Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
201308018/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2640, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden en maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot een drukkerij van VK Print (thans: IJsseldruk B.V.) aan de Holtmark 5 te Harfsen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1224
Milieurecht Totaal 2015/5946
AB 2015/246

Uitspraak

201308018/1/A4.

Datum uitspraak: 26 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Harfsen, gemeente Lochem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 juli 2013 in zaak nr. 11/405 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden en maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot een drukkerij van VK Print (thans: IJsseldruk B.V.) aan de Holtmark 5 te Harfsen afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar en het besluit van 18 augustus 2010 met aanpassing van de motivering daarvan in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2011 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door L.J. Oude Lenferink en R. de Ruiter, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Achterhoek, zijn verschenen. Voorts is ter zitting IJsseldruk B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven door middel van mediation tot een beëindiging van het geschil te komen, waartoe partijen zich ter zitting bereid hadden verklaard. Bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 13 maart 2014, heeft [appellant] de Afdeling medegedeeld dat geen overeenstemming kon worden bereikt.

Op 10 juni 2014 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 18 augustus 2010 herroepen en alsnog maatwerkvoorschriften gesteld.

[appellant] heeft daartegen zienswijzen naar voren gebracht en nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak voortgezet op 2 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door ir. H.J. van Belois, en het college, vertegenwoordigd door R. de Ruiter, R.L. Borkes en R.E. Benjamins, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst Achterhoek, zijn verschenen. Voorts is ter zitting IJsseldruk B.V., vertegenwoordigd door A. Damen, als partij gehoord.

Overwegingen

Situatie

1. [appellant] woont aan de [locatie] te Harfsen en exploiteert op het naastgelegen perceel een autogaragebedrijf. De woning ligt op ongeveer 45 m afstand van de drukkerij. De drukkerij, waar met onder meer zeefdrukmachines producten worden bedrukt, is een type-B inrichting als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zodat daarop de bij of krachtens het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde algemene regels van toepassing zijn.

[appellant] heeft op 13 juni 2010 het college verzocht om handhavend op te treden ter zake van door de drukkerij veroorzaakte geur- en stofhinder en hinder door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Hij heeft het college voorts verzocht ter zake maatwerkvoorschriften te stellen om de door hem ondervonden hinder te beperken.

De aangevallen uitspraak

2. Het college heeft de verzoeken bij het besluit van 18 augustus 2010 afgewezen en deze afwijzing bij het besluit van 8 februari 2011 gehandhaafd. Het college heeft daaraan de motivering ten grondslag gelegd dat een onderzoek naar de emissies van de inrichting nog niet was afgerond.

De rechtbank heeft het besluit van 8 februari 2011 vernietigd omdat het college niet heeft kunnen weigeren te handhaven zonder dat daaraan een afgerond onderzoek naar de emissies van de drukkerij en de gevolgen voor de omgeving daarvan ten grondslag is gelegd. De rechtbank heeft het beroep reeds daarom gegrond verklaard.

2.1. [appellant] kan zich niet verenigen met de overwegingen die de rechtbank met het oog op de beoordeling van de mogelijkheid van finale geschilbeslechting heeft gegeven. Zijn hoger beroep komt er enerzijds op neer dat hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet zelf alsnog maatwerkvoorschriften heeft gesteld. Daarbij wijst hij op de ernstige hinder die hij ondervindt. De rechtbank heeft volgens [appellant] ontoereikend gemotiveerd waarom, gezien de uitstoot van gevaarlijke stoffen, gezondheidsrisico’s zich niet voordoen en voorts waarom stofhinder niet is te verwachten.

Anderzijds komt het hoger beroep van [appellant] erop neer dat hij het onjuist acht dat het college bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar gebonden is aan overwegingen van de rechtbank die volgens hem onjuist zijn. Zijns inziens doen zich, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, wel stofhinder en gezondheidsrisico’s voor. Verder heeft hij onder meer erop gewezen dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd, gezien de aan de rechtbank overgelegde rapporten, waarin zijns inziens tegenstrijdige conclusies staan, waarom zich niet zodanige geurhinder voordoet dat het treffen van alle door [appellant] gewenste maatregelen aangewezen is.

