Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201403130/1/R6 en 201403131/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Maastricht-West" voor onder meer de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], een hogere waarde als bedoeld in artikel 100a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403130/1/R6 en 201403131/1/R6.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, deels tussenuitspraak (als bedoeld in artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)), in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Maastricht,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

2. de raad van de gemeente Maastricht,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Maastricht-West" voor onder meer de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], een hogere waarde als bedoeld in artikel 100a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Maastricht-West" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

Het college en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 8 september 2014, waar [appellanten sub 1] en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. M.M.E. Wetzels en ing. A.J.J. Vermeulen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het besluit hogere waarden

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 110c, eerste lid, van de Wgh, wordt het ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

[appellanten sub 2] hebben geen zienswijze over het ontwerpbesluit hogere waarden naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting door een belanghebbende die over het ontwerpbesluit niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit hogere waarden is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

3. [appellanten sub 1] kunnen zich niet verenigen met het besluit hogere waarden voor zover voor hun woning op het perceel [locatie 1] een hogere waarde van 59 dB is vastgesteld.

[appellanten sub 1] voeren hiertoe aan dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit hogere waarde onvolledig is. Zij betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de eventuele sloop van de woning aan de [locatie 2]. Zij betogen verder dat de geluidbelasting op de zolder ten onrechte niet is onderzocht. [appellanten sub 1] vrezen dat hierdoor niet is gewaarborgd dat op de zolder aan een binnenwaarde van maximaal 33 dB zal worden voldaan. [appellanten sub 1] betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanleg van een drempel in de weg.

3.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen binnen die zone de waarden in acht genomen die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, worden in afwijking van het eerste lid bij de vaststelling van een bestemmingsplan hogere waarden in acht genomen, voor zover met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, is de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid mag de krachtens het eerste lid te stellen hogere waarde niet hoger worden gesteld dan 68 dB.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh is het college binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 112 van de Wgh treft het college indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen om te bevorderen dat de geluidbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie ten hoogste bedraagt:

a. ingeval voor de betrokken woningen bij de reconstructie voor de eerste maal een hogere waarde dan 48 dB, voor de geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, is vastgesteld: 33 dB;

b. ingeval voor de betrokken woningen eerder een hogere waarde voor de geluidbelasting is vastgesteld: de waarde die voor de reconstructie ingevolge het bij of krachtens deze wet voor de onderscheiden situaties bepaalde, dan wel ingevolge het krachtens artikel 3 van de Woningwet bepaalde ten hoogste toelaatbaar was.

3.2. Op de verbeelding van het bestemmingsplan "Maastricht-West" is ter plaatse van het perceel [locatie 1] de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximum aantal bouwlagen: 2" opgenomen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.26, van de planregels wordt onder een bouwlaag verstaan een gedeelte van een gebouw, dat door gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en zolder, en met een maximale hoogte van 3,6 m voor woningen en andere gebouwen.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen in de vorm van woningen.

Ingevolge lid 15.2.1, onder c, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat het aantal bouwlagen niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal bouwlagen" is aangegeven.

3.3. Met betrekking tot het betoog dat in het geluidonderzoek ten onrechte rekening is gehouden met de woning op het perceel [locatie 2], overweegt de Afdeling dat vast staat dat de woning ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezig was. Voorts leidt het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Maastricht-West" er niet toe dat de woning niet meer als zodanig is bestemd. Het college heeft toegelicht dat de woning in stand kan blijven met het huidige wegontwerp. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het akoestisch rapport niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Het betoog faalt.

3.4. In het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Maastricht-West" van 17 september 2013, dat in opdracht van het college is opgesteld door Goudappel Coffeng, zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de geluidbelasting op onder meer de gevel van de woning van [appellanten sub 1]. Volgens het rapport zijn de geluidbelastingen berekend voor de waarneemhoogtes van 1,5, 4,5 en 7,5 m. Dit is representatief voor de begane grond, de eerste verdieping en de tweede verdieping. Wanneer gebouwen meer of minder verdiepingen hebben, zijn de waarneemhoogtes hierop aangepast, aldus het rapport.

