Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201401583/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:114, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college aan [appellant sub 2] € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toegekend als tegemoetkoming in door haar geleden planschade.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1219
OGR-Updates.nl 2015-0021

Uitspraak

201401583/1/A2.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Gemert-Bakel,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Gemert-Bakel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 januari 2014 in zaak nr. 13/4382 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college aan [appellant sub 2] € 11.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toegekend als tegemoetkoming in door haar geleden planschade.

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juli 2013 vernietigd, het besluit van 19 februari 2013 herroepen, bepaald dat door het college aan [appellant sub 2] een planschadevergoeding van € 5.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente, moet worden toegekend en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.W. Klaassen, vergezeld door [gemachtigde], [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente Gemert-Bakel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

3. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

4. [appellant sub 2] is sinds 20 september 1961 eigenaar van het perceel met daarop aanwezige opstallen aan de [locatie 1] te Handel (hierna: het perceel).

5. Bij besluit van 4 augustus 2008 heeft het college aan [appellant sub 1] onder vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan "Kom Handel, de Mortel en Elsendorp" krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO bouwvergunning verleend voor de oprichting van een appartementengebouw voor tien aan de woningvoorraad toe te voegen appartementen op de gronden aan de [locatie 2] te Handel (hierna: de gronden). Ingevolge het bestemmingsplan rustte op een groot deel van de gronden de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ en op een klein deel van de gronden de bestemming ‘Woondoeleinden - W’. Het college en [appellant sub 1] hebben een overeenkomst gesloten, waarbij de planschade op de laatste wordt verhaald.

6. Aan haar verzoek om een tegemoetkoming in planschade, bij het college binnengekomen op 7 maart 2012, heeft [appellant sub 2] ten grondslag gelegd dat de met de vrijstelling mogelijk gemaakte bouw van het appartementengebouw een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg heeft. In dat kader voert zij aan dat de toegestane bebouwing hoger is dan voorheen en dat de privacy is aangetast door rechtstreeks zicht vanuit het gebouw op haar achtergevel en -tuin. Voorts voert zij aan dat het bij het gebouw behorende parkeerterrein stank- en geluidoverlast veroorzaakt en dat de licht- en geluidhinder is toegenomen door het gewijzigde gebruik en de toename van het aantal gebruikers.

7. Het college heeft over het op het verzoek te nemen besluit advies gevraagd aan Tog Nederland Zuid B.V. (hierna: TOG).

In een advies van 18 december 2012 heeft TOG uiteengezet dat het gebruik van de gronden door de vrijstelling is gewijzigd van bedrijf naar wonen en dat de vrijstelling heeft geleid tot een toename van met name de toegestane hoogten, zodat de bouwmassa is toegenomen. Als gevolg van de toegenomen bouwhoogte is volgens TOG het uitzicht vanaf het perceel van [appellant sub 2] in zijdelingse richting in beperkte mate verslechterd en is het (zon)licht op het perceel enigszins afgenomen. Ook heeft de planologische wijziging tot een beperkte toename van licht- en geluidoverlast en een verdere beperking van de privacy geleid, omdat de inkijk vanuit een woning permanenter is dan vanuit een bedrijf en de inkijk ruimer is door de toename van de bouwhoogte. De verkeersintensiteit en parkeerdruk zijn als gevolg van de planologische wijziging niet toegenomen, aldus TOG in het advies.

Volgens TOG was het perceel van [appellant sub 2] voor de planologische wijziging € 550.000,00 waard en bedraagt de waardevermindering als gevolg van die wijziging € 22.000,00. Gelet op het normaal maatschappelijk risico, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, komt daarvan € 11.000,00 voor vergoeding in aanmerking, aldus TOG.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 19 februari 2013 ten grondslag gelegd en dit besluit, onder verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften van 3 juli 2013, in bezwaar gehandhaafd.

8. Naar aanleiding van hetgeen [appellant sub 1] in beroep heeft aangevoerd over de toepassing van het normaal maatschappelijk risico, heeft het college aanvullend advies gevraagd aan TOG.

In een aanvullend advies van 19 september 2013 heeft TOG uiteengezet dat bij nader inzien een normaal maatschappelijk risico van 3% in dit geval gerechtvaardigd is, zodat niet € 11.000,00, maar € 5.500,00 voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank heeft, op verzoek van het college zelf in de zaak voorziend, [appellant sub 2] € 5.500,00 aan planschadevergoeding toegekend.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

9. [appellant sub 1] betoogt, onder verwijzing naar een taxatierapport van Adriaan van den Heuvel Makelaars en Adviseurs (hierna: Van den Heuvel) van 21 maart 2014, dat de rechtbank heeft miskend dat de planologische wijziging geen planologische verslechtering inhoudt, maar eerder tot een voor [appellant sub 2] planologisch voordeliger situatie heeft geleid. In dat kader voert hij aan dat de woonappartementen weliswaar iets hoger zijn dan de vroegere bebouwing, maar dat de afstand van de bebouwing tot de grens van het perceel groter is geworden en dat er een veel fraaiere straatwand is ontstaan. Bovendien is de woonbestemming gunstiger dan de bedrijfsbestemming. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met dit planologische voordeel, aldus [appellant sub 1].

