Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201400508/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:16321, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van beschoeiing en het verplaatsen van een bestaande dam met duiker op het perceel [locatie] te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400508/1/A4.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2013 in zaken nrs. 13/3616 en 13/5492 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van beschoeiing en het verplaatsen van een bestaande dam met duiker op het perceel [locatie] te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen en verplaatsen van een bestaand hekwerk op het perceel.

[appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 4 december 2013 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 26 april 2013 en 8 mei 2013 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door M. Sprinkhuizen, en het college, vertegenwoordigd door K. Schoonderwoerd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. De gronden waarop de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] plaatsvinden, zijn ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Limes" bestemd voor "Bedrijf". Tussen de Steekterweg en het bedrijfsterrein liggen gronden die zijn bestemd voor "Tuin". Tussen deze gronden en de Steekterweg ligt een strook grond die is bestemd voor "Water".

2. Het college heeft bij het besluit van 17 december 2012, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 26 april 2013, aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het vervangen van beschoeiing en het verplaatsen van een dam en duiker. De dam en duiker zijn hoofdzakelijk voorzien op gronden die zijn bestemd voor "Water", maar ook gedeeltelijk op gronden die zijn bestemd voor "Tuin".

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het door [belanghebbende] beoogde gebruik van de dam en duiker niet binnen de bestemming "Tuin" past, omdat zij zullen worden gebruikt als onderdeel van een toegangsweg ten behoeve van het bedrijf van [belanghebbende]. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat tussen de aanleg van de dam en duiker en de aanleg en het gebruik van de toegangsweg ten behoeve van het bedrijf van [belanghebbende] een te ver verwijderd verband ligt.

3.1. Ingevolge artikel 18.1 van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen;

b. verhardingen;

c. parkeervoorzieningen behorende bij woningen en woonschepen;

(...).

Ingevolge artikel 18.4 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in gronden ten zuiden van de Steekterweg en de Rijksstraatweg bestemd als "Tuin" de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m².

(...).

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 augustus 2013 in zaak nr. 201300301/1/A1) moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is strijd met de bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

3.3. Niet in geschil is dat de dam en duiker als zodanig, voor zover deze zijn voorzien op gronden met de bestemming "Tuin", passen binnen die bestemming, Het geschil spitst zich toe op de vraag of het beoogde gebruik van de dam en duiker past binnen deze bestemming.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, zoals [appellant] terecht heeft betoogd, de dam en duiker zijn verplaatst ten behoeve van het aanleggen van een toegangsweg vanaf de Steekterweg tot het achtergelegen bedrijfsterrein over gronden met de bestemming "Tuin". Daartoe is van belang dat uit een brief van [belanghebbende] van 23 november 2012 aan het college, derhalve reeds vóór het nemen van het primaire besluit van 17 december 2012, blijkt dat [belanghebbende] voornemens is over de dam en duiker een toegangsweg aan te leggen. Ter zitting heeft [belanghebbende] voorts bevestigd dat de dam en duiker zijn verplaatst met het oog op het aanleggen van een toegangsweg.

Het voorgaande kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de toegangsweg naar het bedrijf van [belanghebbende] niet in strijd is met de bestemming "Tuin". Daartoe overweegt de Afdeling dat gronden met de bestemming "Tuin" ingevolge artikel 18.1, aanhef en onder b, van de planregels uitdrukkelijk mede zijn bestemd voor verhardingen en dat ingevolge artikel 18.4 van de planregels, indien wordt voldaan aan de daarin gestelde eisen, zonder omgevingsvergunning verharde wegen en paden op deze gronden mogen worden aangelegd. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 18.1, aanhef en onder b, van de planregels in dit geval met zich dat toegangswegen naar achterliggende bedrijfsterreinen op gronden met de bestemming "Tuin" zijn toegestaan, te meer nu, zoals uit de verbeelding van het bestemmingsplan blijkt, het bedrijfsterrein van [belanghebbende] volledig is omgeven door gronden met een andere bestemming dan "Bedrijf" en [belanghebbende] zijn bedrijf derhalve uitsluitend kan bereiken via gronden met de bestemming "Tuin". Zoals het college in het verweerschrift heeft opgemerkt, is dan ook aannemelijk dat de planwetgever ervoor heeft gekozen toegangswegen naar het achterliggende bedrijfsterrein op gronden met de bestemming "Tuin" mogelijk te maken. De Afdeling acht dit te meer aannemelijk nu uit de verbeelding van het bestemmingsplan blijkt dat in de nabije omgeving verscheidene bedrijven ook uitsluitend via gronden met de bestemming "Tuin" bereikbaar zijn.

Het betoog faalt.

4. Bij het besluit van 8 mei 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor het vervangen en verplaatsen van bestaande hekwerken, een openslaande looppoort en het vervangen van drie bestaande openslaande poorten door een elektrisch gestuurde schuifpoort. Voor zover de hekwerken in strijd zijn met het bestemmingsplan heeft het college tevens met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, verleend. Het hek is gedeeltelijk voorzien op gronden die zijn bestemd voor "Bedrijf" en gedeeltelijk op gronden die zijn bestemd voor "Tuin".

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het beoogde gebruik van het hekwerk niet binnen de bestemming "Tuin" past, omdat het zal worden gebruikt ten behoeve van het bedrijf van [belanghebbende]. Voorts voert hij aan dat [belanghebbende] de gronden met de bestemming "Tuin" die direct zijn gelegen achter het hekwerk zal gaan gebruiken voor bedrijfsactiviteiten.

5.1. Ingevolge artikel 18.2, aanhef en onder a, van de planregels mag op gronden met de bestemming "Tuin" niet worden gebouwd met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen tot een maximale hoogte van 1 m.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 4, aanhef en derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m².

5.2. Dat het hekwerk ten behoeve van het bedrijf van [belanghebbende] wordt opgericht, heeft het college uitdrukkelijk onderkend. Het college heeft in het besluit van 8 mei 2013 gemotiveerd dat het hekwerk ten dienste staat van het bedrijf van [belanghebbende] en dat het de realisering van het hekwerk in dit geval noodzakelijk acht teneinde het kostbare en zware materieel van [belanghebbende] op adequate wijze af te schermen van onbevoegden. Gelet op de door het college gegeven motivering en gelet op het feit dat het hekwerk over een beperkte lengte 2 m hoog wordt in plaats van 1 m, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college in redelijkheid met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat uitsluitend omgevingsvergunning is verleend voor het oprichten van het hekwerk en niet voor het gebruik van de achter het hekwerk gelegen gronden anders dan ten behoeve van de bestemming "Tuin". Voor zover die gronden in strijd met deze bestemming voor bedrijfsactiviteiten worden gebruikt, kan [appellant] het college verzoeken daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

457-784.