Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201401008/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401008/1/A2.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2013 in zaak nr. 12/5203 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 november 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van draagkracht en de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de ouder en de houder.

Ingevolge artikel 12 van de Awir blijft voor de toepassing van hoofdstuk 2 van die wet, voor zover van belang, titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten toepassing.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, kent de Belastingdienst/Toeslagen, indien ten name van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld, de tegemoetkoming met betrekking tot dat berekeningsjaar toe binnen dertien weken nadat de laatste in dit kader van belang zijnde aangifte inkomstenbelasting is ingediend, of, indien dit eerder is, binnen acht weken na de vaststelling van de laatste in dit kader van belang zijnde aanslag. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt een aangifte inkomstenbelasting die is ingediend vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar geacht te zijn ingediend op 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. Aan het besluit van 4 januari 2012, gehandhaafd bij dat van 21 november 2012, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang plaatsvond op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko, en evenmin dat hij de gestelde kosten van kinderopvang heeft gehad.

3. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, verwijst de Afdeling naar overweging 3.4 van de aangevallen uitspraak. Daarin heeft de rechtbank [appellant] in dit betoog gevolgd, het beroep om die reden gegrond verklaard en het in beroep bestreden besluit vernietigd. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat hij gehoord had moeten worden mist derhalve feitelijke grondslag.

4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de Belastingdienst/Toeslagen niet bevoegd was het voorschot te herzien omdat de herziening niet het gevolg was van de wijziging van het verzamelinkomen van [appellant]. Anders dan [appellant] aanvoert wordt in artikel 16, vierde lid, noch in enige andere bepaling van de Awir steun gevonden voor het oordeel dat een voorschot slechts kan worden gewijzigd indien het verzamelinkomen van de aanvrager wijzigt.

5. [appellant] betoogt eveneens tevergeefs dat artikel 4:48, eerste lid, van de Awb in de weg staat aan de herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag, reeds omdat die bepaling ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Awir toepassing mist ten aanzien van het in hoofdstuk 2 van die wet bepaalde.

6. Ook het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag niet meer mocht herzien, omdat hij de toeslag ten onrechte niet, in overeenstemming met de in artikel 19, eerste lid, van de Awir, vermelde termijn, definitief heeft vastgesteld, faalt. Daartoe is van belang dat uit artikel 16, vierde lid, van de Awir volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van het voorschot mag herzien, zolang hij de tegemoetkoming nog niet heeft toegekend. Uit de Awir blijkt niet dat gevolgen moeten worden verbonden aan overschrijding van de in artikel 19, eerste lid, vermelde termijn. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van de Awir biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat aan overschrijding van de genoemde termijn de verstrekkende conclusie moet worden verbonden dat de Belastingdienst/Toeslagen niet meer bevoegd is om een voorschot kinderopvangtoeslag te herzien. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 in zaak nr. 201301181/1/A2.

7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de terugvordering, die het gevolg is van de herziening van het voorschot, geen evenredige belangenafweging ten grondslag ligt. De terugvordering leidt er volgens [appellant] toe dat hij nog lange tijd met een aanzienlijke schuld geconfronteerd wordt. Bovendien dienen de voorschotten niet van hem, maar van het gastouderbureau te worden teruggevorderd, nu het gastouderbureau hem onjuist heeft voorgelicht, aldus [appellant].

7.1. Artikel 26 van de Awir schrijft imperatief voor dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien, het terug te vorderen bedrag kan matigen, of van een ander dan de belanghebbende kan terugvorderen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook met juistheid het gehele voorschot van [appellant] teruggevorderd. Een belangenafweging bij de terugvordering is als zodanig niet aan de orde.

Het betoog faalt.

8. Verder betoogt [appellant] dat de Wko niet de eis stelt dat de ouder zelf kosten voor kinderopvang maakt. Bovendien mocht de Belastingdienst/Toeslagen niet zonder meer uitgaan van de jaaropgaaf. Ten onrechte staat daarop vermeld dat hij slechts € 16.390,48 en niet € 21.992,58 aan kosten van kinderopvang heeft gehad. Voor zover [appellant] niet heeft aangetoond de gestelde kosten te hebben gemaakt, moeten deze worden geacht aan hem te zijn geschonken door de gastouder, aldus [appellant].

8.1. Uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder n, en 7, eerste lid, van de Wko volgt dat kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang is, die afhankelijk is van het inkomen van de ouder. Anders dan [appellant] betoogt blijft een deel van de kosten van kinderopvang derhalve voor rekening van de ouder.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18 van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

In bezwaar heeft [appellant] facturen overgelegd van het gastouderbureau aan wie de voorschotten zijn uitbetaald. Uit de facturen volgt dat het gastouderbureau daarvan in totaal € 3.118,25 aan bemiddelingskosten heeft ingehouden en het overige aan [appellant] heeft overgemaakt. [appellant] heeft in bezwaar verder kwitanties overgelegd, die optellen tot een bedrag van € 16.724,93, en loonspecificaties waaruit volgt dat zijn echtgenote haar loon contant kreeg uitbetaald. Hij stelt de op de kwitanties vermelde betalingen met dit loon te hebben voldaan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 mei 2014 in zaak nr. 201303070/1/A2, dienen contante betalingen gestaafd te worden met kwitanties en daarmee corresponderende bewijzen van geldopnames. Zulke bewijzen heeft [appellant] niet overgelegd. De overgelegde loonspecificaties kunnen evenmin tot bewijs daartoe dienen, reeds omdat - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - het totaal ontvangen loon onvoldoende is om de op de kwitanties vermelde betalingen mee te verrichten. Dat de werkgever, zoals [appellant] stelt, de echtgenote van [appellant] tegen haar wil aanvullend zwart uitbetaalde, wat daarvan ook zij, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat [appellant] die stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop kan aan de kwitanties niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien.

Verder kan het betoog van [appellant] dat de kosten waarvan hij niet heeft aangetoond dat hij ze heeft gemaakt, moeten worden geacht te zijn geschonken door de gastouder, wat daar ook van zij, hem niet baten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201205528/1/A2) verzetten doel en strekking van de regeling tot het toekennen van kinderopvangtoeslag zich ertegen dat bij verrekening van de schenking met de verschuldigde kosten aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Daartoe is in aanmerking genomen dat door de wetgever bedoeld is dat, om voor toeslag in aanmerking te kunnen komen, de kosten van de opvang daadwerkelijk door de vraagouder moeten zijn gedragen.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant], ongeacht of wordt uitgegaan van de op de jaaropgaaf vermelde kosten of de door [appellant] gestelde kosten, niet aangetoond deze kosten van kinderopvang te hebben gedragen.

Het betoog faalt.

9. Nu [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de gestelde kosten voor kinderopvang heeft gehad en hij op die voet geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, behoeft hetgeen hij heeft aangevoerd met betrekking tot de overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko geen bespreking.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

85-799.