Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201402596/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1845, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitief vastgestelde zorgtoeslag van [appellante] over 2009 herzien en vastgesteld op nihil en een bedrag van € 65,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402596/1/A2.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2014 in zaken nrs. 13/3077 en 13/5476 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitief vastgestelde zorgtoeslag van [appellante] over 2009 herzien en vastgesteld op nihil en een bedrag van € 65,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 augustus 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2010 definitief vastgesteld op € 161,00.

Bij besluit van 11 september 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2014 heeft de rechtbank de door [appellante] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 23 mei 2013 en 11 september 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2014, waar [appellante], in persoon, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder partner: de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, wordt verstaan onder inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is de partner van de belanghebbende degene die hierna als eerste wordt genoemd:

a. de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner;

b. degene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA; thans: de basisregistratie personen) en:

[… ]

5° in een aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar partner van de belanghebbende was.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van een berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA.

Ingevolge artikel 5 wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen, een wijziging in de omstandigheden en van de leeftijd van de belanghebbende, de partner of een medebewoner die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is toetsingsinkomen: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge het derde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt bij beëindiging van het partnerschap in het berekeningsjaar, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, indien zulks leidt tot een ten minste 10 percent lager toetsingsinkomen, op verzoek van de belanghebbende bij de berekening van het toetsingsinkomen van de partner:

a. geen rekening gehouden met:

1° belastbaar loon dat is genoten na de beëindiging van het partnerschap.

Ingevolge het zesde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het derde tot en met het vijfde lid.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, herziet de Belastingdienst/Toeslagen, indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging.

Ingevolge het derde lid, kan een herziening op grond van dit artikel leiden tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt, dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, wordt een bezwaar tegen de toekenning of herziening van een tegemoetkoming, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt, geacht mede te zijn gericht tegen de toekenning of herziening van andere tegemoetkomingen over hetzelfde berekeningsjaar die bij hetzelfde geschrift zijn toegekend of herzien, alsmede tegen de in verband daarmee berekende rente.

2. Bij besluit van 20 september 2010 is de zorgtoeslag van [appellante] over het jaar 2009 definitief berekend en vastgesteld op € 57,00.

Bij besluit van 31 januari 2012 is de definitieve vaststelling herzien en vastgesteld op € 65,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 22 mei 2012.

Bij besluit van 27 maart 2013 is de zorgtoeslag over het jaar 2009 opnieuw herzien en verlaagd tot nihil.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft het hiertegen gerichte bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard bij besluit van 23 mei 2013. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [persoon] in 2008 de toeslagpartner was van [appellante] en dat dit ook het geval was in 2009, nu zij beiden op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven in de GBA.

3. Bij besluit van 9 augustus 2013 is de zorgtoeslag van [appellante] over het jaar 2010 definitief berekend en vastgesteld op € 161,00.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft het hiertegen gerichte bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard bij besluit van 11 september 2013. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [persoon] in 2010 de toeslagpartner van [appellante] was. In het verweerschrift in beroep heeft de Belastingdienst/Toeslagen hiertoe verwezen naar artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, sub 5°, van de Awir.

4. Met het besluit van 20 september 2010 heeft de aan [appellante] toegekende zorgtoeslag over 2009 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve toekenning in het nadeel van de belanghebbende te herzien, als hier aan de orde, zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de definitieve toekenning over 2009 op grond van artikel 20 van de Awir heeft herzien, vanwege een gewijzigd inkomensgegeven. Nu niet in geschil is dat het inkomensgegeven is gewijzigd en de Afdeling ook overigens geen aanleiding ziet hieraan te twijfelen, is de Belastingdienst/Toeslagen terecht op grond van artikel 20 van de Awir tot herziening van de definitieve vaststelling over 2009 overgegaan.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2013 op grond van artikel 37, eerste lid, van de Awir geacht wordt mede te zijn gericht tegen de andere besluiten over de zorgtoeslag voor het jaar 2009 van 23 december 2008, 16 januari 2009, 19 februari 2009, 13 maart 2009, 12 augustus 2009, 20 september 2009 en 31 december 2012.

5.1. De Belastingdienst/Toeslagen voert terecht aan dat deze door [appellante] vermelde besluiten niet bij hetzelfde geschrift als het besluit van 27 maart 2013 zijn bekend gemaakt, zodat artikel 37, eerste lid, van de Awir hier geen toepassing vindt. In het betoog wordt dan ook geen aanleiding gezien tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] in 2009 en 2010 terecht heeft aangemerkt als haar toeslagpartner en zijn inkomen terecht in aanmerking heeft genomen bij de berekening van de zorgtoeslag. Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarbij ten onrechte haar beroep op artikel 5 van de Awir verworpen. [appellante] voert hiertoe aan dat het geregistreerd partnerschap op 2 juni 2008 is ontbonden en dat zij sindsdien duurzaam gescheiden van [persoon] leeft. Zij stelt dat [persoon] na deze ontbinding weliswaar een deel van haar woning heeft bewoond, maar dat hiertoe een huurovereenkomst was gesloten, geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, zij toen geen fiscale partners van elkaar waren, beiden bij verschillende zorgverzekeringen waren verzekerd en hun financiën in notariële aktes van elkaar waren gescheiden.