Uit hoofdstuk 3 van het rapport volgt dat het onderzoek overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 en de daarin voorgeschreven Standaardrekenmethode II is uitgevoerd.

3.5. Ingevolge bijlage III bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 dient een toeslag te worden berekend voor de aanwezigheid van een obstakel dat de snelheid sterk beperkt. Deze correctie wordt toegepast als ten gevolge van het obstakel de gemiddelde snelheid van het verkeer ten minste wordt gehalveerd en het verkeer ten gevolge van het obstakel afremt en weer optrekt. Het college stelt dat in de nabijheid van de woning van [appellanten sub 1] niet een traditionele drempel, maar een verkeersplateau wordt aangelegd. Volgens het college betreft het een verkeersplateau waarvoor niet hoeft te worden afgeremd indien het verkeer zich houdt aan de snelheid van maximaal 50 km/uur. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het voorziene verkeersplateau leidt tot een vermindering van de snelheid van het verkeer met de helft of meer, als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het verkeersplateau geen obstakel is waarvoor een obstakelcorrectie had moeten worden toegepast. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanleg van een verkeersplateau zorgt voor extra geluidhinder waarmee het akoestisch onderzoek rekening had moeten houden. Het betoog faalt.

3.6. Wat betreft het betoog van [appellanten sub 1] dat ter hoogte van de zolder geen gevel isolerende maatregelen zullen worden getroffen, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft bij het bestreden besluit op grond van artikel 100a van de Wgh hogere waarden vastgesteld die betrekking hebben op de geluidbelasting van de gevel van de betrokken woning. Voor de geluidbelasting binnen woningen geldt hetgeen is bepaald in artikel 112 van de Wgh. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 april 2010 in zaak nr. 200905932/1/M2 volgt uit de systematiek van de artikelen 100a en 112 van de Wgh dat eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevel isolerende maatregelen moeten worden getroffen en staat de vraag of de verplichting hiertoe bestaat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het hogere waarden besluit. Het betoog faalt.

3.7. Ingevolge bijlage IV van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 wordt de gemiddelde verdiepingshoogte van woningen gesteld op 3 m. Een schuine kap wordt hierbij meegenomen als een volledige verdiepingshoogte. De modellering van een schuine kap als recht blok mag echter niet leiden tot niet reële reflecties naar waarneempunten. Waarneempunten voor gebouwen worden ten minste gekozen ter hoogte van de eerste verdieping (dit is een hoogte van 5 m boven plaatselijk maaiveld) en bij woongebouwen met drie of meer woonlagen ter hoogte van de bovenste verdieping (dit is 1 m onder de nok van het gebouw). Daarnaast kan voor de begane grond, de beoordeling van het buitenklimaat en de beoordeling van de effecten van schermen een waarneempunt op 1,5 m boven plaatselijk maaiveld worden gekozen.

3.8. Vast staat dat op het perceel van [appellanten sub 1] een woning is toegestaan met twee bouwlagen en een zolder. [appellanten sub 1] hebben ter zitting toegelicht dat deze zolder is ingericht als zelfstandige studio waar wordt gewoond. Uit het akoestisch rapport volgt dat de geluidbelasting op de gevel van de woning ter hoogte van de begane grond en de eerste verdieping is berekend en niet ter hoogte van de zolder. Het college heeft ter zitting medegedeeld dat, gelet op de bewoning van de zolder en gelet op bijlage IV van het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012, het ontbreken van een berekening van de geluidbelasting op de gevel van de woning ter hoogte van de zolder een omissie betreft. Nu het college deze omissie heeft erkend en hij zich daarmee op een ander standpunt stelt dan bij de vaststelling van het besluit hogere waarden, moet worden geoordeeld dat het besluit op dit punt niet is voorbereid met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, zoals vereist door artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

4. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op te dragen om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak het onder 3.8 genoemde gebrek in het besluit hogere waarden te herstellen. Het college dient daartoe met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen onderzoek te doen naar de geluidbelasting ter hoogte van de zolder van de gevel van de woning aan het [locatie 1] overeenkomstig het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012 vanwege de reconstructie van de weg. Het college dient de resultaten van het akoestisch onderzoek mede te delen aan de andere partij en zo nodig het besluit te wijzigen. Daarbij hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit besluit dient in dat geval op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt. Het college dient de Afdeling de uitkomsten van het nader onderzoek en het eventuele gewijzigde besluit mede te delen.

Het bestemmingsplan

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

6. Het plan voorziet onder meer in een planologisch kader voor de verbreding en de verkeerskundige aansluiting van bestaande wegen op het nieuwe Noorderbrugtracé.

Het beroep van [appellanten sub 1]

7. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] hun beroepsgrond die ziet op de rechtsonzekerheid van het plan wat betreft de situering van de weg ingetrokken.

8. Het beroep van [appellanten sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat is toegekend aan hun perceel en de gronden daaromheen. Zij betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een verbreding van de weg richting hun perceel. [appellanten sub 1] voeren hiertoe aan dat de raad niet heeft onderbouwd waarom verplaatsing van de wegas in zuidelijke richting niet mogelijk is. Volgens [appellanten sub 1] zijn aan die zijde van de weg voldoende gronden beschikbaar en is dit alternatief goedkoper.

[appellanten sub 1] betogen voorts dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom hun gronden benodigd zijn voor het plan.

[appellanten sub 1] betogen voorts dat zij door het plan niet meer naast hun woning kunnen parkeren en hierdoor onevenredig in hun parkeermogelijkheden worden beperkt.

8.1. Ingevolge artikel 2 van de planregels zijn, voor zover relevant, de regels van het bestemmingsplan "Maastricht-West" onverkort van toepassing op dit plan.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Maastricht-West", zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. parkeervoorzieningen;

b. wegverkeer;

c. verblijfsgebied;

[…];

f. groenvoorzieningen;

g. speelvoorzieningen.

8.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft toegelicht dat hij vanwege een ter plaatse gevestigde school en een woning niet heeft gekozen voor verbreding van de weg in zuidelijke richting. Voorts is dit alternatief volgens de raad niet goedkoper, omdat in die situatie meer particuliere gronden zouden moeten worden verworven. Derhalve heeft de raad het door [appellanten sub 1] aangedragen alternatief bij zijn afweging betrokken. Gelet op de gegeven toelichting heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid niet voor verbreding van de weg in zuidelijke richting hoeven kiezen. Het betoog faalt.

8.3. In de plantoelichting is vermeld dat de wegverbreding van onder meer de Frans van de Laarstraat noodzakelijk is om het nieuwe Noorderbrugtracé verkeerskundig aan te sluiten op de bestaande wegen. Voor de breedte van de wegverbreding heeft de raad aangesloten bij de aanbevelingen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek die zijn opgesteld voor ontsluitingswegen. Voorts staat vast dat de huidige weg inclusief trottoir smaller is dan het voorziene wegontwerp. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een smallere weg ongewenst is gelet op de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat een deel van het perceel van [appellanten sub 1] benodigd is om de wegverbreding te kunnen realiseren. Het betoog faalt.

8.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellanten sub 1] niet onevenredig worden beperkt in hun parkeermogelijkheden als gevolg van het plan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het plan er weliswaar toe kan leiden dat [appellanten sub 1] hun auto niet meer direct naast hun woning kunnen parkeren, maar dat zij ter zitting hebben toegelicht dat dit een gedeelde oprit betreft waar zij in de huidige situatie slechts kortdurend kunnen parkeren. Voor het overige is niet gebleken van onvoldoende parkeermogelijkheden als gevolg van het plan. Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellanten sub 1] in het beroepschrift hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijze, wordt overwogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellanten sub 1] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

