen ten onrechte worden ontsloten via het Sevenaerpad. [appellant] betoogt dat hiermee wordt afgeweken van het in Nieuwehorne gehanteerde uitgangspunt dat wijken intern gericht zijn. Op grond van dat uitgangspunt hadden de woningen volgens [appellant] aan de westzijde ontsloten moeten worden. [appellant] voert verder aan dat een oostelijke ontsluiting van de woningen op het Sevenaerpad leidt tot hogere kosten dan een westelijke ontsluiting. [appellant] betoogt voorts dat op het Sevenaerpad verkeersonveilige situaties zullen ontstaan door een toename van het aantal verkeersbewegingen.

3.1. De raad stelt dat het Sevenaerpad een landweg is die deel uitmaakt van de ontsluitingsstructuur van het dorp. De raad stelt dat zeven woningen waarin het plan voorziet op het Sevenaerpad worden ontsloten, waardoor het aantal verkeersbewegingen slechts beperkt toeneemt. De verkeersveiligheid wordt volgens de raad niet onevenredig benadeeld door het beoogde gebruik van het Sevenaerpad. Volgens de raad is de zogenoemde interne gerichtheid van wijken geen algemeen uitgangspunt. De raad stelt verder dat bouwen aan bestaande wegen mogelijk is zonder vooraf investeringen te doen in nieuwe infrastructuur.

3.2. Aan drie percelen die grenzen aan het Sevenaerpad is de bestemming "Wonen - 2" toegekend. Op het ten noorden van de woning van [appellant] gesitueerde perceel zijn drie woningen toegestaan en ten zuiden van zijn perceel bevinden zich twee percelen op elk waarvan twee woningen zijn toegestaan. Het plan maakt een ontsluiting van deze zeven woningen aan de zijde van het Sevenaerpad mogelijk.

3.2.1. Zoals de voorzitter heeft overwogen in de uitspraak van 11 augustus 2014, zaak nr. 201405027/2/R6, is het niet volgen van het uitgangspunt van interne gerichtheid, wat daar verder ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming kan zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel. In zoverre faalt het betoog.

3.2.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat na realisatie van ontsluitingen van ten hoogste zeven woningen aan de zijde van het Sevenaerpad het aantal verkeersbewegingen op het Sevenaerpad in beperkte mate zal toenemen en dat dit op een landweg als het Sevenaerpad niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het betoog faalt ook in zoverre.

3.2.3. Wat de hoogte van de kosten van het realiseren van de ontsluitingen naar het Sevenaerpad betreft, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien voor de verwachting dat die kosten zodanig hoog zullen zijn dat hij gelet daarop in redelijkheid niet heeft kunnen kiezen voor het mogelijk maken van deze ontsluitingen. Het betoog faalt.

Fiets- en wandelpaden

4. Het beroep van [appellant] is verder gericht tegen de plandelen met de bestemming "Groen" die betrekking hebben op percelen die grenzen aan het Sevenaerpad, voor zover op gronden met die bestemming ondergeschikt aan groenvoorzieningen paden zijn toegestaan. [appellant] voert aan dat zijn privacy wordt aangetast als gevolg van het realiseren van drie fiets- en wandelpaden nabij zijn woning, terwijl één fiets- en wandelpad, via het zogenoemde Dorpslint, volgens hem zou volstaan. Verder is het Sevenaerpad waarop de paden uitkomen volgens [appellant] een drukke weg en kunnen voor fietsende kinderen risicovolle situaties ontstaan.

4.1. De raad stelt dat de beoogde groengebieden en paden bijdragen aan een goede ruimtelijke inpassing van het nieuwe woongebied en dat de desbetreffende paden zodanig kunnen worden gesitueerd dat de privacy van [appellant] niet onevenredig wordt geschaad. Verder stelt de raad dat de aansluiting van paden voor langzaam verkeer op landwegen als het Sevenaerpad gebruikelijk en aanvaardbaar is.

4.2. Direct ten noorden en ten westen van het perceel van [appellant] bevinden zich gronden met de bestemming "Groen". Daarnaast is aan twee andere stroken grond die grenzen aan het Sevenaerpad de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor beplanting en bebossing, groen- en speelvoorzieningen, met daaraan ondergeschikte wegen en paden.