2.2. In het kader van de beoordeling van de mogelijkheid van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak conclusies weergegeven van een aan haar uitgebracht deskundigenbericht van 31 mei 2012 van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) terzake van geur- en stofhinder en de uitstoot van gevaarlijke stoffen. De rechtbank heeft, overigens zonder nadere motivering, overwogen dat zij in de rapportages van De Roever en DGMR, mede gelet op de nadere toelichting van de StAB, neergelegd in een deskundigenverslag van 8 november 2012 en ook overigens geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van het deskundigenbericht van 31 mei 2012. De rechtbank heeft het college vervolgens in overweging gegeven aan de inrichting van IJsseldruk B.V. maatwerkvoorschriften te stellen teneinde de geurbelasting vanwege de drukkerij zoveel mogelijk te beperken.

Het college heeft in de beroepsfase ten overstaan van de rechtbank niet alsnog op grond van de inmiddels beschikbare rapporten een standpunt ingenomen over de emissies van de drukkerij en de door [appellant] gewenste maatregelen. Het college komt beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld en, indien een overtreding heeft plaatsgevonden, bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja welke, handhavingsmaatregelen getroffen dienen te worden. Daarbij is het aan het college om de betrokken belangen af te wegen. In het onderhavige geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat uit de toepasselijke rechtsnormen voortvloeit dat slechts een bepaalde wijze van aanwending van die beleidsvrijheid rechtens toelaatbaar of aangewezen is. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om over te gaan tot finale geschilbeslechting en daartoe zelf in de zaak te voorzien.

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ten onrechte is gebonden aan bepaalde overwegingen van de rechtbank, overweegt de Afdeling dat de betrokken overwegingen van de rechtbank waarmee [appellant] zich niet kan verenigen, gelet op hun formulering, niet bindend zijn voor het college bij het te nemen nieuwe besluit op bezwaar. Dit heeft tot gevolg dat de Afdeling aan hetgeen [appellant] over die overwegingen van de rechtbank heeft aangevoerd, niet toekomt.

De betogen falen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding onjuist heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte niet alle door hem in een brief, ingekomen bij de rechtbank op 7 september 2012, vermelde kosten voor vergoeding in aanmerking heeft laten komen.

3.1. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen welke door [appellant] vermelde kostenposten voor vergoeding in aanmerking komen en welke niet. [appellant] heeft niet concreet gemotiveerd waarom de rechtbank ten onrechte een of meer door hem vermelde kostenposten niet voor vergoeding in aanmerking heeft laten komen. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte een of meer kostenposten niet voor vergoeding in aanmerking heeft laten komen.

Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet de door zijn advocaat in beroep gemaakte reële kosten voor vergoeding in aanmerking heeft laten komen, maar slechts de forfaitaire, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft deze kosten overeenkomstig artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair vastgesteld op € 944,00. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank op grond van artikel 2, derde lid, vanwege bijzondere omstandigheden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, had moeten afwijken en van de reële kosten had moeten uitgaan.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond.

Het beroep tegen het besluit van 10 juni 2014

5. Op 10 juni 2014 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het college heeft het bezwaar van [appellant] gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 18 augustus 2010 herroepen omdat de afwijzing van het verzoek om handhaving en het stellen van maatwerkvoorschriften bij dat besluit onvoldoende was gemotiveerd. Het college heeft op 10 juni 2014 voorts besloten om aan de drukkerij van IJsseldruk B.V. alsnog maatwerkvoorschriften te stellen.

De opgelegde maatwerkvoorschriften zien op een ongehinderde verticale afvoer van dampen en gassen van de tampondruk- en zeefdrukmachines, het reinigen van onderdelen van drukmachines in een afgesloten ruimte, het afsluitbaar zijn van voorzieningen waarin het reinigen van machineonderdelen plaatsvindt, en het deponeren van vuile poetsdoeken in zelfsluitende containers en het afvoeren van vuile poetsdoeken als gevaarlijk afval.

