Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201401233/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:7422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2012 heeft het college het verzoek van de VvE om handhavend op te treden tegen [appellante sub 2] wegens het in strijd met de aan haar verleende bouwvergunning realiseren van parkeerplaatsen behorende bij het woongebouw "De Diadeem" op het perceel Bloemweg 33-65 te Amersfoort (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401233/1/A1.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de vereniging Vereniging van Eigenaren "VvE gebouw Diadeem", gevestigd te Amersfoort, (hierna: de VvE)

2. [appellante sub 2],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2013 in zaak nr. 12/4487 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2012 heeft het college het verzoek van de VvE om handhavend op te treden tegen [appellante sub 2] wegens het in strijd met de aan haar verleende bouwvergunning realiseren van parkeerplaatsen behorende bij het woongebouw "De Diadeem" op het perceel Bloemweg 33-65 te Amersfoort (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college het door de VvE daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 april 2012 herroepen en [appellante sub 2] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de overtreding van de bouwvergunning te beëindigen.

Bij uitspraak van 18 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2012 vernietigd, het bezwaar van de VvE tegen het besluit van 5 april 2012 ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de VvE hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De VvE heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2014, waar de VvE, vertegenwoordigd door P. den Ouden, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door M.V. de Bruin, bijgestaan door mr. S.G.A. de Boer, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H. Maaijen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 23 november 2006 heeft het college aan [appellante sub 2] een reguliere bouwvergunning verleend voor de realisatie van onder meer een woongebouw met achttien appartementen op het perceel. Aan dat besluit is de voorwaarde verbonden dat het werk wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij de vergunning behorende gewaarmerkte bescheiden, te weten onder meer de situatietekening BA-00 en de bouwtekening BA-01. Op de bouwtekening en situatietekening zijn achttien parkeerplaatsen ingetekend, waarvan zestien parkeerplaatsen in de kelder van het woongebouw en twee parkeerplaatsen aan de voorzijde van het woongebouw. De bij besluit op bezwaar van 31 oktober 2012 opgelegde last onder dwangsom ziet op het in strijd met die voorwaarde ter beschikking stellen van de twee parkeerplaatsen nabij de ingang van het woongebouw "De Diadeem" aan derden, waardoor ten behoeve van het woongebouw niet de in de bouwvergunning vereiste achttien maar slechts zestien parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor bewoners van het woongebouw. Volgens het college kan deze afwijking van de bouwvergunning niet worden gelegaliseerd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de twee in de kelder van het woongebouw extra gerealiseerde parkeerplaatsen niet als alternatief kunnen gelden voor de twee niet ten behoeve van het woongebouw ter beschikking staande parkeerplaatsen aan de voorzijde van het woongebouw. De twee extra parkeerplaatsen in de kelder zijn niet toereikend, gelet op hun maatvoering, en hun ligging pal naast de entree van het woongebouw en een gesloten wand, aldus het college.

In het hoger beroep van de VvE

2. De VvE betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college terecht handhavend heeft opgetreden tegen [appellante sub 2], nu door haar optreden in strijd met de bouwvergunning van 23 november 2006 geen achttien parkeerplaatsen in eigendom van de VvE zijn gegeven en niet ten behoeve van haar beschikbaar zijn. Daartoe voert de VvE aan dat de twee parkeerplaatsen die buiten het woongebouw "De Diadeem" aanwezig zijn, zijn verhuurd en derhalve niet door de VvE kunnen worden gebruikt. Zij voert voorts aan dat de splitsingsakte nog niet is gewijzigd in die zin dat aan de twee eigenaren van de appartementen in het woongebouw een andere parkeerplaats is overgedragen in plaats van de twee te smalle plaatsen onder het gebouw die niet als parkeerplaatsen konden gelden.