10. Onder 3.8 is overwogen dat het ontbreken van een berekening van de geluidbelasting op de gevel van de woning ter hoogte van de zolder een omissie betreft en dat het besluit hogere waarden in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Als gevolg hiervan ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van de raad bij de vaststelling van het plan dat ten aanzien van de woning van [appellanten sub 1] aan de bij het besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting zou kunnen worden voldaan, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen. Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

11. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op te dragen om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak het onder 10 genoemde gebrek te herstellen. Onder 4 is aan het college de opdracht gegeven akoestisch onderzoek te doen naar de geluidbelasting ter hoogte van de zolder van de gevel van de woning aan het Frans van Laarplein 30. De raad dient vervolgens binnen genoemde termijn te bezien of dit onderzoek van het college aanleiding geeft het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te wijzigen. Daarbij hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit besluit dient in dat geval op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt. De raad dient de Afdeling de uitkomsten van het onderzoek en het eventuele gewijzigde besluit mede te delen.

12. Gelet op het voorgaande en hetgeen de Afdeling onder 4 heeft overwogen, wordt over de door [appellanten sub 1] aangevoerde beroepsgronden die zien op het woon- en leefklimaat wat betreft geluid en de waardevermindering van de woning pas in de einduitspraak beslist.

Trillinghinder

13. [appellanten sub 1] betogen dat de raad ten onrechte niet de gevolgen van de wegverbreding wat betreft trillinghinder voor hun woning heeft laten onderzoeken. [appellanten sub 1] voeren hiertoe aan dat de wegverbreding leidt tot onevenredige trillinghinder op hun perceel.

[appellanten sub 1] betogen ter zitting dat het onderzoek naar trillinghinder, dat na het bestreden besluit is verricht, een aantal gebreken bevat en dat de raad zich daarom niet op dat onderzoek heeft kunnen baseren. [appellanten sub 1] betogen voorts dat de trillinghinder gevolgen zal hebben voor de leefbaarheid van hun woning en dat onzeker is wat de gevolgen van trilling op lange termijn zijn.

Zij voeren voorts aan dat het wegontwerp voorziet in een verkeersdrempel nabij hun woning. [appellanten sub 1] betogen dat deze verkeersdrempel extra trillinghinder tot gevolg zal hebben. [appellanten sub 1] betogen voorts dat ten onrechte geen snelheid beperkende maatregelen zijn genomen.

13.1. De raad stelt dat hij geen onevenredige trillinghinder ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] verwacht. De raad wijst in dit verband op de geringe gevolgen van het plan wat betreft de verkeersintensiteit en de verschuiving van de wegas.

De raad stelt verder dat ter hoogte van de kruising van de Frans van de Laarstraat en de Brusselseweg een verkeersplateau zal worden gerealiseerd. Dit verkeersplateau werkt volgens de raad attentieverhogend en bevordert de oversteekbaarheid. Het betreft volgens de raad geen traditionele drempel, maar een verhoging waarvoor niet hoeft te worden afgeremd indien het verkeer zich aan de maximale snelheid van 50 km/uur houdt. Gelet hierop verwacht de raad niet dat verkeer zwaar zal moeten afremmen en optrekken en dat hierdoor extra trilling zal worden veroorzaakt.

13.2. In het rapport "RMP Noorderbrugtracé, herberekening verkeersintensiteiten" van 17 september 2013, dat is opgesteld door Goudappel Coffeng, staat dat de verkeersintensiteit op de Fort Willemweg, die in het verlengde en in de nabijheid ligt van de Frans van de Laarstraat, nagenoeg even groot blijft. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen grote toename van het verkeer ter plaatse van de Frans van Laarstraat is te verwachten. Voorts is niet gebleken dat de aard van het verkeer door het plan zal veranderen. Voorts betreft het een verbreding van een bestaande weg waarvan de raad heeft toegelicht dat de verschuiving van de wegas ongeveer 0,7 m richting de woning van [appellanten sub 1] bedraagt. Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was de gevolgen van het plan wat betreft trilling ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] te onderzoeken. Het betoog faalt.

