Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201403023/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403023/1/R4.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Permissie B.V., gevestigd te Gouderak, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant B] Autobedrijf B.V., gevestigd te Gouda (hierna: Permissie en [appellant B]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gouda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Permissie en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Permissie en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2014, waar Permissie en [appellant B], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.T. Goerdat en drs. C.B.W. Hagen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep

2. Permissie en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin aan de percelen Hanzeweg 1 en [locatie] de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" is toegekend.

Voorbereiding

3. Permissie en [appellant B] voeren aan dat de procedure tot voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte gelijktijdig liep met de procedure tot voorbereiding en verlening van de omgevingsvergunning voor het oprichten van een onbemand tankstation en het plaatsen van een reclameluifel op het perceel [locatie]a (hierna: de omgevingsvergunning). Daarnaast voeren zij aan dat de raad onvolledig en niet tijdig is geïnformeerd.

4. De Afdeling overweegt dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een bestemmingsplanprocedure en een procedure tot verlening van een omgevingsvergunning gelijktijdig plaatsvinden. Voor het overige hebben Permissie en [appellant B] geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

Toevoeging verkooppunten

5. Permissie en [appellant B] betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan meer rekening had moeten houden met hun belangen. Permissie stelt in Gouda een bijzondere positie te bekleden, door haar inzet voor goede doelen. De raad had deze positie volgens Permissie en [appellant B] bij zijn besluitvorming moeten betrekking en meer erkenning moeten geven. Voorts stellen zij dat het plan door de komst van twee extra tankstations leidt tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij het planologisch mogelijk maken van verkooppunten voor motorbrandstoffen, geen ruimte bestaat om rekening te houden met de belangen van concurrenten zoals Permissie en [appellant B].

5.2. De Wet ruimtelijke ordening strekt er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 september 2013, in zaak nr. 201208105/1/R2, is voor het antwoord op de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 8 oktober 2014, in zaak nr. 201310390/1/R1, is een verkooppunt voor motorbrandstoffen naar zijn aard niet aan te merken als een voorziening ten behoeve van de eerste levensbehoeften. Gelet hierop kan zich in dit geval geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau voordoen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen ruimte bestond om rekening te houden met de concurrentiebelangen van Permissie en [appellant B] bij het behouden of verminderen van het aantal verkooppunten voor motorbrandstoffen binnen hun verzorgingsgebied. De gestelde bijzondere positie van Permissie is, anders dan Permissie en [appellant B] menen, evenmin een ruimtelijk belang dat de raad bij zijn besluitvorming had kunnen betrekken.

Het betoog faalt.

Overig

6. Voor het overige hebben Permissie en [appellant B] zich in hun beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Permissie en [appellant B] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, griffier.

w.g. Hagen w.g. Timmerman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

431-731.