Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201310721/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:9709, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een nieuwe kap op het bestaande bijgebouw achter de woning op het perceel [locatie 1] te Bergen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310721/1/A1.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], allen wonend te Bergen (hierna: [appellant A] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2013 in zaak nr. 12/3025 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen, NH.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een nieuwe kap op het bestaande bijgebouw achter de woning op het perceel [locatie 1] te Bergen.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2014, waar [appellant A] en anderen, verschenen in de persoon van [appellant A] en [appellant D], bijgestaan door mr. S. Grasboer, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Visser, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Hoorn, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1˚ met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder a, is Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚.

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II wordt in deze bijlage onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bergen Dorpskern-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Wonen (W-1)".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef, wordt onder de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in samenhang met het wonen verstaan het gebruik van gedeelten van woningen en de daarbij behorende bebouwing door de bewoner ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover:

a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van de woning, inclusief aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m²;

b ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien.

Ingevolge het zevende lid, onder k, mag de gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 50 m² met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het gezamenlijke zij- en achtererf onbebouwd en onoverdekt dient te blijven.

Ingevolge het zevende lid, onder m, mag de oppervlakte per bijgebouw niet meer bedragen dan 50 m².

Ingevolge het zevende lid, onder q, mag bij vrijstaande woningen de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen ten hoogste 3 m en de bouwhoogte ten hoogste 5 m bedragen.

Ingevolge het zevende lid, onder t, mogen bijgebouwen niet worden voorzien van dakkapellen, dakopbouwen of gevelopbouwen.

Ingevolge het achtste lid, aanhef en onder b, is het college bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in het zevende lid sub p en r ten behoeve van een kap op aan- en uibouwen en op bijgebouwen bij niet niet-vrijstaande woningen, met dien verstande dat de goothoogte van de aan- of uitbouw en het bijgebouw niet meer mag bedragen dan de in het zesde lid sub p en r genoemde bouwhoogte en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m.

Ingevolge artikel 36, eerste lid en onder a, is het college bevoegd, tenzij op grond van hoofdstuk II ter zake reeds ontheffing kan worden verleend, ontheffing te verlenen van de bepalingen in het plan voor afwijkingen van maten (waaronder de percentages) met ten hoogste 10%.

3. Het bouwplan betreft de plaatsing van een zadeldak op een reeds bestaand bijgebouw met een plat dak, voor de bouw waarvan - naar niet meer in geschil is - het college bij besluit van 1 december 1959 bouwvergunning heeft verleend. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 36, eerste lid en onder a, van de planregels alsmede artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II, voor het bouwplan omgevingsvergunning verleend.

4. Weliswaar stellen [appellant A] en anderen terecht dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte M.B. Levit als vergunninghouder is aangeduid, maar dit leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu deze onjuistheid niet van invloed is op de aan de uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

5. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II voor het bouwplan een omgevingsvergunning te verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat de voorziene kap geen bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II, omdat de kap niet op de grond staat.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het thans op het perceel aanwezige bijgebouw als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor moet worden aangemerkt. Nu het bouwplan voorziet in een verandering van het bestaande bijgebouw en het zadeldak onderdeel van het bijbehorend bouwwerk wordt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bestaande bijgebouw met kap in zijn geheel als bijbehorend bouwwerk kan worden aangemerkt en het college derhalve bevoegd was toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a, van bijlage II bij het Bor. Het betoog faalt.

6. Nu gelet op vorenstaande geen grond bestaat voor het oordeel dat het college omgevingsvergunning had moeten verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de Wabo, faalt het betoog van [appellant A] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten toepassen.

7. [appellant A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende omgevingsvergunning niet toereikend is. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan ertoe zal leiden dat het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige activiteiten veel groter zal worden dan de 51 m² waarvan het college is uitgegaan, nu het vloeroppervlak van de bovenverdieping ook dient te worden meegeteld. Voorts voeren [appellant A] en anderen aan dat het bouwplan ook in strijd is met het bepaalde in artikel 23, zevende lid, onder t, q en m, van de planregels en dat de omgevingsvergunning niet is verleend voor afwijking van deze regels.

