Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4210

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201404003/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Den Bogerd" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404003/1/R6.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

3. [appellant sub 3], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

4. [appellant sub 4], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

5. [appellant sub 5], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

6. [appellante sub 6], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

7. de stichting Stichting Behoud Buitengebied Mortel II, gevestigd te Udenhout, gemeente Tilburg, en anderen,

8. [appellant sub 8], wonend te Udenhout, gemeente Tilburg,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Den Bogerd" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], Stichting BBM en anderen en [appellant sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], Stichting BBM en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2014, waar [appellant sub 5], [appellante sub 6], vertegenwoordigd door mr. J. Schoneveld, Stichting BBM en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [appellant sub 8], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en de raad, vertegenwoordigd door D. Kersten, drs. H. te Brummelstoete, ing. M.T.M. Cillessen, ing. R. Grassens, ing. E.P. Happel, ing. P. Glerum, ing. D.W. Kraaij en E. de Bruin, zijn verschenen. Tevens is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door T.W.G. de Kort en J.M.H.M. Jeukens, bijgestaan door P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg.

Overwegingen

Algemeen toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Strekking plan

2. Het plan voorziet hoofdzakelijk in de bouw van 380 woningen en een school in Udenhout.

Onderbouwing stedelijke ontwikkeling

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 8] betogen dat onduidelijk is of behoefte bestaat aan de ontwikkeling waarin het plan voorziet. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat een aantal nieuwbouwprojecten in de omgeving is stopgezet. [appellant sub 8] voert aan dat de raad stelt te willen voorzien in de behoefte aan woningen van de Udenhoutse bevolking, maar bij de onderbouwing van de behoefte uitgaat van een regionale context. Volgens [appellant sub 8] is dit met elkaar in tegenspraak. Wat de school betreft, stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de bevolking vergrijst.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en Stichting BBM en anderen voeren voorts aan dat de raad onvoldoende heeft verantwoord waarom de ontwikkeling is voorzien buiten bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 3.2 en 3.3 van de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening Ruimte 2012). Zij stellen dat elders voldoende mogelijkheden zijn om de beoogde ontwikkeling binnen het stedelijk gebied te realiseren.

3.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) beschrijft de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

Ingevolge artikel 3.2 van de Verordening Ruimte 2012 zijn bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, kan een bestemmingsplan, in afwijking van artikel 3.2, gelegen in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de verantwoording bedoeld in het eerste lid dat er financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde vorm van stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied van een van de kernen van de gemeente te situeren, in het bijzonder door middel van inbreiden, herstructureren, intensiveren, meervoudig ruimtegebruik of enige andere vorm van zorgvuldig ruimtegebruik.

3.2. In de plantoelichting staat - samengevat weergegeven - dat de gemeente Tilburg samen met zeven andere gemeenten deel uitmaakt van de regio Hart-van-Brabant, waarvoor jaarlijks afspraken met de provincie Noord-Brabant worden gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave. De basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en huishoudensprognose. De woningbouwopgave voor Tilburg behelst tot minimaal 2025 gemiddeld ongeveer 1.000 woningen per jaar. De effectieve vraag ligt als gevolg van de crisis vooralsnog lager, in verband waarmee het gemeentelijke bouwprogramma tot 2020 op gemiddeld 850 woningen per jaar wordt gehouden. Hiermee is volgens de plantoelichting de actuele regionale behoefte aangetoond.

