Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201303731/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] voor een gehandicaptenparkeerplaats afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/292

Uitspraak

201303731/1/A3.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2013 in zaak nr. 12/11325 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Zoetermeer,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] voor een gehandicaptenparkeerplaats afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2012 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 27 augustus 2012 opnieuw ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft daarop gereageerd.

Het college heeft op die reactie gereageerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. Rietkerk, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag, en haar [echtgenoot], zijn verschenen.

Buiten bezwaar van de wederpartij hebben [wederpartij] en het college ter zitting nadere stukken overgelegd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, worden verkeersbesluiten, voor zover zij het verkeer op andere wegen dan wegen onder beheer van het Rijk, een provincie of een waterschap betreffen, genomen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer moet de plaatsing van het bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats), als bedoeld in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990), krachtens een verkeersbesluit geschieden.

Ingevolge artikel 1 van het RVV 1990 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder parkeren verstaan het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Ingevolge artikel 24, derde lid, mag de bestuurder zijn voertuig niet dubbel parkeren.

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen, betrekking hebbend op gehandicaptenparkeerplaatsen, voert het college het beleid dat het een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats voor een gehandicapte passagier mede toetst aan de volgende criteria:

- er moet geen mogelijkheid zijn op eigen erf te parkeren;

- het moet niet mogelijk zijn even kort dicht bij de woning te parkeren;

- het moet vanuit verkeersveiligheidsoverwegingen niet verantwoord zijn dicht bij de woning even tijdelijk dubbel te parkeren;

- er moet normaliter binnen een afstand van 100 meter van de woning geen vrije parkeerplaats beschikbaar zijn.

2. [wederpartij] heeft op 3 april 2012 bij het college een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats voor haar als gehandicapte passagier ingediend. Aan het besluit van 27 augustus 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat uit een parkeeronderzoek is gebleken dat er voldoende parkeergelegenheid is die [wederpartij] vanuit haar woning lopend kan bereiken en dat volgens dat onderzoek het kortdurend dubbel parkeren bij haar woning, teneinde haar te laten in- of uitstappen, geen verkeersgevaarlijke situaties oplevert. Aan het besluit van 31 oktober 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat uit voormeld parkeeronderzoek is gebleken dat geen verkeersonveilige situatie ontstaat als kortstondig dubbel geparkeerd wordt bij de woning. Verder is hieraan een medische rapportage van de arts drs. F. Veen van 8 oktober 2012 ten grondslag gelegd. Volgens die rapportage lijdt [wederpartij] aan de ziekte van Parkinson, waarbij onder andere ‘freezing’, een plotselinge verstarring van een beweging, optreedt. Er bestaan geen zwaarwegende fysieke en psychische belemmeringen die het haar onmogelijk maken om, nadat haar echtgenoot haar met de auto, dubbel parkerend, thuis heeft afgezet, hooguit tien minuten alleen thuis te zijn, totdat haar echtgenoot de auto elders heeft geparkeerd en thuis is gekomen. Zij wil direct na thuiskomt het toilet bezoeken, maar is bang daarbij te vallen. Die angst imponeert, maar is te ondervangen als haar echtgenoot haar bij thuiskomst direct naar het toilet begeleidt en wacht totdat zij gereed is. [wederpartij] heeft voorts wegens traumatische ervaringen algehele angst om alleen te zijn. Ook die angst imponeert, maar is niet van dien aard dat een permanente aanwezigheid van haar echtgenoot vereist is. Tien minuten alleen zijn moet mogelijk zijn in de wetenschap dat haar echtgenoot uitsluitend bezig is de auto te parkeren en elk moment thuis kan komen. Haar echtgenoot doet bovendien af en toe zelfstandig boodschappen, waarbij hij haar kortdurend alleen laat, aldus de rapportage.

3. De rechtbank heeft aan de vernietiging van het besluit van 31 oktober 2012 ten grondslag gelegd dat het college van [wederpartij] niet als oplossing had mogen verlangen dat haar echtgenoot zijn auto kortdurend dubbel parkeert, nu deze handeling in strijd is met de wet.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de bij het parkeeronderzoek verrichte telling van parkeerplaatsen onvoldoende representatief is, aangezien deze voornamelijk in een vakantieperiode is verricht.

4. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat van [wederpartij] mag worden verlangd dat haar echtgenoot zijn auto kortdurend dubbel stil laat staan om haar te laten uitstappen en naar hun woning te begeleiden. Het voert daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2008 in zaak nr. 200706936/1, aan dat het aldus laten stilstaan van de auto geen vorm van parkeren is en derhalve is toegestaan.