De beslissingen van 10 juni 2014, neergelegd in brieven van dezelfde datum, bevatten gelet op de inhoud tezamen één nieuw besluit op bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede onderwerp te zijn van dit geding.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat het college bij het besluit van 10 juni 2014 ten onrechte niet is ingegaan op zijn hogerberoepschrift, overweegt de Afdeling dat, nu het besluit van 10 juni 2014 een nieuw besluit op zijn bezwaar is, genomen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, het college niet gehouden was om bij dat besluit tevens op de door hem in hoger beroep naar voren gebrachte gronden in te gaan.

Het betoog faalt.

Geurhinder

7. [appellant] betoogt dat het college zich bij het besluit van 10 juni 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat voor verdergaande maatwerkvoorschriften ter beperking van de door hem ervaren geurhinder.

Daartoe voert hij allereerst aan dat de rapporten, waarop het college dat besluit heeft gebaseerd, niet een juist beeld van de door de drukkerij veroorzaakte geurhinder geven, nu de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken tekortkomingen bevatten.

Ter zitting heeft [appellant] verduidelijkt om welke tekortkomingen in de onderzoeken het hem met name gaat. De door [appellant] daartoe aangevoerde betogen worden hierna afzonderlijk besproken.

8. Het college heeft aan het besluit van 10 juni 2014 ten grondslag gelegd een rapport van Buro Blauw B.V. van 17 juni 2011 en de deskundigenberichten van de StAB van 31 mei 2012 en 8 november 2012 die zijn uitgebracht aan de rechtbank. Buro Blauw heeft onderzocht of er bij de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten een onaanvaardbaar niveau van geurhinder is. Daarnaast heeft Buro Blauw onderzocht of het bij de drukkerij gaat om emissies van stoffen in zodanige concentraties dat er gezondheidsrisico’s zijn. Het college heeft zich op grond van het door Buro Blauw opgestelde rapport en de beoordeling daarvan door de StAB op het standpunt gesteld dat er, naast de gestelde maatwerkvoorschriften, geen aanleiding is andere maatwerkvoorschriften ter beperking van geurhinder of ter beperking van gezondheidsrisico’s te stellen.

8.1. [appellant] betoogt onder verwijzing naar een rapport van DGMR van 31 augustus 2012 aan dat het door Buro Blauw verrichte onderzoek niet representatief is, omdat op slechts één middag is gemeten en op dat moment bovendien slechts 9 van de 18 aanwezige machines in gebruik waren en slechts juteproducten werden bedrukt. Volgens [appellant] kan niet worden uitgesloten dat de geuremissie hoger is en geurpieken ten onrechte niet bij het onderzoek zijn betrokken.

8.2. In het rapport van Buro Blauw staat vermeld dat tijdens de metingen vijf tampondrukmachines, twee zeefdrukmachines zonder droogtunnel en een zeefdrukmachine en twee zeefdrukcaroussels met droogtunnels in gebruik waren. De metingen zijn in drievoud uitgevoerd met waar mogelijk een minimale monsterduur van 30 minuten. In het rapport is verder vermeld dat tijdens de metingen mandjes, bekers, afschermkapjes, tubetjes, bidons, kunststof glazen, t-shirts en jute tassen werden bedrukt. Ook de hoeveelheid verbruikte inkt staat vermeld. Ter zitting heeft het college toegelicht dat Buro Blauw tijdens de metingen is uitgegaan van een worstcase-scenario, waarbij zoveel mogelijk uiteenlopende producten werden bedrukt en verschillende drukmachines in gebruik waren, en dat bij drie geurbronnen (gevelafzuiging, afzuiging van het inkthok en afzuiging van de zeefdrukmachine) in drievoud is gemeten, zodat geurpieken zijn meegenomen. In het deskundigenbericht van 8 november 2012 heeft de StAB geconcludeerd dat Buro Blauw tijdens representatieve bedrijfsomstandigheden heeft gemeten. Meten op verschillende productiedagen was dan ook niet noodzakelijk, aldus de StAB. Daarbij merkt de StAB op dat weliswaar fluctuaties in de emissie kunnen optreden als gevolg van het bedrukken van andere producten en het gebruik van wisselende inkten, maar dat de mate van fluctuatie, gelet op de uiteenlopende producten die tijdens de metingen zijn bedrukt, beperkt wordt geacht.

