Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201307441/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7679, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het college [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het aantal aanlegsteigers (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te Roelofarendsveen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307441/1/A1.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roelofarendsveen, gemeente

Kaag en Braassem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2013 in

zaak nr. 10/6694 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het college [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het aantal aanlegsteigers (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te Roelofarendsveen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college opnieuw op het door onder meer de Waterski- en Touringclub "De Brasem" (hierna: de watersportvereniging) daartegen gemaakte bezwaar besloten, dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 22 maart 2007 herroepen en de verleende vrijstelling en bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 3 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De watersportvereniging heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.M.J. van Gestel, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en H.C. Turk-de Jong, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de watersportvereniging, vertegenwoordigd door G.H. Kolthof, bijgestaan door mr. A. Post, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in realisering van 40 aanlegplaatsen op het perceel, waarmee wordt beoogd het bestaande aantal aanlegplaatsen van jachthaven "De Meerkant" uit te breiden. [appellant] is eigenaar van de jachthaven.

2. Per 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste en derde lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip en ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

De aanvraag om bouwvergunning met het daarin vervatte verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan is ingediend op 8 augustus 2005. Gelet daarop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de WRO en de Woningwet zoals deze golden tot 1 juli 2008 op het geschil van toepassing zijn.

3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Roelofarendsveen-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Water".

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterpartijen en recreatie.

Ingevolge het tweede lid, mogen in, op of boven deze gronden uitsluitend duikers en bruggen ten behoeve van de ontsluiting van woningen en bedrijfsgebouwen op gronden met de bestemming Woondoeleinden, Agrarische doeleinden en Bedrijfsdoeleinden, al dan niet voorzien van een subbestemming, gebouwd worden, alsmede keermuren, oeverbeschoeiingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een doelmatig kwaliteits- en kwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater.

4. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 24, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften. Het college heeft aanvankelijk medewerking aan het bouwplan verleend door bij het besluit van 22 maart 2007 vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Bij het besluit van 17 augustus 2010 heeft het deze vrijstelling herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat de watersportvereniging door de uitvoering van het bouwplan zozeer in haar activiteiten zal worden belemmerd, dat dit voldoende grond was de vrijstelling en bouwvergunning te weigeren. Hij wijst op een brief van R en B Milieuadvies B.V. (hierna: R en B) van 21 oktober 2010, waarbij deze - in afwijking van haar advies van 16 juni 2010 - volgens [appellant] heeft bevestigd dat de watersportvereniging geen hinder of belemmering van de uitbreiding van zijn jachthaven hoeft te ondervinden, als de leden zich maar aan de "Regeling snelle motorbootsport Braassemermeer" van het college (hierna: de Regeling) houden.

[appellant] stelt voorts dat de skischans die de watersportvereniging gebruikt, de "startplaats" in de zin van de Regeling is en dat de leden van de watersportvereniging zich bij het varen naar en van de skischans niet aan artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling houden. Hij voert daartoe aan dat ingevolge de Regeling de "startplaats" (de skischans), anders dan nu feitelijk het geval is, buiten de zone van 150 meter uit de oever moet liggen en dat de leden van de watersportvereniging naar die buiten de zone gelegen plaats uitsluitend langs de kortst mogelijke route snel mogen varen.

5.1. De Regeling is op 3 maart 2009 vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het verbod genoemd in artikel 7 van de Scheepvaartverkeerswet, om met een motorboot met een hogere snelheid dan 12 km per uur te varen.

Ingevolge het tweede lid, bedraagt het maximaal aantal jaarlijks te verlenen ontheffingen 90, waarvan 80 voor particulieren en 10 voor bedrijven.

Ingevolge het vijfde lid, worden de ontheffingen verleend voor het gebied van de Braassemermeer, met uitzondering van de met boeien gemarkeerde vaargeul en met uitzondering van het stiltegebied Braassemermeer, zoals aangegeven op de kaart, behorende bij de regeling.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, mag van de ontheffing geen gebruik worden gemaakt binnen een afstand van 150 meter van een oever of een aanleggelegenheid of zweminrichting, behoudens ten zuidwesten van de met boeien gemarkeerde vaargeul bij het afvaren en aanleggen ten behoeve van het trekken van beoefenaars van waterskiën en planking van en naar de startplaats, mits daarbij de kortst mogelijke weg wordt gevolgd en geen hinder of gevaar aan derden wordt veroorzaakt.

