Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201403172/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2745, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de woonark in de Ringvaart op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verlagen tot een hoogte van 3 m of te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403172/1/A1.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2014 in zaken nrs. 13/6933 en 13/8519 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de woonark in de Ringvaart op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verlagen tot een hoogte van 3 m of te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van [appellante] van € 20.000,00.

Bij uitspraak van 5 maart 2014 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2014, waar [appellante], bijgestaan door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. H van Raaijen en A. Polak, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland, zijn verschenen. Voorts zijn, [belanghebbenden], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Esse Kleinpolder" rust op het perceel de bestemming "Water" met de nadere aanduiding "woonschepenligplaats".

Ingevolge artikel 13.1, eerste lid, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

h. ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" is een ligplaats ten behoeve van een woonschip toegestaan.

Ingevolge artikel 13.2.2, onder a, geldt voor een woonschepenligplaats dat de maximale hoogte van een woonschip 3 meter is, gemeten vanaf de waterlijn.

2. Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd omdat op het perceel in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan een woonark is gebouwd met een hoogte van 4,10 m zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college de last onder dwangsom gewijzigd in die zin dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo handhavend wordt opgetreden tegen het bouwen van een bouwwerk, zonder of in een afwijking van een omgevingsvergunning.

3. Vast staat dat [appellante] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een bouwwerk heeft gebouwd op het perceel en het college derhalve bevoegd is handhavend op te treden daartegen.

4. Daargelaten of naar aanleiding van de door [appellante] op 22 november 2012 ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor een woonark met een hoogte van 3,448 m een vergunning van rechtswege is ontstaan, deze aanvraag ziet niet op de onderhavige woonark waartegen handhavend is opgetreden en kan derhalve reeds daarom, anders dan [appellante] stelt, niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is overtreden.

5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestaat omdat de in artikel 13.2.2, onder a, van de planregels opgenomen hoogte van 3,00 m in strijd is met het Bouwbesluit 2012 en derhalve buiten toepassing dient te worden gelaten, faalt, reeds omdat de in het bestemmingsplan opgenomen hoogte groter is dan de in artikel 4.3, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen minimale hoogte van een verblijfsruimte met een woonfunctie.

7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden tegen de woonark op het perceel. Zij voert hiertoe aan dat het college niet heeft beoordeeld in hoeverre de overtreding aangemerkt kan worden als een overtreding van geringe aard en ernst. Daarnaast is volgens [appellante] niet aannemelijk dat derden door de komst van de nieuwe woonark meer hinder zullen ondervinden dan voorheen het geval was, nu in het verleden reeds een woonark was gebouwd op het perceel. Voorts betoogt [appellante] dat het college bij de belangenafweging ten onrechte niet heeft betrokken dat geen recht op ongestoord uitzicht bestaat en dat de gebouwde woonark kleiner is dan de oude vergunde woonark.

7.1. De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan in dit geval had behoren af te zien. Hierbij is van belang dat, anders dan [appellante] stelt, het zonder omgevingsvergunning bouwen van een woonark die in strijd is met het bestemmingsplan niet valt aan te merken als een overtreding van geringe aard en ernst. Dat omwonenden geen zicht hebben op de woonark en geen hinder van de woonark ondervinden, wat daar verder van zij, betekent niet dat het college de belangen van [appellante], onder andere bestaande uit de financiële gevolgen die gepaard gaan met het verlagen van de woonark, zwaarder had moeten laten wegen dan het algemeen belang dat met handhaving is gediend. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college gedurende langere tijd niet handhavend is opgetreden, niet leidt tot het oordeel dat handhavend optreden onevenredig is.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college wegens bijzondere omstandigheden van invordering zou moeten afzien, nu zij het in te vorderen bedrag niet kan betalen.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201205967/1/A1), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college wegens bijzondere omstandigheden van invordering zou moeten afzien. Dat [appellante] stelt het in te vorderen bedrag niet te kunnen betalen is, reeds nu zij dat niet aannemelijk heeft gemaakt, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van invordering zou moeten afzien.

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

700.