13.3. Evenwel heeft de raad ter nadere onderbouwing van zijn standpunt een trillingsonderzoek laten uitvoeren. In het conceptrapport "Trillingsonderzoek SBR B [locatie 1] te Maastricht" van 24 juli 2014, dat is opgesteld door Cauberg Huygen, zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de trillinghinder voor personen in gebouwen ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] als gevolg van de wegverbreding. Volgens het rapport zal de trillingssterkte als gevolg van het plan met ongeveer 20% toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd wordt dat nu de huidige trillingssterkte ruimschoots voldoet aan de streefwaarden, de trillingssterkte als gevolg van het plan niet zodanig zal toenemen dat niet meer kan worden voldaan aan de streefwaarden van de SBR-richtlijn.

13.4. In de enkele stelling van [appellanten sub 1] dat de raad zich niet op het rapport van Cauberg-Huygen heeft kunnen baseren omdat dit onderzoeksbureau vaker in opdracht van de raad onderzoeken heeft uitgevoerd, is naar het oordeel van de Afdeling geen grond gelegen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het rapport.

Voor zover ter zitting is betoogd dat de berekende waarden niet representatief zijn omdat de metingen zijn uitgevoerd in de zomervakantieperiode, wordt als volgt overwogen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij het onderzoek naar de trillinghinder met name de aard van het verkeer van belang is en niet de hoeveelheid verkeersbewegingen, aangezien zwaarder wegverkeer ook meer trilling veroorzaakt. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verkeersaanbod naar haar aard representatief is geweest, nu gedurende één week metingen hebben plaatsgevonden.

Het betoog dat de put in het wegdek is aangemerkt als enige bron van trilling, mist feitelijke grondslag. In het onderzoek is de trillinghinder onderzocht die afkomstig is van het wegverkeer. Een nabij de woning gelegen put in het wegdek is in het onderzoek betrokken omdat deze zorgt voor een ongelijkheid in het wegdek en daarmee een bron voor trilling is indien wegverkeer daar overheen rijdt.

In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van de conclusies van het rapport van Cauberg-Huygen. De raad heeft zich, ook gezien de conclusies van dit rapport, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige trillinghinder voor personen ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1].

Wat betreft mogelijke trillingshinder vanwege een verkeersplateau heeft de raad ter zitting toegelicht dat ter hoogte van de kruising van de Frans van de Laarstraat en de Brusselseweg een verkeersplateau zal worden aangelegd. De afstand van dit verkeersplateau tot de woning van [appellanten sub 1] zal ongeveer 60 m bedragen. De raad heeft medegedeeld dat het verkeersplateau in hetzelfde materiaal zal worden uitgevoerd als de weg, hetgeen volgens de raad trillinghinder tegengaat. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verkeersplateau niet zal zorgen voor extra trillinghinder ter hoogte van de woning.

Verder heeft de raad onweersproken gesteld dat de woning en fundering van de woning van [appellanten sub 1] in 1958 zijn gerealiseerd en dat daarom geen trillingsschade is te verwachten. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat trillingschade aan de woning van [appellanten sub 1] als gevolg van het plan is te verwachten.

Het betoog faalt.

13.5. Voor zover [appellanten sub 1] met hun beroep willen bereiken dat snelheid beperkende maatregelen worden genomen, overweegt de Afdeling dat dit buiten het bestek van het plan valt. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellanten sub 2]

14. [appellanten sub 2] zijn eigenaren van de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. Het beroep van [appellanten sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor de gronden tegenover hun percelen.

15. [appellanten sub 2] betogen dat de plantoelichting niet overeenkomt met de verbeelding en hetgeen de raad heeft gesteld over de situering van het plandeel met de bestemming "Verkeer" ten opzichte van hun gebouwen. [appellanten sub 2] voeren hiertoe aan dat op kaarten in de plantoelichting is aangegeven dat de voorziene wegverbreding hun gebouwen zal doorsnijden of raken, terwijl de raad heeft gesteld dat hiervan geen sprake is.

