Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201403243/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft het college geweigerd [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een dam met duiker in een sloot op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente De Bilt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403243/1/A4.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats], gemeente De Bilt, (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2014

in zaak nr. 13/1528 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft het college geweigerd [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een dam met duiker in een sloot op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente De Bilt.

Bij besluit van 28 januari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2014, waar [een van de appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M.B. van den Konink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

Ingevolge artikel 2.11, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de betrokken gronden de bestemming "Kleinschalig overgangsgebied".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Kleinschalig overgangsgebied" bestemd voor onder meer de hoofddoeleinden behoud en herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden en het behoud van openheid. Ingevolge het zesde lid is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in het eerste lid omschreven doeleinden. Ingevolge het achtste lid, onder a, is het dempen van sloten en andere watergangen zonder of in afwijking van een aanlegvergunning verboden.

2. Op het perceel is de woning van [appellant] met een daaraan grenzende tuin gesitueerd. Achter de woning en tuin zijn twee stukken grond gelegen. De woning en tuin worden door een sloot van de stukken grond gescheiden. De aanvraag om omgevingsvergunning voorziet in de aanleg van een dam met duiker in die sloot, hetgeen een gedeeltelijke demping van de sloot meebrengt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ongemotiveerd voorbij is gegaan aan zijn betoog dat het bestemmingsplan wat betreft het daarin opgenomen verbod op het dempen van sloten en watergangen niet rechtsgeldig is.

3.1. Anders dan [appellant] betoogt, is de rechtbank in rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan op zijn betoog over de rechtsgeldigheid van het bestemmingsplan. Onder verwijzing naar de uitspraak van 13 maart 2013 in zaak nr. 201207606/1/A1 overweegt de Afdeling dat de mogelijkheid om de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest aan de orde te stellen in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening, dan wel weigering van een omgevingsvergunning niet zo ver strekt, dat het betrokken onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de beoordeling van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf. In het door [appellant] aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om artikel 6, achtste lid, onder a, van de planvoorschriften buiten toepassing te laten.

Het betoog faalt.

4. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat voor de aanleg van de dam met duiker geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is benodigd omdat die activiteit als het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in die aanhef, onder a, moet worden aangemerkt, overweegt de Afdeling dat, al zou die activiteit als zodanig moeten worden aangemerkt, dit er niet aan afdoet dat de aanleg van de dam met duiker tevens het gedeeltelijk dempen van de sloot inhoudt en daarom ook een vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 6, achtste lid, onder a, van de planvoorschriften, bestaat.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Daartoe stelt hij dat hij reeds op 24 mei 2012 een aanvraag om een watervergunning oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 3.3 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 heeft ingediend en die aanvraag tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Nu hij die aanvraag op dezelfde datum ook bij het college heeft ingediend en daarop niet tijdig is beslist, is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend, aldus [appellant].

5.1. [appellant] heeft op 24 mei 2012 een afschrift van een aanvraag om een watervergunning aan het college toegezonden. Naar aanleiding daarvan heeft het college aan hem bij brief van 12 juni 2012 te kennen gegeven die aanvraag niet als een aanvraag om een omgevingsvergunning te beschouwen en derhalve evenmin als zodanig in behandeling te zullen nemen. Daarbij heeft het college [appellant] erop gewezen dat, indien hij een omgevingsvergunning wil aanvragen, hij dit kan doen door het bijgevoegde formulier te gebruiken dan wel door een aanvraag in te dienen via www.omgevingsloket.nl. Overeenkomstig de brief van het college heeft [appellant] vervolgens op 16 juni 2012 een aanvraag om omgevingsvergunning met gebruikmaking van het daartoe bestemde aanvraagformulier ingediend. Onder deze omstandigheden dient ervan te worden uitgegaan dat [appellant] eerst op 16 juni 2012 een aanvraag heeft ingediend, waarop het college diende te beslissen. Het college heeft dit tijdig gedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte wegens strijd met het bestemmingsplan heeft geweigerd. Daartoe stelt hij allereerst dat de gewenste demping van de sloot ten dienste staat van de op de gronden rustende bestemming "Kleinschalig overgangsgebied", nu die demping het open karakter van het gebied ondersteunt en benodigd is om de betreffende gronden vanuit zijn woning en tuin te bereiken en te onderhouden. Verder stelt [appellant] dat de rechtbank er bij zijn beoordeling ten onrechte vanuit is gegaan dat de sloot is gesitueerd op de grens van de rode contour, zijnde de in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 van de provincie Utrecht aangewezen begrenzing van het stedelijk gebied en het buitengebied, in plaats van daarnaast en evenwijdig daaraan.

6.1. Het college heeft bij de beoordeling of de demping van de sloot ten dienste staat van de bestemming "Kleinschalig overgangsgebied" de in artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften genoemde hoofddoeleinden, te weten het behoud en herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden en het behoud van openheid, in aanmerking genomen. Bij die beoordeling heeft het college van belang geacht dat in het betrokken gebied sloten in de verkavelingsrichting zijn aangelegd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat demping van de sloot tot doorbreking van het kavelpatroon en daarmee tot aantasting van de ter plaatse aanwezige waarden zal leiden. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat die demping leidt tot grensvervaging tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, hetgeen evenmin in overeenstemming is met de in artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften genoemde waarden. Het betoog van [appellant] dat de demping het open karakter van het gebied versterkt en benodigd is om de gronden te bereiken en te onderhouden, leidt, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel, nu dat de strijd met de andere voormelde waarden niet wegneemt. Dit geldt ook voor zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de sloot naast de rode contour ligt. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat, daargelaten of de sloot op de grens van de rode contour of daarnaast en evenwijdig daaraan ligt, de demping ten minste bijdraagt aan de vervaging van de grens tussen stedelijk gebied en buitengebied.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat, voor zover de aanleg van de dam met duiker in strijd is met het bestemmingsplan, de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of hiervoor met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet kan worden verleend.

7.1. Ingevolge artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo wordt, indien er strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1O. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

20. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

30. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

7.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college de aanvraag, nu de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, ingevolge artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo, zoals dat sinds 23 maart 2012 luidt, mede had moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. Zoals [appellant] terecht betoogt, diende het college dan ook te beoordelen of die omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 kon worden verleend.

Blijkens het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 8 januari 2013, dat deel uitmaakt van het in beroep bestreden besluit, heeft het college de mogelijkheid van vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 echter wel onderzocht, maar zich op het standpunt gesteld dat vergunningverlening niet wenselijk is. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat het geen aanleiding heeft gezien voor vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12, omdat de sloot bijdraagt aan de ruimtelijke versterking van de hoofddoeleinden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften en het kavelpatroon een natuurlijke barrière vormt tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Demping van de sloot zal ertoe leiden dat die barrière wordt opgeheven, de grens van het stedelijk gebied wordt verlegd en er een feitelijke verstedelijking van het buitengebied plaatsvindt, aldus het college.

Gezien de door het college gegeven motivering en in aanmerking genomen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokken gronden op geen enkele andere wijze kunnen worden bereikt en onderhouden dan via het dempen van de sloot, heeft het college in redelijkheid van vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 kunnen afzien. Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de aanleg van een brug over de sloot geen omgevingsvergunning is vereist, overweegt de Afdeling dat dit betoog geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de in beroep bestreden omgevingsvergunning. De rechtbank heeft dit betoog derhalve terecht buiten beschouwing gelaten. Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Borman w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

457-742.