Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4211

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201404494/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1646, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:1889, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404494/1/V2.

Datum uitspraak: 11 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 april 2014 in zaak nr. 13/3416 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het verzoek van de vreemdeling om het hoger beroep niet zonder zitting af te doen, onder verwijzing naar een bij de Europese Commissie aanhangige klacht daarover, wordt afgewezen (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2013 in zaak nr. 201309680/1/V3).

2. De staatssecretaris klaagt in de grief allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de veiligheidssituatie voor Tamils die terugkeren naar Sri Lanka is verslechterd. Hij betoogt hiertoe, mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 juli 2013, GJ and Others (post-civil war: returnees) Sri Lanka CG [2013] UKUT 00319 (IAC) (https://tribunalsdecisions.service.gov.uk), dat uit de door de vreemdeling overgelegde en door de rechtbank bij haar oordeel betrokken stukken en het algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 juni 2013 niet blijkt dat iedere Tamil bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en evenmin dat de risicofactoren, die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) heeft genoemd, anders moeten worden beoordeeld.

2.1. De in de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 20 juni 2014 in zaak nr. 201400058/1/V2. Hieruit volgt dat de grief in zoverre slaagt.

3. De staatssecretaris klaagt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar Sri Lanka geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn deelname aan de zogeheten 'Heldendag' op 27 november 2012 en de herdenkingsbijeenkomst op 18 mei 2013 in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan.

3.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De vreemdeling heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn deelname aan de Heldendag en de herdenkingsbijeenkomst in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan of bij terugkeer zal komen te staan. De enkele deelname aan een demonstratie is daarvoor onvoldoende (zie voormelde uitspraak van 20 juni 2014). Ook anderszins heeft de vreemdeling dit nog immer niet aannemelijk gemaakt. De staatssecretaris heeft zijn besluit, mede in het licht van hetgeen volgt uit 2.1. en anders dan de rechtbank heeft overwogen, dan ook deugdelijk gemotiveerd.

De grief slaagt ook in zoverre.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 april 2014 in zaak nr. 13/3416;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bossmann

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014

314-802.