15.1. Uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een plantoelichting. Deze plantoelichting maakt geen deel uit van het plan. Dit betekent dat geen bindende betekenis toekomt aan de plantoelichting. Dit betoog kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

16. Voorts betogen [appellanten sub 2] dat de wegverbreding deels is voorzien ter plaatse van hun gebouwen. Voorts betogen zij dat, indien de wegverbreding tegen hun gebouwen aan is voorzien, dit de exploitatie van hun café aan de [locatie 3] zodanig aantast dat rendabele exploitatie niet langer mogelijk is. [appellanten sub 2] voeren hiertoe aan dat een deel van de parkeerplaatsen en het terras horende bij het café nodig is voor de wegverbreding en dus niet meer kan worden gebruikt ten behoeve van het café. Voorts zal de zij-ingang van het café direct uitkomen op het trottoir.

[appellanten sub 2] betogen voorts dat het gebruik van de woning aan de [locatie 2] en de bovenwoning aan de [locatie 3] onevenredig wordt aangetast. Zij voeren hiertoe aan dat de voortuin van de woning aan de [locatie 2] nodig is voor de wegverbreding. Hierdoor zal de voordeur van de woning direct uitkomen op het trottoir en komt de weg dichter op de woning, aldus [appellanten sub 2].

16.1. Anders dan [appellanten sub 2] betogen, is aan de gronden waar een café met bovenwoning op het perceel Brusselseweg 2 is gerealiseerd, niet de bestemming "Verkeer" toegekend. Evenmin is de bestemming "Verkeer" toegekend ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2]. Dit bestemmingsplan leidt er derhalve niet toe dat de gebouwen niet meer als zodanig in stand kunnen blijven.

Verder staat vast dat een deel van het perceel horend bij het café op het perceel [locatie 3] benodigd is voor de voorziene wegverbreding. Derhalve kan dat gedeelte van het perceel niet meer worden gebruikt ten behoeve van parkeerplaatsen en een terras bij het café. [appellanten sub 2] hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het vervallen van het terras de bedrijfsvoering van hun café ernstig raakt. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft medegedeeld dat het thans geldende bestemmingsplan "Maastricht-West" de mogelijkheid biedt om aan een andere zijde van het café een terras te realiseren. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het verdwijnen van twee á drie van de ongeveer acht parkeerplaatsen [appellanten sub 2] onevenredig in hun parkeermogelijkheden worden beperkt. Voorts heeft de raad zich wat betreft de omstandigheid dat een zijdeur van het perceel [locatie 3] en de voordeur van het perceel [locatie 2] direct op het trottoir zullen uitkomen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitkomen van een deur direct op een trottoir niet ongebruikelijk is in stedelijke gebieden.

Het betoog faalt.

17. [appellanten sub 2] betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bodemverontreiniging die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. [appellanten sub 2] voeren hiertoe aan dat de raad ten onrechte geen bodemonderzoek heeft laten uitvoeren.

17.1. In het rapport "Vooronderzoek milieuhygiënische bodemkwaliteit partiële herziening Maastricht west e.o. te Maastricht" van 16 augustus 2013, dat in opdracht van de raad is opgesteld door Artifex Terra, zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging in het plangebied. In het rapport staat dat onderzoek naar de bodemkwaliteit is gebaseerd op 23 bodemdossiers. De omstandigheid dat het onderzoek naar bodemverontreiniging niet is uitgevoerd door het uitvoeren van metingen leidt niet tot het oordeel dat de raad zich niet op het rapport mocht baseren, nu dit onderzoek is gebaseerd op eerdere bodemonderzoeken ter plaatse. [appellanten sub 2] hebben de conclusie van het rapport dat voor het realiseren van nieuwe bestemmingen in het plangebied geen belemmeringen zijn niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

18. Ook betogen [appellanten sub 2] dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun gebouwen onevenredig zal worden aangetast. [appellanten sub 2] voeren hiertoe aan dat het plan leidt tot een toename van de verkeersintensiteit en tot een verkeersonveilige situatie. Verder zal het plan leiden tot meer stank-, trilling- en geluidhinder en een hogere concentratie fijn stof en stikstofdioxide tot gevolg hebben, aldus [appellanten sub 2].