Voorts staat in de plantoelichting dat de woningbouwopgave vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. De omvang van de bouwopgave, maar meer nog de kwalitatieve variatie daarin, maakt het echter nodig om in beperkte mate te bouwen buiten het bestaand stedelijk gebied, in het zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Tilburg beschikt over twee dorpen waar voorzien wordt in de sterke vraag naar woningen in een dorps woonmilieu. Udenhout richt zich voornamelijk op de eigen behoefte en Berkel-Enschot op de gemeentebrede behoefte. Met het plangebied Den Bogerd wordt invulling gegeven aan de uitdrukkelijke wens van de Udenhoutse bevolking, die blijkt uit het periodieke Kwalitatief WoningBehoefte Onderzoek, om in het dorp voor de eigen behoefte te mogen bouwen. Dit mede om de leefbaarheid van het dorp en de draagkracht/vitaliteit van het lokale voorzieningenniveau te waarborgen en ook jongeren in staat te stellen in het dorp te blijven wonen. De woningbehoefte in de komende tien jaar in Tilburg - en specifiek die aan een dorps woonmilieu - toont volgens de plantoelichting de noodzaak en het openbaar belang van de ontwikkeling van het plan Den Bogerd aan. Dit te meer omdat Den Bogerd het enige in Udenhout gelegen gebied is waarin meerjarig gefaseerd, gericht op de Udenhoutse woningvraag, gebouwd kan worden. Volgens de plantoelichting zijn binnendorpse plekken nu niet voorhanden en die welke op termijn misschien beschikbaar komen, zijn te beperkt in aantal en capaciteit voor een evenwichtige fasering met betrekking tot de behoefte en de doelstellingen tot borging van de leefbaarheid.

In de plantoelichting staat voorts dat de in het plan voorziene school is bedoeld als ondersteunende functie ten behoeve van de woningen. Op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober 2013 bestaat een tekort aan ruimte in de schoolgebouwen van de Mussenacker en de Achthoeven. Daarnaast maakt basisschool de Achthoeven voor haar onderwijs momenteel gebruik van drie schoolwoningen in het complex Perweide, die minder geschikt zijn voor het geven van onderwijs. Onderdeel van de plannen voor een nieuwe onderwijsvoorziening in Den Bogerd is het opzeggen van de huur van de drie schoolwoningen, die hiermee beschikbaar kunnen komen voor andere functies, aldus de plantoelichting.

3.3. Niet in geschil is dat het plan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uiteenzetting over de actuele regionale behoefte in de plantoelichting onvolledig of onjuist is. Hiertoe is onvoldoende de stelling dat een aantal nieuwbouwprojecten in de omgeving is stopgezet. Anders dan [appellant sub 8] stelt, is de wens van de raad met de woningen te voorzien in de behoefte aan woningen van de huidige inwoners van Udenhout niet tegenstrijdig met de beoordeling van de actuele regionale behoefte aan de woningen. De behoefte aan nieuwe woningen van de huidige inwoners van Udenhout is immers een onderdeel van de totale woningbehoefte in de regio. Verder hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onvoldoende weersproken dat de school voorziet in de behoefte aan onderwijsruimte die voortkomt uit de bouw van de woningen. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a van het Bro is vastgesteld.

3.4. Niet in geschil is dat het plan eveneens een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in de zin van artikel 3.2 van de Verordening Ruimte 2012. Evenmin is in geschil dat het plangebied behoort tot een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Stichting BBM en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat - anders dan waarvan de raad is uitgegaan - binnen het stedelijk gebied in Udenhout aan het plangebied gelijkwaardige mogelijkheden bestaan om te voorzien in de behoefte aan 380 woningen in een dorps woonmilieu. Daarom biedt hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.2 en 3.3 van de Verordening Ruimte 2012 is vastgesteld.

Natura 2000

4. Stichting BBM en anderen en [appellant sub 8] betogen dat een passende beoordeling had moeten worden gemaakt van de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen" en "Kampina & Oisterwijkse Vennen". Stichting BBM en anderen voeren aan dat de voorziene woonwijk wat betreft het eerstgenoemde gebied barrièrewerking tot gevolg kan hebben. Ter zitting hebben zij in dit verband gesteld dat ten onrechte niet is onderzocht in hoeverre het plangebied een migratieroute is voor beschermde soorten in dit gebied. Ook leidt het plan volgens Stichting BBM en anderen tot een belasting van de gebieden vanwege onder meer een toename van verkeer en recreatie. De gevolgen van het plan hadden volgens Stichting BBM en anderen in samenhang met andere ontwikkelingen moeten worden beoordeeld.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten en verwijst hiertoe naar het rapport "Voortoets woningbouw Udenhout" van Royal Haskoning van 29 mei 2013 (hierna: de voortoets). Ter zitting heeft de raad gesteld dat het plangebied geen migratieroute is voor beschermde soorten in het gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen". De maatregelen die worden getroffen in het kader van de herbegrenzing van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) ten behoeve van het plan voorzien juist in de realisering van zo’n migratieroute, aldus de raad ter zitting.

