Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201402332/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:842, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een supermarkt aan de [locatie] te Heemstede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402332/1/A4.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Heemstede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 februari 2014 in zaak nr. 13/4076 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een supermarkt aan de [locatie] te Heemstede.

Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 augustus 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2014, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A.C. Claassen, J. van Wanum en mr. L.H. Kadiks, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. N.Ch. Ellens, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van de supermarkt met 72 m² en het verlengen van de bestaande luifel. Het college heeft bij het besluit van 25 januari 2013 voor deze activiteiten, voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend.

[appellante] heeft een fysiotherapiepraktijk naast de supermarkt en vreest dat de supermarkt door de uitbreiding meer klanten zal aantrekken en dat dit zal zorgen voor parkeeroverlast door auto’s en het stallen van fietsen in de fietsenrekken van haar praktijk.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Heemstede (hierna: de Bouwverordening), omdat de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding niet toeneemt. Daartoe voert zij aan dat het college zich niet heeft mogen baseren op een in mei 2012 door Knowledge in Store uitgevoerde uitgevoerde Quick Scan naar de gevolgen van de uitbreiding van de supermarkt voor de parkeerdruk, omdat de gegevens waarop de Quick Scan is gebaseerd verouderd zijn. Ter zitting heeft zij in dit verband toegelicht dat zich na dit onderzoek ontwikkelingen hebben voorgedaan in Heemstede. Verder voert [appellante] aan dat de vraagstelling en de beschrijving van de onderzoeksmethodiek ontbreken. Ook zijn volgens haar de klantenkring van de in de supermarkt gevestigde slagerij en het gebied ten zuiden van Heemstede ten onrechte niet betrokken in het onderzoek. Tot slot voert zij aan dat uit de Nota Parkeernormen Heemstede van 14 augustus 2012 (hierna: de Nota) volgt dat ten behoeve van de uitbreiding van de supermarkt 2,88 extra parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, omdat het gaat om een hoofdwinkelgebied.

2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

2.2. In de Quick Scan uit mei 2012 staat dat de omzetgroei van de supermarkt voor 95% tot 98% dient plaats te vinden door het verhogen van de omzet per klant en niet door het aantrekken van nieuwe klanten. De uitbreiding is gelet op het concurrentieveld in Heemstede onvoldoende groot om bestaande koopstromen te doen veranderen, waardoor de specifieke buurtfunctie van de supermarkt gehandhaafd blijft. Om meer klanten aan te trekken, zal er volgens de Quick Scan een meer volwaardig alternatief moeten worden geboden, zoals een uitbreiding van de verkoopvloeroppervlakte naar 1000 m² onder een prijsattractieve supermarktformule, hetgeen hier niet mogelijk is. De Quick Scan concludeert dat geen behoefte zal zijn aan extra parkeerplaatsen.

2.3. [appellante] heeft met haar enkele stelling dat zich in Heemstede ontwikkelingen hebben voorgedaan, niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens waarop de Quick Scan uit mei 2012 is gebaseerd zodanig verouderd zijn dat die Quick Scan geen representatief beeld geeft van de parkeerdruk. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [vergunninghoudster] een aanvulling op de Quick Scan uit mei 2014 heeft overgelegd, waarin op basis van de huidige stand van zaken in Heemstede niet tot een andere conclusie wordt gekomen dan in de Quick Scan uit mei 2012. Daarbij neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat, anders dan [appellante] heeft gesteld, niet aannemelijk is dat de sluiting van slagerijen buiten Heemstede een relevante toename van het aantal bezoekers van de slagerij in de supermarkt tot gevolg heeft gehad. Verder heeft [appellante] met haar enkele stelling dat de vraagstelling en de omschrijving van de methodiek van het onderzoek in de Quick Scan ontbreken, evenmin aannemelijk gemaakt dat de resultaten van het onderzoek niet representatief zijn.

Wat betreft de in de supermarkt gevestigde slagerij heeft het college ter zitting nader toegelicht dat deze in het onderzoek is betrokken. Het heeft erop gewezen dat uit de aanvulling op de Quick Scan uit mei 2014 volgt dat, nu deze slagerij voor 95% tot 98% dezelfde klantenkring heeft als de supermarkt, het niet aannemelijk is dat de uitbreiding van de supermarkt tot gevolg heeft dat de slagerij andere klanten zal aantrekken die niet de supermarkt aandoen. [appellante] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid hiervan naar voren gebracht.

Wat het gebied ten zuiden van Heemstede betreft, staat in de aanvulling op de Quick Scan uit mei 2014 dat dit wordt gedomineerd door de Albert Heijn in Bennebroek met ongeveer 1.000 m² verkoopvloeroppervlakte, waar tevens een kleine Spar met 250 m² verkoopvloeroppervlakte is gevestigd, en dat de Albert Heijn een gratis parkeervoorziening heeft. In de aanvulling op de Quick Scan wordt, mede gelet op de goedkopere prijslijn van Albert Heijn en Spar, geconcludeerd dat toevloeiing van klanten ten zuiden van Heemstede naar de supermarkt niet zal plaatsvinden. Dit is in lijn met de Quick Scan uit mei 2012, waarin is vermeld dat de uitbreiding van de supermarkt is gericht op het vergroten van de omzet per klant en dat voor het vergroten van het aantal klanten een grotere verkoopvloeroppervlakte nodig is. [appellante] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid hiervan naar voren gebracht.

Gezien het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet heeft mogen baseren op de Quick Scan en op grond daarvan niet heeft mogen concluderen dat de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding niet toeneemt.

2.4. Voor zover [appellante] heeft gesteld dat op grond van de Nota vanwege de uitbreiding van de supermarkt 2,88 parkeerplaatsen zouden zijn vereist, overweegt de Afdeling dat de Nota geen uitwerking is van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. In de Nota wordt die bepaling niet vermeld. De Nota wordt blijkens de inleiding ervan en in lijn met de toelichting van het college ter zitting gehanteerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen, maar niet bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunningen. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de Nota niet noopte tot de aanleg van extra parkeerplaatsen.

2.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat aannemelijk is dat ten behoeve van de uitbreiding van de supermarkt geen extra parkeerplaatsen nodig zijn, zodat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

Het betoog faalt.

3. Voor zover [appellante], tot slot, betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ten behoeve van de uitbreiding van de supermarkt te realiseren stallingsruimte voor fietsen slechts gedeeltelijk overdekt zal zijn, zodat het waarschijnlijk is dat klanten van de supermarkt van haar overdekte stallingsruimte gebruik zullen maken, overweegt de Afdeling dat er geen rechtsregel is die vereist dat de te realiseren stallingsruimte overdekt moet zijn. De stelling van [appellante] dat de klanten van de supermarkt gebruik zullen gaan maken van de stallingsruimte van haar praktijk, doet er voorts niet aan af dat bij de supermarkt is voorzien in voldoende stallingsruimte en kan reeds daarom niet leiden tot het oordeel dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

457-784.