9.1. Het betoog faalt. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de planologische vergelijking in het advies van TOG van 18 december 2012 onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Dat de door [appellant sub 1] ingeschakelde deskundige een andere mening is toegedaan dan TOG, is daartoe onvoldoende, nu daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat het advies van TOG onjuist of onzorgvuldig is. Dit geldt temeer nu het taxatierapport van Van den Heuvel, in tegenstelling tot het advies van TOG, slechts een zeer summiere planologische vergelijking bevat en voorts uit die vergelijking niet blijkt of de maximale invulling van de planologische regimes daarbij is betrokken.

Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het advies van TOG van 18 december 2012 in zoverre aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

10. [appellant sub 1] betoogt voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2013 in zaak nr. 201207038/1/A2, dat de rechtbank heeft miskend dat de ontwikkeling van een appartementengebouw in de dorpskom van Handel in de lijn der verwachting lag, zodat de schade geheel binnen het normaal maatschappelijk risico valt.

10.1. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro heeft betrekking op een tegemoetkoming in schade. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 63) valt af te leiden dat alleen die schade wordt vergoed welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen en dat het normale maatschappelijke risico, dat met zoveel woorden in de wet is vastgelegd, moet worden betrokken bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Dat ingevolge het tweede lid onder b in ieder geval twee procent van de waarde van de onroerende zaak voor rekening blijft van de aanvrager van schadevergoeding voor een waardevermindering van een onroerende zaak, betekent niet dat de omvang van het normale maatschappelijke risico in een concreet geval niet meer zou kunnen bedragen dan twee procent van de waarde van de onroerende zaak.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201113115/1/T1/A2), moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normaal maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

In het aanvullend advies van 19 september 2013 heeft TOG, aan de hand van de in voormelde uitspraak van 5 september 2012 vermelde criteria, gemotiveerd uiteengezet dat de planologische ontwikkeling plaatsvindt op een locatie die behoort tot het centrum van de kern Handel en dat de ontwikkeling, het oprichten van appartementen, goed past in het karakter van de buurt. De realisering van de appartementen betekent per saldo een toevoeging van zes wooneenheden aan de totale woonvoorraad van de gemeente, hetgeen een relatief geringe toename betreft. De stedenbouwkundige structuur en het woonklimaat worden volgens TOG daarom niet aangetast. Doordat het gebouw een grote goot- en bouwhoogte heeft in vergelijking met omliggende objecten, sluit de ontwikkeling volgens TOG evenwel niet volledig aan bij de plaatselijke situatie. De ontwikkeling ligt daarom slechts voor zover dat betrekking heeft op het woongebruik en de aard van de woningbouw, maar niet voor zover dat betrekking heeft op de maximale bouwmogelijkheden, in de lijn der verwachting, zodat een normaal maatschappelijk risico van drie procent van de waarde van de onroerende zaak in dit geval gerechtvaardigd is, aldus TOG in het aanvullend advies.

Gelet hierop, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college, dat de conclusies van het aanvullend advies heeft onderschreven, voldoende heeft onderbouwd dat in dit geval niet de gehele schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Dat [appellant sub 1] een andere mening is toegedaan, doet hier niet aan af.

Het betoog faalt.

11. Het betoog van [appellant sub 1] ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld door de adviezen van TOG over te nemen, terwijl het college op basis van de met hem gesloten planschadeovereenkomst een inspanningsverplichting had om eventuele schadeclaims kritisch te beoordelen, faalt evenzeer. Zoals hiervoor onder 9.1 en 10.1 is uiteengezet, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de adviezen van TOG heeft mogen volgen.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

12. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de ontwikkeling op de gronden niet in de lijn der verwachting lag. In dat kader voert zij aan dat zij in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw niet had kunnen bevroeden dat in de achtertuin van haar buurman een tweelaags appartementengebouw zou worden opgetrokken met een galerijontsluiting die uitkijkt op haar achtertuin en dat de tuin van de buurman zou veranderen in een verhard parkeerterrein. Volgens [appellant sub 2] werd de dorpstypologie bepaald door hoofdvolumes aan de straat en tuinen, en bijgebouwen op het achterterrein. De bebouwing was grondgebonden en een galerijontsluiting was in Handel nog niet vertoond. Voor zover niet het gehele bedrag kan worden vergoed, is, gelet op het voorgaande, een normaal maatschappelijk risico van drie procent van de waarde van de onroerende zaak te hoog en heeft zij in ieder geval recht op een schadebedrag van € 11.000,00, aldus [appellant sub 2].

12.1. Zoals hiervoor onder 10.1 is weergegeven, blijft ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, van de Wro in ieder geval twee procent van de waarde van de onroerende zaak voor rekening van de aanvrager en heeft TOG, aan de hand van de door de Afdeling in voormelde uitspraak van 5 september 2012 genoemde criteria, gemotiveerd uiteengezet dat een normaal maatschappelijk risico van drie procent van de waarde van de onroerende zaak in dit geval gerechtvaardigd is. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat dat aanvullend advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Dat, naar [appellant sub 2] heeft gesteld, de ontwikkeling in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw niet in de lijn der verwachting lag, doet hier niet aan af, nu voor de omvang van het normaal maatschappelijk risico enkel relevant is of de ontwikkeling op de peildatum in de lijn der verwachting lag.

Het betoog faalt.

Conclusie

13. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is eveneens ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

502-752.