18.1. In het rapport "RMP Noorderbrugtracé, herberekening verkeersintensiteiten" van 17 september 2013, staat dat de verkeersintensiteit op de Fort Willemweg, die in het verlengde en in de nabijheid ligt van de Frans van de Laarstraat, nagenoeg even groot blijft. Voorts staat in het rapport dat de Brusselseweg als gevolg van een gekozen kruispuntoplossing aanzienlijk rustiger wordt.

In het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit bestemmingsplan Maastricht-West" van 17 september 2013, dat is opgesteld door Goudappel Coffeng, staat dat geen van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof als gevolg van het plan wordt overschreden.

In het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Maastricht-West" van 17 september 2013, opgesteld door Goudappel Coffeng, staat dat voor het perceel [locatie 3] de hoogste huidige geluidbelasting 62 dB bedraagt. Ten behoeve van het onderhavige plan is een hogere waarde van 64 dB vastgesteld. Voor het perceel [locatie 2] bedraagt de hoogste huidige geluidbelasting 62 dB. Ten behoeve van het onderhavige plan is een hogere waarde van 63 dB vastgesteld.

18.2. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies in voornoemde rapporten onjuist zijn. Dat sprake zal zijn van een verkeersonveilige situatie als gevolg van het plan hebben [appellanten sub 2] niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet in het niet onderbouwde betoog van [appellanten sub 2] dat trillinghinder zal ontstaan evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het plan leidt tot onaanvaardbare trillinghinder.

Gelet op de conclusies van voornoemde rapporten heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 2] niet zodanig zijn dat om die reden het plan niet had mogen worden vastgesteld. De raad heeft in dit verband in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend met de verbeterde doorstroming en ontsluiting van onder meer de Frans van de Laarstraat die op dit moment onvoldoende verkeerscapaciteit heeft, dan aan het belang van [appellanten sub 2].

Het betoog faalt.

19. [appellanten sub 2] betogen dat de mogelijkheden tot verhuur van de woning op het perceel Frans van de Laarstraat 30 sterk zullen afnemen, nu een deel van dat perceel nodig is voor de wegverbreding. [appellanten sub 2] betogen voorts dat de waarde van het café onevenredig wordt verminderd vanwege het verlies van het terras.

19.1. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verwachting bestaat dat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van hun woning zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. In dit verband betrekt de Afdeling dat de raad heeft aangegeven dat [appellanten sub 2] in het kader van de grondverwerving een schadeloosstelling op basis van de onteigeningswet ontvangen en tevens een vergoeding voor eventueel noodzakelijke aanpassingen aan resterende eigendommen en waardevermindering van de resterende gronden ontvangen. Het betoog faalt.

20. [appellanten sub 2] hebben in het beroepschrift voor het overige verwezen naar ingediende zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellanten sub 2] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

21. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond.

Relativiteit

22. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van de bestreden besluiten in de weg staat.

Proceskosten

23. Met betrekking tot [appellanten sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Ten aanzien van [appellanten sub 1] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht van 14 februari 2014 tot vaststelling van het besluit hogere waarden voor onder meer de percelen [locatie 3] en [locatie 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Maastricht van 18 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Maastricht-West" ongegrond;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 4 het daar omschreven gebrek te herstellen en

2. de Afdeling en de andere betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV. draagt de raad van de gemeente Maastricht op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging van overweging 11 het daar omschreven gebrek te herstellen en

2. de Afdeling en de andere betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Loo

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

418-763.