7.1. Uit de bij de omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen valt af te leiden dat de begane grond van het bijgebouw zal worden gebruikt als kantoorruimte en dat de door realisering van de kap ontstane bovenverdieping gebruikt zal worden als zolder. Nu de bovenverdieping niet zal worden gebruikt ten behoeve van de functie kantoor, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het vloeroppervlak van de bovenverdieping in aanmerking diende te nemen bij de beslissing of het gebruik wilde maken van de afwijkingsbevoegdheid.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant A] en anderen voorts hebben aangevoerd terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning niet toereikend is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 23, zevende lid, onder t, van de planregels, nu dit niet kan worden aangemerkt als een dakkapel, dakopbouw of gevelopbouw in de zin van de planregels. Voorts heeft het college met de in bezwaar in stand gelaten omgevingsvergunning van 23 mei 2012 de strijdigheid van het bouwplan met artikel 23, zevende lid, onder q, van de planregels opgeheven. Nu het college toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2º gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van de bij het Bor behorende bijlage II om de oppervlakte van 51 m² mogelijk te maken, heeft de omgevingsvergunning ook betrekking op de strijdigheid van het bouwplan met artikel 23, zevende lid, onder m, van de planregels.

Het betoog faalt.

8. [appellant A] en anderen betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de in beroep aangevoerde grond dat het college de omgevingsvergunning had dienen te weigeren, omdat het college wist dan wel had moeten weten dat het bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan zou worden gebruikt als (recreatie)woning. Dit betoog leidt echter om het hierna volgende niet tot het hiermee beoogde doel.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201205466/1/A1), moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te weigeren indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

De vermelding op het aanvraagformulier dat het bouwwerk na realisering van het bouwplan zal worden gebruikt voor bewoning, was voor het college aanleiding nader onderzoek te doen naar het doel van het bouwplan. Gelet op de vervolgens door [vergunninghoudster]. verstrekte informatie en ingediende gewijzigde bouwtekeningen bestond voor het college geen reden om aan te nemen dat het gebouw voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan voor kantoordoeleinden, waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. In hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd wordt daarvoor evenmin aanleiding gevonden.

9. [appellant A] en anderen betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het in artikel 40 van de planregels opgenomen bouwovergangsrecht in de weg staat aan verlening van een omgevingsvergunning. Nu het college omgevingsvergunning heeft verleend voor afwijking van het bestemmingsplan, is toepassing van artikel 40 van de planregels niet aan de orde.

10. [appellant A] en anderen betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan heeft mogen afwijken. Daartoe voeren zij aan dat hun woongenot onevenredig zal worden aangetast door de vermindering van privacy, de beperking van het uitzicht en lichtinval alsmede de schaduwwerking. [appellant A] en anderen verwijzen in dit verband naar de door hen in hoger beroep overgelegde bezonningsstudie van 1 mei 2014, waarbij op grond van verrichte metingen ter plaatse is uitgegaan van een kaphoogte die 70 cm hoger is dan in het bouwplan is voorzien. Voorts voeren zij aan dat het college in de belangenafweging ten onrechte heeft meegewogen dat het bouwplan niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, nu de te realiseren kap zichtbaar zal zijn vanaf de Nassaulaan.

10.1. Het bestemmingsplan maakt de bouw van een bijgebouw met een bouwhoogte van 5 meter reeds mogelijk. De bouwhoogte van het te realiseren bouwplan van 5,50 m valt binnen de reikwijdte van de in artikel 36, eerste lid, van de planregels opgenomen bevoegdheid van het college om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat neemt niet weg dat bij gebruikmaking van deze bevoegdheid de te verwachten hinder voor omwonenden vanwege de extra bouwhoogte deel moet uitmaken van de aan het besluit ten grondslag liggende belangenafweging.