Het rapport van DGMR komt erop neer dat wordt gesteld dat wanneer metingen op verschillende productiedagen worden verricht, een representatiever beeld zal ontstaan van de geuremissie. De Afdeling ziet in het door [appellant] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat Buro Blauw de geuremissie niet tijdens representatieve bedrijfsomstandigheden heeft bepaald.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt dat Buro Blauw ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar diffuse geuremissie door de kieren van het gebouw van de drukkerij. Ter adstructie wijst hij op de rapporten van DGMR van 31 augustus 2012 en 13 december 2012.

9.1. In het rapport van Buro Blauw staat vermeld dat er drie potentiële geuremissiebronnen aanwezig zijn, te weten de gevelventilator van de productiehal, de afzuiging van de opslagruimte (het inkthok) en de afzuiging van de zeefdrukmachine met plastisol inkt. Diffuse geuremissies zijn niet als geurbron bij het onderzoek betrokken. In het deskundigenbericht van 8 november 2012 van de StAB staat vermeld dat het weliswaar aannemelijk is dat het bedrijfsgebouw van IJsseldruk B.V. een natuurlijke ventilatie heeft, maar dat de mate van diffuse geuremissie die daarvan het gevolg is, beperkt wordt geacht. Daarbij merkt de StAB op dat bij een geuronderzoek diffuse geuremissies pas een rol spelen indien er een open opslag is of wanneer een gebouw, waarin zich een geurbron van voldoende omvang bevindt, onvoldoende is afgesloten waardoor geurhoudende lucht door duidelijke openingen naar buiten treedt. Volgens de StAB doet zich een dergelijke situatie in het geval van de drukkerij niet voor, zodat de natuurlijke ventilatie niet als diffuse geurbron heeft te gelden.

In de rapporten van DGMR staat, samengevat weergegeven, dat ieder gebouw een natuurlijke ventilatie heeft en dat DGMR, vanuit haar bouwfysica-deskundigheid, stelt dat het diffuus uittreden van lucht uit het gebouw van de drukkerij onvermijdelijk is. De Afdeling stelt vast dat in het deskundigenbericht van 8 november 2012 van de StAB dat het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, evenals in de rapporten van DGMR, ervan wordt uitgaan dat diffuse emissies kunnen optreden. In de rapporten van DGMR ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte ervan is uitgegaan dat de diffuse emissies in dit geval beperkt zijn en derhalve niet als diffuse geurbron zijn aan te merken.

Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat Buro Blauw de natuurlijke ventilatie van het bedrijfsgebouw ten onrechte niet als afzonderlijke geurbron in het geuronderzoek heeft betrokken.

Het betoog faalt.

10. [appellant] betoogt dat Buro Blauw bij de geurverspreidingsberekeningen is uitgegaan van een verkeerde gemiddelde windrichting. Volgens hem blijkt uit meteogegevens van het weerstation Hengelo dat de gemiddelde windrichting van 2005 tot en met 2011 zuidwest is geweest.

10.1. Buro Blauw is volgens bijlage M van het rapport bij de geurverspreidingsberekeningen uitgegaan van meteogegevens van Schiphol en Eindhoven over de periode 2000 tot en met 2009 die zijn vertaald naar locatiespecifieke meteogegevens. Uit deze meteogegevens volgt dat de gemiddelde windrichting ter plaatse ongeveer zuidwest was. Dit komt overeen met de door [appellant] overgelegde meteogegevens van weerstation Hengelo. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat Buro Blauw bij de geurverspreidingsberekeningen van een verkeerde windrichting is uitgegaan.

Het betoog faalt.