4.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

4.3. In de voortoets is aan de hand van negentien zogenoemde storingsfactoren beoordeeld of het plan mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden "Kampina & Oisterwijkse Vennen" en "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen". De conclusie voor het eerstgenoemde gebied is dat negatieve gevolgen kunnen worden uitgesloten, omdat het plangebied op meer dan 5 km van dat Natura 2000-gebied is gelegen. Over mogelijke versnippering van het gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen" staat in de voortoets dat het plangebied geen onderdeel van dit gebied is, maar dat het deel van het plangebied waar nu woningen zijn voorzien eerder wel onderdeel was van het zoekgebied voor een ecologische verbindingszone tussen twee delen van dit Natura 2000-gebied. Het zoekgebied is inmiddels echter verschoven, zodat de voorziene woningbouw daarop geen invloed heeft. Volgens de voortoets kunnen effecten van geluid, licht en trilling worden uitgesloten omdat de instandhoudingsdoelstellingen daarvoor niet gevoelig zijn en omdat de effecten van het project dusdanig beperkt zijn dat deze ecologisch niet meetbaar zijn. De realisering van het plan zal volgens de voortoets zeker niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Over de gevolgen van het plan in combinatie met andere plannen of projecten staat in de voortoets dat hierbij vooral storingsfactoren van belang zijn waarop het project zelf al mogelijke effecten heeft. Omdat in dit geval effecten van storingsfactoren afwezig zijn, is verdere toetsing van dit aspect niet nodig. De conclusie van de voortoets is dat het plan zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen meetbare effecten op de Natura 2000-gebieden heeft.

4.4. De door Stichting BBM en anderen genoemde mogelijke negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden zijn in de voortoets beoordeeld. Stichting BBM en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze beoordeling onvolledig of onjuist is. Hierbij is van belang dat de raad ter zitting heeft gesteld dat het plangebied geen migratieroute bevat voor beschermde soorten in het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen" en dat in het kader van de herbegrenzing van de EHS ten behoeve van het plan een dergelijke migratieroute wordt aangelegd. [appellant sub 8] heeft de bevindingen van de voortoets niet gemotiveerd bestreden. Hetgeen Stichting BBM en anderen en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998.

EHS

5. Stichting BBM en anderen betogen dat het plan leidt tot aantasting van de EHS en daarom in strijd is met artikel 4.2 van de Verordening Ruimte 2012. De begrenzing van de EHS is ten behoeve van het plan weliswaar gewijzigd door gedeputeerde staten, maar aan de voorwaarden voor wijziging in artikel 4.7 van de Verordening Ruimte 2012 is volgens Stichting BBM en anderen niet voldaan. Er is geen sprake van een groot openbaar belang, omdat geen behoefte bestaat aan de woningen waarin het plan voorziet. Ter zitting hebben Stichting BBM en anderen gesteld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de specifieke situatie rond de woningbehoefte in Udenhout. Zij stellen voorts dat alternatieve locaties buiten de EHS voorhanden zijn. Tevens stellen zij dat de compensatie van de negatieve effecten onvoldoende is, aangezien essentiële schakels tussen de nieuwe delen van de EHS ontbreken.

5.1. De raad wijst erop dat gedeputeerde staten het verzoek tot wijziging van de EHS aan de Verordening Ruimte 2012 hebben getoetst en hiermee akkoord zijn gegaan. Als compensatie wordt een verbinding gecreëerd tussen de deelgebieden De Brand en Leemkuilen van het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen". Deze verbinding is volgens de raad van veel groter belang dan de EHS in het plangebied.

5.2. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge artikel 4.7, eerste lid, kunnen gedeputeerde staten de begrenzing van de EHS wijzigen indien uit het verzoek van de gemeente om herbegrenzing blijkt dat:

a. er sprake is van een groot openbaar belang;

b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de ecologische hoofdstructuur;

c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn waardoor de aantasting van ecologische hoofdstructuur wordt voorkomen;

d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 4.11.