4.3. Het plan maakt aldus een aan groenvoorzieningen ondergeschikt pad richting het Sevenaerpad direct ten noorden van de woning van [appellant] en een pad achter de woning van [appellant] mogelijk. Verder kunnen op grond van het plan op een afstand van ongeveer 115 m en 165 m van de woning van [appellant] twee paden die uitkomen op het Sevenaerpad worden gerealiseerd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene groenvoorzieningen met daaraan ondergeschikte paden die op drie locaties uitkomen op het Sevenaerpad een goede ruimtelijke inpassing en ontsluiting voor langzaam verkeer van de voorziene woningen bevorderen. Omdat de paden ondergeschikt aan de beplanting, bebossing en groenvoorzieningen mogelijk zijn gemaakt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de paden zodanig kunnen worden aangelegd dat onevenredige aantasting van de privacy van [appellant] wordt voorkomen. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat op het Sevenaerpad zodanig veel verkeersbewegingen plaatsvinden dat de realisatie van drie daarop aansluitende paden voor langzaam verkeer uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet aanvaardbaar is. De betogen falen.

Flora- en faunawet

5. [appellant] betoogt dat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) aan de uitvoering van het plan in de weg staat, nu het aannemelijk is dat het plan leidt tot het verdwijnen van de habitat van de eekhoorn. De raad had hier nader onderzoek naar moeten doen, gezien ook de door [appellant] waargenomen eekhoorns.

5.1. De raad wijst er op dat ecologisch onderzoek is verricht en dat daarnaast naar aanleiding van de zienswijze en het beroep van [appellant] specifiek ecologisch advies is ingewonnen over de eekhoorn. Hieruit is volgens de raad naar voren gekomen dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

5.2.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

5.2.2. De raad heeft aan het plan onder meer het door Altenburg en Wymenga opgestelde rapport "Ecologische beoordeling van herinrichting sportvelden te Nieuwehorne" van 11 mei 2011 (hierna: het ecologisch rapport) ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat de eekhoorn weliswaar in de wijde omgeving van het plangebied voorkomt, maar dat binnen het plangebied geen sporen of nesten van de eekhoorn zijn aangetroffen. Het is daarom aannemelijk dat de eekhoorn hier niet voorkomt, aldus het ecologisch rapport.

Voorts is in de notitie van Altenburg en Wymenga van 1 juli 2014 (hierna: de notitie) vermeld dat niet is uit te sluiten dat tijdelijk eekhoorns binnen en nabij het plangebied aanwezig zijn of dat het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied. Het plangebied is echter volgens de notitie niet geschikt als vestigingsplaats voor de eekhoorn, omdat de aanwezige biotopen onvoldoende aansluiten bij de eisen die de soort stelt aan haar habitat. Daarnaast is er sprake van verstoring door menselijke activiteiten, die de vestiging van de eekhoorn onwaarschijnlijk maakt. Volgens de notitie blijft het plangebied verder deels geschikt als foerageergebied en is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar. Daardoor zal het verloren gaan van een deel van het potentiële foerageergebied geen negatief effect hebben op de functionaliteit van de eventueel in de wijdere omgeving aanwezige vaste verblijfplaatsen van de eekhoorn, aldus de notitie.

5.2.3. [appellant] heeft ook onderzoek laten verrichten naar het voorkomen van de eekhoorn in het plangebied, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een memo van BügelHajema van 2 oktober 2014. In dit memo is vermeld dat de eekhoorn geen vaste verblijfplaatsen heeft in het plangebied, maar dat de eekhoorn het plangebied gebruikt om te foerageren. Volgens het memo is het niet waarschijnlijk dat het verwijderen van singels in het plangebied de gunstige staat van instandhouding van de eekhoornpopulaties in de omgeving in gevaar brengt en treedt door de uitvoering van het plan geen conflict met de Ffw op. BügelHajema onderschrijft derhalve de conclusies uit de notitie. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

6. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, griffier.

w.g. Hagen w.g. Timmerman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

431-780.