11. [appellant] betoogt dat de resultaten van de geurverspreidingsberekeningen mogelijk geen representatief beeld geven van de geurhinder ter plaatse van zijn woning en bedrijf. Onder verwijzing naar de rapporten van DGMR van 31 augustus 2012 en 13 december 2012 stelt hij in dit verband dat het door Buro Blauw gehanteerde rekenmodel KEMA-Stacks geen rekening houdt met de invloed van het schuine dak van de drukkerij op de geurverspreiding. Volgens hem kan daardoor niet worden uitgesloten dat de berekende geurconcentraties in werkelijkheid hoger liggen dan waarvan het college is uitgegaan.

11.1. In het rapport van Buro Blauw staat dat voor de berekening van de geurverspreiding gebruik is gemaakt van het rekenmodel KEMA-Stacks, versie 12 oktober 2010. In paragraaf 6.3 van het rapport staat dat bij de modelberekening rekening is gehouden met de invloed van de gebouwen op de verspreiding van geur. In het deskundigenbericht van 31 mei 2012 van de StAB staat dat met de gebouwmodule van het gehanteerde rekenmodel de invloed van ingewikkelde gebouwvormen op de geurverspreiding minder goed wordt doorgerekend. Volgens dat deskundigenbericht heeft Buro Blauw bij de verspreidingsberekeningen op juiste wijze zoveel mogelijk rekening gehouden met de invloed van het enigszins schuine dak van de bedrijfshal van de drukkerij door in het rekenmodel uit te gaan van een alternatief gebouw waarbij wat de hoogte betreft is uitgegaan van de nokhoogte van het gebouw van de drukkerij.

[appellant] heeft de juistheid van deze bevindingen in het deskundigenbericht van de StAB niet met concrete argumenten bestreden. In het rapport van DGMR van 13 december 2012 wordt slechts opgemerkt dat het gehanteerde rekenmodel hooguit indicaties kan geven en geen zekerheid kan bieden. Met hetgeen [appellant], mede onder verwijzing naar dit rapport van DGMR verder heeft aangevoerd, is niet aannemelijk gemaakt dat het college de invloed van gebouwen op de geurverspreiding op onjuiste wijze in het onderzoek heeft betrokken.

Het betoog faalt.

12. Gelet op hetgeen in overweging 8 tot en met 11.1 is overwogen, geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van de in het onderzoek van Buro Blauw gehanteerde uitgangspunten en de juistheid van de in het rapport opgenomen conclusies.

13. Wat betreft het onder 7 vermelde betoog van [appellant] dat het college zich bij het besluit van 10 juni 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat voor verdergaande maatwerkvoorschriften ter beperking van de door hem ervaren geurhinder, overweegt de Afdeling als volgt.

13.1. Het college heeft zich bij dat besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het stellen van verdergaande maatwerkvoorschriften, omdat is gebleken dat de geurhinder ter plaatse een aanvaardbaar niveau niet overschrijdt.

Bij het bepalen van het aanvaardbare niveau van geurhinder heeft het college, omdat het geen eigen geurbeleid heeft, aansluiting gezocht bij het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het college heeft het acceptabele geurhinderniveau bepaald aan de hand van onder meer de aard van de geur (hedonische waarde) en de omgeving waarin de inrichting is gelegen. Daarbij heeft het bepaalde geurconcentraties als grens-, richt- en streefwaarden als 98- en 99,5-percentiel gehanteerd.

Volgens het rapport van Buro Blauw worden de streefwaarden nergens in de omgeving van de drukkerij overschreden. Dit geldt voor de gebiedscategorieën wonen en werken.

Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanvaardbaar niveau van geurhinder niet wordt overschreden, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat voor het stellen van nadere maatwerkvoorschriften ter beperking van geurhinder. In de omstandigheid dat [appellant] stelt desalniettemin ernstige geurhinder te ervaren, heeft het college geen aanleiding hoeven zien desalniettemin daartoe over te gaan.