2.1. Anders dan de VvE betoogt, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door [appellante sub 2] in strijd met de op 23 november 2006 verleende bouwvergunning is gehandeld doordat niet alle achttien parkeerplaatsen in eigendom zijn van de VvE of aan de VvE ter beschikking staan. In dit verband wordt overwogen dat in de bouwvergunning niet de voorwaarde is opgenomen dat de parkeerplaatsen eigendom dienen te zijn van de VvE dan wel anderszins aan haar ter beschikking dienen te staan. De in de bouwvergunning opgenomen voorwaarde ziet uitsluitend op het realiseren van de parkeerplaatsen op de daarvoor bij de bouwtekening aangewezen plaats. Nu [appellante sub 2] achttien parkeerplaatsen heeft gerealiseerd - zestien in de kelder en twee aan de voorzijde van het gebouw -, heeft hij in overeenstemming met de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde gehandeld. De rechtbank heeft, zij het op andere gronden, derhalve met juistheid overwogen dat het college ten onrechte handhavend jegens [appellante sub 2] is opgetreden wegens het niet beschikbaar stellen van twee parkeerplaatsen aan de buitenzijde van het woongebouw.

Het betoog faalt.

3. De VvE betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar van 31 oktober 2012 geheel heeft vernietigd en haar bezwaar tegen het besluit van 5 april 2012 geheel ongegrond heeft verklaard, nu de rechtbank, door te constateren dat de feitelijke situatie is aangepast aan de op 23 november 2006 verleende bouwvergunning doordat twee, te kleine, parkeerplaatsen in de kelder zijn opgeheven, heeft erkend dat in zoverre ook in strijd met de bouwvergunning werd gehandeld. Nu haar verzoek om handhavend optreden ook op dat punt betrekking had, kon derhalve niet worden volstaan met een afwijzing van het gehele verzoek om handhaving, aldus de VvE.

3.1. De last onder dwangsom ziet, zoals onder 1 is overwogen, op het in afwijking van de op 23 november 2006 verleende bouwvergunning niet beschikbaar stellen van twee parkeerplaatsen nabij de ingang van het woongebouw ten behoeve van bewoners van het woongebouw, vanwege de verhuur ervan aan derden. De last ziet, anders dan waar de rechtbank in haar feitenvaststelling vanuit lijkt te gaan, derhalve niet op de twee in de kelder van het woongebouw extra gerealiseerde, te smalle, parkeerplaatsen. Nu de last onder dwangsom alleen ziet op de twee parkeerplaatsen bij de ingang van het woongebouw en de VvE tegen deze beperking van de last geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld, was de rechtbank, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet bevoegd een inhoudelijk oordeel te geven over andere parkeerplaatsen dan die twee. De rechtbank heeft daarover dan ook terecht geen oordeel gegeven en heeft terecht geen aanleiding gezien het besluit op bezwaar van 31 oktober 2012 slechts gedeeltelijk te vernietigen.

Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2]

4. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat [appellante sub 2] met de verhuur van de twee buitenparkeerplaatsen aan derden in strijd met de op 23 november 2006 verleende bouwvergunning heeft gehandeld, maar dat dit wellicht anders zou zijn indien alle leegstaande appartementen met bijbehorende parkeerplaatsen worden verhuurd en/of verkocht, niet heeft onderkend dat de bouwvergunning er niet aan in de weg staat dat de conform deze vergunning gerealiseerde parkeerplaatsen in gebruik worden gegeven aan derden. [appellante sub 2] voert daartoe aan dat de bouwvergunning geen voorwaarde bevat dat de parkeerplaatsen aan de voorzijde van het woongebouw exclusief in gebruik van de bewoners van de appartementen moeten worden gegeven.

4.1. [appellante sub 2] heeft terecht naar voren gebracht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bouwvergunning er niet aan in de weg staat dat de parkeerplaatsen in gebruik worden gegeven aan derden. Gelet op hetgeen onder 2.1 is overwogen, is aan de bouwvergunning niet de voorwaarde verbonden dat de parkeerplaatsen in eigendom zijn van of anderszins ter beschikking staan aan de VvE. Nu achttien parkeerplaatsen zijn gerealiseerd, heeft [appellante sub 2] conform de bouwvergunning gehandeld.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, gegrond. Nu de uitspraak van de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, juist is, dient zij met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.006,54 (zegge: duizendzes euro en vierenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

374-789.