5.2. Het college wijst er op dat de watersportvereniging bij besluit van 22 december 1981 vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend voor het aanbrengen van de aanlegsteiger en de skischans op een locatie binnen 150 meter van de oever. Het stelt dat het daarmee de watersportvereniging werd toegestaan om ter plaatse snel te varen. Het stelt dat de Regeling, die in 2009 is ingevoerd, deze verworven rechten niet teniet kan doen.

5.3. De watersportvereniging brengt naar voren dat zij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, met gebruik van de ontheffing binnen een afstand van 150 meter uit de oever snel mag varen. Zij stelt dat haar aanlegsteiger, die tegen een steiger van de jachthaven is aangebouwd (hierna: de aanlegsteiger), de "startplaats" is waarop de Regeling doelt. Binnen de zone van 150 meter afstand uit de oever is het haar dus toegestaan om vanaf de aanlegsteiger via de kortst mogelijke route naar de skischans en de slalombaan te varen.

5.4. Partijen verschillen van mening over de vraag waar binnen de 150 meter zone ingevolge de Regeling snel mag worden gevaren, omdat dit van belang is voor de beoordeling of de watersportvereniging door de beoogde uitbreiding van de jachthaven te zeer in haar activiteiten wordt belemmerd. Voor het antwoord op die vraag is van belang welke plaats "de startplaats" in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling is.

Het begrip "startplaats" is in de Regeling niet nader omschreven. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast, dat de watersportvereniging sedert 1981 met vrijstelling van het bestemmingsplan gebruik maakt van het gebied ten zuidwesten van de met boeien gemarkeerde vaargeul, om vanaf haar aanlegsteiger naar de skischans en de daarbij gelegen slalombaan te varen, die de beoefenaren van waterskiën gebruiken. Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat de in 2009 ingevoerde Regeling met de term "de startplaats" in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, de aanlegsteiger bedoelt.

Voorts volgt, anders dan [appellant] betoogt, uit de Regeling niet dat de skischans naar een locatie buiten de 150 meter zone moet worden verplaatst. Het doel van de Regeling is slechts om regels te geven over ontheffingen van de maximumsnelheid op het Braassemermeer. De rechtbank is met het college terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Of de leden van de watersportvereniging in de praktijk vanaf de aanlegsteiger de kortst mogelijk route volgen, is een kwestie van handhaving. Dat geldt ook voor de door [appellant] opgeworpen vraag of ontheffing van de Regeling aan de watersportvereniging en al haar leden is verleend. Die beide kwesties zijn daarom niet relevant voor het besluit van 17 augustus 2010.

De stelling van [appellant] dat R en B bij brief van 21 oktober 2010 heeft bevestigd dat de activiteiten van de watersportvereniging van de uitbreiding van de jachthaven geen hinder of belemmering hoeven te ondervinden, mist feitelijke grondslag. In die brief vermeldt R en B slechts dat zij contact met de gemeente heeft opgenomen om duidelijkheid over de betekenis van artikel 11 van de Regeling te krijgen en wat de gemeente daarop naar voren heeft gebracht.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt vervolgens dat de rechtbank heeft miskend dat het college ook indien de skischans zich wel binnen de 150 meter zone uit de oever mag bevinden, de vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. [appellant] stelt daartoe dat de watersportvereniging en de jachthaven ook na de uitbreiding zonder problemen naast elkaar kunnen bestaan en dat aan het besluit geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt.

6.1. Nu het de watersportvereniging is toegestaan met een ontheffing binnen een afstand van 150 meter van de oever haar activiteiten uit te oefenen, heeft het college zich - mede gelet op de bevindingen in het rapport van R en B van 16 juni 2010 - in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat de voorgenomen uitbreiding van de jachthaven en de watersportactiviteiten onder meer uit een oogpunt van veiligheid niet probleemloos naast elkaar kunnen bestaan. De brief van R en B van 21 oktober 2010, waarop [appellant] heeft gewezen, leidt niet tot een ander oordeel gelet op hetgeen de Afdeling daarover onder 5.4 heeft overwogen.

6.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat aan het besluit geen deugdelijke belangenafweging ten grondslag ligt, slaagt evenmin. Het college heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat aan de belangen van de watersportvereniging om haar activiteiten ter plaatse onverminderd te kunnen blijven uitoefenen, een zwaarder gewicht toekomt dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant] bij uitbreiding van het aantal ligplaatsen in haar jachthaven. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de watersportvereniging haar activiteiten ter plaatse ten tijde van het besluit van 17 augustus 2010 reeds bijna dertig jaar met toestemming van het college uitoefende en dat aannemelijk is gemaakt dat een alternatieve locatie voor die activiteiten in de nabije omgeving op aanzienlijke problemen zou stuiten.

6.3. Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Bolleboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

641.