13.2. Ter zitting heeft het college echter te kennen gegeven dat het bij het besluit van 10 juni 2014 wat betreft de beoordeling van de geurhindersituatie ervan is uitgegaan dat IJsseldruk B.V. verplicht is ramen en deuren van het bedrijfsgebouw gesloten te houden, behoudens voor de doorlating van personen en goederen. Ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer is IJsseldruk B.V. daartoe echter niet verplicht. Nu het college een dergelijke waarborg nodig acht, maar hierover bij het bestreden besluit geen maatwerkvoorschrift heeft gesteld, is het besluit van 10 juni 2014 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

13.3. Het betoog slaagt.

Uitstoot van gevaarlijke stoffen

14. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de drukkerij geen gevaarlijke stoffen uitstoot in een concentratie die tot gezondheidsrisico’s kan leiden. Daartoe voert hij aan dat het college zich niet heeft mogen baseren op het rapport van Buro Blauw, omdat in het verrichte onderzoek de berekende emissies van gevaarlijke stoffen mogelijk zijn onderschat. In dit verband voert hij aan dat er in het onderzoek ten onrechte niet van is uitgegaan dat bij het bedrukken van kunststof en plastic producten met plastisol inkt gevaarlijke stoffen zoals weekmakers (ftalaten) vrijkomen, nu deze producten na het bedrukken ervan door een droogtunnel gaan waarbij de producten worden verwarmd. Verder voert hij aan dat de emissie van organische oplosmiddelen door Buro Blauw mogelijk is onderschat. Tot slot voert hij aan dat Buro Blauw ten onrechte niet alle in de inrichting gebruikte inkten bij het onderzoek heeft betrokken.

14.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor het stellen van maatwerkvoorschriften ter beperking van de uitstoot van gevaarlijke stoffen. Daartoe heeft het gewezen op het rapport van Buro Blauw, waaruit volgens het college blijkt dat de drukkerij geen gevaarlijke stoffen uitstoot in concentraties die tot gezondheidsrisico’s kunnen leiden. Het college acht van belang dat de bevindingen van Buro Blauw door de StAB in het deskundigenbericht van 31 mei 2012 worden bevestigd. Verder heeft het college gewezen op een gezondheidskundig advies van GGD Gelre-IJssel van 20 juni 2011, waarin wordt geconcludeerd dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat verblijf in de nabije omgeving van de drukkerij leidt tot gezondheidsrisico’s.

14.2. Uit het rapport van Buro Blauw kan worden afgeleid dat de door de drukkerij uitgestoten concentraties gevaarlijke stoffen, zoals koolwaterstoffen en zoutzuur, niet zodanig zijn dat deze kunnen leiden tot gezondheidsrisico’s bij verblijf in de nabije omgeving van de drukkerij. In het deskundigenbericht van 31 mei 2012 gaat de StAB nader in op de toxische effecten van het drukken met plastisol inkt en toxische effecten van dampen van organische oplosmiddelen. Wat betreft de toxische effecten van de plastisol inkt, wordt in dit deskundigenbericht opgemerkt dat de emissie van waterstofchloride als gasvormig zoutzuur het schadelijkste effect is van het bedrukken met deze inkt, maar dat deze emissie in dit geval verwaarloosbaar klein is. Verder wordt in dit deskundigenbericht uiteengezet dat emissie van weekmakers zich niet zal voordoen, omdat weekmakers niet worden bijgemengd in de PVC-emulsie waaruit de plastisol inkt bestaat. Wat betreft de toxische effecten van de dampen van organische oplosmiddelen, wordt in dit deskundigenbericht opgemerkt dat de door IJsseldruk B.V. gebruikte oplosmiddelen zijn aan te merken als matig toxische stoffen en dat voor dit type stoffen vaak geldt dat de geurdrempelwaarde lager ligt dan de humaan toxicologische grenswaarde. Als geen geur van deze stof waarneembaar is, is de stof ook niet schadelijk, aldus dit deskundigenbericht. Volgens dit deskundigenbericht hoeft dan ook niet te worden gevreesd voor gezondheidsschade indien de geurbelasting voor de omgeving afdoende is beperkt.