Daarbij dient te worden uitgegaan van het bouwplan zoals dat is vergund, zodat de resultaten van de door [appellant A] en anderen overgelegde bezonningsstudie in zoverre geen representatief beeld geven. Niet in geschil is evenwel dat het bouwplan in het voor- en najaar schaduwhinder voor enkele omwonenden mee zal brengen. In de ochtenduren zal op het achtergelegen perceel aan de [locatie 2] en in middaguren zal op het naastgelegen perceel aan de [locatie 3] sprake zijn van extra schaduw.

Gelet op de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsmogelijkheden op het perceel, die eveneens tot schaduwhinder zullen leiden, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de te verwachten schaduwhinder dusdanig zal zijn dat het college hierin reden had moeten zien om de omgevingsvergunning te weigeren.

Ook ten aanzien van de ten gevolge van het bouwplan te verwachten beperking van het uitzicht en lichtinval voor omwonenden, alsmede de verminderde lichtinval op de zonnecollectoren op het platte dak van het bijgebouw van Nassaulaan 32 geldt dat dit niet dusdanig zal zijn dat het college de omgevingsvergunning om die reden had dienen te weigeren. Nu de beglazing voor daglichttoetreding is voorzien in de nok van de kap en vanuit de kap aldus niet of nauwelijks zicht wordt geboden op de omliggende percelen, heeft de rechtbank terecht evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden. Ter zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat de voorziene kap wellicht zichtbaar zal zijn vanaf de Nassaulaan, maar dat het in de aan het besluit ten grondslag gelegde belangenafweging heeft betrokken dat de voorziene kap vanaf de Prins Hendriklaan niet zichtbaar zal zijn en het straatbeeld niet zal worden verstoord door realisering van het bouwplan.

Voor zover [appellant A] en anderen in dit verband hebben aangevoerd dat het bepaalde in artikel 23, achtste lid, onder b, van het bestemmingsplan in de weg staat aan overschrijding van de maximale bouwhoogte van 5 m, wordt overwogen dat het college geen toepassing heeft gegeven aan deze planregel.

Het betoog faalt.

11. [appellant A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Hiertoe voeren zij aan dat realisering van het bouwplan er toe zal leiden dat aan de zijkant van de kap een dakgoot wordt gerealiseerd die boven het naastgelegen perceel van [appellant D] komt te hangen en [appellant D] daarvoor geen toestemming zal verlenen.

11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2013 in zaak nr. 201206157/1/A1), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat.

De dakgoot is voorzien tussen de op beide percelen op een afstand van ongeveer 25 cm van elkaar gelegen gebouwen boven het perceel van [appellant D]. Nu [appellant D] geen toestemming heeft verleend voor het aanbrengen van de dakgoot boven zijn perceel en hij voorts bezwaren heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwplan, dient evenwel te worden vastgesteld dat voor het aanbrengen van de dakgoot een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat. Het college heeft dan ook niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan kunnen verlenen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant A] en anderen tegen het besluit van het college van 30 oktober 2012 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit te nemen.

12.1. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

[appellant A] en anderen hebben op het formulier proceskosten te kennen gegeven dat zij kosten hebben gemaakt in verband met een door een deskundige aan hen uitgebracht deskundigenrapport in de vorm van een bezonningsstudie, alsmede kosten van uittreksels uit de openbare registers. Uit de bij het formulier proceskosten gevoegde factuur kan worden opgemaakt dat Breebaart Korver BNA B.V. 16 uur heeft besteed aan het opstellen van de bezonningsstudie van 1 mei 2014. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor, zodat de vergoeding voor de gemaakte kosten in verband met het opstellen van de bezonningsstudie wordt vastgesteld op € 1.200,00 (16 uur x € 75,00). Nu geen bewijsstukken zijn overgelegd van de gemaakte kosten van uittreksels uit de openbare registers, komen deze kosten reeds hierom niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 oktober 2013 in zaak nr. 12/3025;

III. verklaart het beroep van [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen van 30 oktober 2012 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen van 30 oktober 2012, kenmerk 12uit04627;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.148,00 (zegge: drieduizend honderdachtenveertig euro), waarvan € 1.948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen aan [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

604.