4.1. Uit artikel 1 van het RVV 1990 volgt dat het laten stilstaan van een voertuig gedurende een langere tijd dan de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen als parkeren moet worden beschouwd. Zoals ook de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 14 januari 1997 (VR 1997, 112), is de tijd die een passagier nodig heeft en gebruikt om na het uitstappen zijn woning te bereiken, geen tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk uitstappen. Derhalve is het laten stilstaan van een auto gedurende de tijd waarin [wederpartij] na het uitstappen uit die auto, naar haar woning wordt begeleid, een vorm van parkeren.

De door het college aangehaalde uitspraak van 9 april 2008 doet aan het voorgaande niet af. De desbetreffende zaak had betrekking op de door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor de toekenning van een gehandicaptenparkeerplaats voor een gehandicapte passagier toegepaste voorwaarde dat de betrokkene niet beschikt over voldoende parkeergelegenheid binnen zijn loopafstand. De door dat college toegepaste voorwaarde dat het niet mogelijk is om de auto in de tweede linie te stoppen om de betrokkene te begeleiden bij het in- en uitstappen, was in die zaak niet in geding. In de aangehaalde uitspraak is dan ook niet geoordeeld over de rechtmatigheid van die voorwaarde.

Gelet op artikel 24, derde lid, van het RVV 1990 is dubbel parkeren verboden. Derhalve heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college ten onrechte van [wederpartij] heeft verlangd dat haar echtgenoot zijn auto dubbel parkeert om haar te laten uitstappen en naar hun woning te begeleiden. Het betoog faalt.

5. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte een oordeel heeft gegeven over de representativiteit van de bij het parkeeronderzoek verrichte telling van parkeerplaatsen. Het voert daartoe aan dat die telling niet aan het besluit van 31 oktober 2012 ten grondslag is gelegd. Dat besluit is slechts mede op het parkeeronderzoek gebaseerd, voor zover daarbij is geconstateerd dat het uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet bezwaarlijk is om de auto binnen de loopafstand bij de woning van [wederpartij] neer te zetten om haar in en uit te laten stappen, aldus het college.

5.1. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, heeft het college in het besluit van 31 oktober 2012 ten onrechte van [wederpartij] verlangd dat haar echtgenoot zijn auto dubbel parkeert om haar te laten uitstappen en naar hun woning te begeleiden. Gelet hierop, diende de rechtbank dat besluit te vernietigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2008 in zaak nr. 200802431/1), dient de rechtbank, indien zij een besluit vernietigt, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Volgens het ter zake gevoerde beleid van het college wordt een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats afgewezen indien normaliter binnen een afstand van 100 meter van de woning van de betrokkene een vrije parkeerplaats beschikbaar is. In dat licht was een beoordeling van de bij het parkeeronderzoek verrichte telling van parkeerplaatsen van belang om te bepalen of de rechtsgevolgen van het besluit van 31 oktober 2012 in stand dienden te worden gelaten. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het niet expliciet in dit kader, de representativiteit van die telling beoordeeld.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal in de einduitspraak worden bevestigd.

7. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak diende het college opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] te beslissen. Dit heeft het college bij het besluit van 27 mei 2013 gedaan. Dat besluit wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

8. Bij het besluit van 27 mei 2013 heeft het college het besluit van 27 augustus 2012 wederom gehandhaafd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat het mogelijk is dat de echtgenoot van [wederpartij] zijn auto kortdurend dubbel laat stilstaan bij hun woning teneinde haar uit te laten stappen en naar de woning te begeleiden. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is die handeling in strijd met artikel 24, derde lid, van het RVV 1990. Het besluit van 27 mei 2013 berust derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb op een ondeugdelijke motivering.

9. In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 27 mei 2013 te herstellen door binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak dat besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat niet is bestreden dat de bij het parkeeronderzoek verrichte telling van parkeerplaatsen niet representatief is. Die telling kan niet dienen als toereikende motivering voor de afwijzing van de aanvraag van [wederpartij]. Het college dient derhalve een nieuw en deugdelijk parkeeronderzoek te verrichten als het zich wederom op het standpunt wil stellen dat normaliter binnen een afstand van 100 meter van de woning van [wederpartij] een vrije parkeerplaats beschikbaar is.

10. In de einduitspraak zal worden beslist over vergoeding van proceskosten en heffing van griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverwegingen 8 en 9:

1. het gebrek in zijn besluit van 27 mei 2013, kenmerk JUZA/NR/1001571, te herstellen, en

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

582-782.