14.3. [appellant] heeft in algemene bewoordingen de bevindingen van het deskundigenbericht van 31 mei 2012 betwist, maar geen concrete argumenten aangevoerd waarom de bevindingen van de StAB niet juist zouden zijn. Over zijn stelling dat in de inrichting mogelijk plastic en kunststof producten die met plastisol inkt worden bedrukt in een oven worden verwarmd, waarbij mogelijk weekmakers kunnen vrijkomen, heeft het college in het verweerschrift opgemerkt dat het verwarmen van producten in de droogtunnel plaatsvindt op een temperatuur waarbij de integriteit van het product niet wordt aangetast, zodat geen gevaarlijke stoffen vrijkomen. De meeste droogtunnels zijn niet hoger instelbaar dan 180 ˚C en de verblijftijd van de producten in de tunnel is dusdanig kort dat het gehele product nooit de maximaal ingestelde temperatuur bereikt, aldus het college.

De Afdeling ziet, gelet op de door het college gegeven motivering, geen aanleiding voor het oordeel dat de uitstoot van gevaarlijke stoffen door het college is onderschat.

14.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich wat betreft de uitstoot van gevaarlijke stoffen niet op het rapport van Buro Blauw heeft mogen baseren. Nu uit dat rapport en het daarop gebaseerde gezondheidskundig advies van GGD Gelre-IJssel volgt dat door de drukkerij geen gevaarlijke stoffen worden uitgestoten in een concentratie die leidt tot gezondheidsrisico’s, heeft het college terzake het treffen van maatwerkvoorschriften niet nodig hoeven achten.

14.5. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

15. Onder 4 is geconcludeerd dat het hoger beroep ongegrond is.

16. Gelet op hetgeen onder 13.2 is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 10 juni 2014 gegrond omdat bij dat besluit ten onrechte geen maatwerkvoorschrift is gesteld terzake van het sluiten van ramen en deuren van de drukkerij. Dat besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

17. Het college heeft de Afdeling verzocht zelf voorziend een maatwerkvoorschrift te stellen, inhoudende dat gedurende de tijd dat de drukkerij in werking is, alle ramen en deuren van het bedrijfsgebouw dienen te zijn gesloten, behoudens voor het doorlaten van personen en goederen. [appellant] en IJsseldruk B.V. hebben te kennen gegeven met het voorgestelde maatwerkvoorschrift te kunnen instemmen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf voorziend het door het college voorgestelde maatwerkvoorschrift te stellen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 10 juni 2014, voor zover het is vernietigd.

Proceskosten en griffierecht

18. Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten van [appellant], gemaakt voor het hoger beroep en het bij de rechtbank ingestelde beroep.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van [appellant], gemaakt voor het beroep tegen het besluit van 10 juni 2014 is niet gebleken, nu het formulier proceskosten niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend.

19. [appellant] heeft voor de behandeling van het hoger beroep griffierecht betaald. Voor vergoeding van griffierecht bestaat ingevolge artikel 8:114, eerste lid, van de Awb aanleiding indien de aangevallen uitspraak geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd. Nu de aangevallen uitspraak niet wordt vernietigd, bestaat geen aanleiding het college te gelasten aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

20. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lochem van 10 juni 2014, neergelegd in de brieven met kenmerken 2013-018100/2010-010819 en 018100/2014-012224, gegrond;

III. vernietigt het onder II vermelde besluit, voor zover daarbij geen maatwerkvoorschrift is gesteld ter zake van het gesloten houden van ramen en deuren van het bedrijfsgebouw van IJsseldruk B.V.;

IV. stelt voor de drukkerij op het perceel Holtmark 5 te Harfsen het maatwerkvoorschrift:

"Gedurende de tijd dat de drukkerij in werking is, dienen alle ramen en deuren van het bedrijfsgebouw gesloten te zijn, behoudens voor het doorlaten van personen en goederen."

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II vermelde besluit, voor zover vernietigd.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014

163-784.