6.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Awir, zoals deze bepaling gold ten tijde van belang (Kamerstukken II, 2004/ 2005, 29 764, nr. 3, blz. 13-16), volgt dat hierin een ruimer partnerbegrip is opgenomen voor ongehuwd samenlevenden dan in de Wet Inkomstenbelasting 2001 en dat in artikel 3 van de Awir enkele situaties zijn benoemd waarin partnerschap wordt aangenomen waarin dat voor de inkomstenbelasting niet het geval is. Voorts volgt hieruit dat in de situatie van ongehuwd samenwonenden die in de GBA op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en daarnaast voldoen aan het criterium van partnerschap in een voorgaand jaar, zoals opgenomen in artikel 3 van de Awir, niet hoeft te worden beoordeeld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

6.2. Gelet op artikel 3 van de Awir en de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] aangevoerde omstandigheden terecht niet betrokken bij de beantwoording van de vraag of [persoon] in de jaren 2009 en 2010 de toeslagpartner was van [appellante].

In artikel 3, tweede lid, van de Awir is bepaald dat degene die op grond van het eerste lid voor een deel van een berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, ook als partner wordt aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar deze bepaling overwogen, dat de ontbinding van het partnerschap op 2 juni 2008 onverlet laat dat [persoon] voor het gehele jaar 2008 als partner van [appellante] in de zin van de Awir (hierna ook: toeslagpartner) moet worden aangemerkt.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, sub 5°, van de Awir is bepaald dat de partner van de belanghebbende degene is die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA en in een aan het berekeningsjaar voorafgaand kalenderjaar partner van de belanghebbende was. Nu [persoon] in 2008 partner was van [appellante] in de zin van de Awir en vast staat dat zij op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven in de GBA, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [persoon] terecht als toeslagpartner van [appellante] is aangemerkt voor 2009.

Laatstvermelde bepaling is ook van toepassing op het jaar 2010. Nu [persoon] in 2009 partner was van [appellante] in de zin van de Awir en vast staat dat beiden in 2010 op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven in de GBA, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [persoon] ook voor 2010 terecht als toeslagpartner van [appellante] is aangemerkt.

Dat de definitie van partner in de zin van artikel 3 van de Awir niet overeenkomt met de betekenis die [appellante] daaraan toekent, maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het beroep van [appellante] op artikel 5 van de Awir niet slaagt omdat zich geen wijzigingen hebben voorgedaan. [persoon] en [appellante] bleven in 2009 en 2010 op hetzelfde woonadres ingeschreven staan in de GBA en [persoon] bleef, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in de aan de berekeningsjaren 2009 en 2010 voorafgaande kalenderjaren de toeslagpartner van [appellante].

De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat het beroep van [appellante] op artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, sub 1° van de Awir evenmin slaagt, omdat het partnerschap in de zin van de Awir niet is beëindigd.

De stelling van [appellante] dat [persoon] in weerwil van artikel 15, derde lid, van de Awir de aanvraag om zorgtoeslag niet mede heeft ondertekend en evenmin zelf zorgtoeslag heeft aangevraagd, laat onverlet dat [persoon] in 2009 en 2010 voldeed aan de criteria om als toeslagpartner te worden aangemerkt.

Het betoog faalt derhalve.

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank [persoon] als eiser had moeten aanmerken en hem had moeten horen ter zitting, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat hij in 2009 en 2010 haar toeslagpartner was.

7.1. Uit de beroepschriften van [appellante] van 3 juni 2013 en 23 oktober 2013 blijkt niet dat het beroep mede namens [persoon] is ingediend, zodat de rechtbank hem terecht niet als eiser heeft aangemerkt. Uit het proces-verbaal van de zitting in beroep blijkt voorts niet, anders dan [appellante] aanvoert, dat zij de rechtbank heeft verzocht om [persoon] te horen. Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt voor het eerst in hoger beroep dat de Belastingdienst/Toeslagen haar niet heeft gehoord in bezwaar.

Voorts betoogt zij voor het eerst in hoger beroep dat de verrekeningen en terugvorderingen van de bestreden besluiten niet juist zijn, omdat haar inkomen in 2009 enige malen is gewijzigd en het inkomen van [persoon] in 2010 is gewijzigd vanwege zijn pensionering.

Aangezien het hoger beroep gericht dient te zijn tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

9. Tot slot betoogt [appellante] dat zij in beroep twee maal het griffierecht van € 44,00 heeft betaald en de rechtbank dit slechts één maal had mogen heffen, omdat de twee zaken die hier aan de orde zijn, gevoegd zijn behandeld en in één uitspraak zijn afgedaan.

9.1. In artikel 8:41, derde lid, van de Awb is bepaald dat eenmaal het griffierecht is verschuldigd indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft. Reeds omdat [appellante] twee afzonderlijke beroepschriften heeft ingediend, heeft de rechtbank terecht twee maal het griffierecht in beroep geheven.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Wortmann w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

615.