Ingevolge artikel 4.11, eerste lid, gaat een verzoek als bedoeld in de artikel 4.7 vergezeld van een compensatieplan.

Ingevolge het tweede lid omvat een compensatieplan ten minste:

a. het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken dat optreedt;

b. de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd;

c. de ruimtelijke begrenzing van het te compenseren gebied en de compensatie;

d. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie;

(…)

een en ander onder toepassing van artikel 4.12.

Ingevolge artikel 4.12, eerste lid, mag door compensatie geen netto verlies ontstaan aan ecologische waarden en kenmerken van het desbetreffende gebied in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

In het tweede lid is bepaald dat compensatie:

a. plaatsvindt aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat;

b. plaatsvindt door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied, indien fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is;

c. kan plaatsvinden in de niet gerealiseerde delen van de ecologische hoofdstuctuur.

5.3. Bij besluit van 14 januari 2014 hebben gedeputeerde staten met toepassing van artikel 4.7 van de Verordening Ruimte 2012 de begrenzing van de EHS zoals opgenomen in de bijlage van de Verordening Ruimte 2012 ten behoeve van het voorliggende plan gewijzigd (hierna: het herbegrenzingsbesluit). Dit besluit houdt een algemeen verbindend voorschrift in waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2014 in zaak nr. 201303908/1/R3). Dit betekent echter niet dat het herbegrenzingsbesluit in het geheel niet kan worden getoetst. Artikel 8:3, aanhef en onder a, van de Awb staat namelijk niet in de weg aan de mogelijkheid van zogenoemde exceptieve toetsing. Dit houdt in dat aan het herbegrenzingsbesluit verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval het college van gedeputeerde staten - om alle verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2005 in zaak nr. 200410466/1).

5.4. In het herbegrenzingsbesluit wijzen gedeputeerde staten wat betreft het groot openbaar belang op de behoefte aan woningen in Udenhout. Stichting BBM en anderen hebben in dit verband gesteld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de specifieke situatie rond de woningbehoefte in Udenhout. Zoals hiervoor onder 3.2 is vermeld, staat in de plantoelichting dat de verwachte behoefte aan woningen in de gemeente Tilburg is gebaseerd op de periodieke provinciale bevolkings- en huishoudensprognose. Tevens staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in de wens van de Udenhoutse bevolking om in het dorp voor de eigen behoefte te mogen bouwen. Hierbij wordt verwezen naar het periodieke Kwalitatief WoningBehoefte Onderzoek. Stichting BBM en anderen hebben niet onderbouwd waarom deze gegevens niet toereikend zouden zijn voor de beoordeling van de behoefte aan woningen waarin het plan voorziet. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat gedeputeerde staten zich in het herbegrenzingsbesluit niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan een groot openbaar belang dient.

5.5. Wat betreft mogelijke alternatieve locaties voor de woningbouw is hiervoor onder 3.4 reeds overwogen dat Stichting BBM en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat binnen het stedelijk gebied in Udenhout aan het plangebied gelijkwaardige mogelijkheden bestaan om te voorzien in de behoefte aan 380 woningen in een dorps woonmilieu. Zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat deze woningen kunnen worden gerealiseerd op een locatie die is gelegen buiten zowel het stedelijk gebied als de EHS. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat gedeputeerde staten zich in het herbegrenzingsbesluit niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de EHS.

5.6. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat de voorziene compensatie van het verlies van EHS in kwantitatief opzicht toereikend is. Stichting BBM en anderen hebben wat betreft de kwaliteit van de compensatie gewezen op het ontbreken van wat zij noemen essentiële schakels in de voorziene ecologische verbindingszone tussen de deelgebieden De Brand en Leemkuilen van het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen". Gelet op artikel 4.12, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening Ruimte 2012 dient compensatie plaats te vinden door realisering van waarden die kwalitatief gelijkwaardig zijn aan het gebied dat verloren gaat. Stichting BBM en anderen hebben onvoldoende weersproken dat de voorziene ecologische verbindingszone in kwalitatief opzicht van grotere waarde is dan het deel van de EHS dat in het plangebied verloren gaat. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene compensatie van de negatieve effecten voor de EHS als gevolg van de realisering van het plan niet voldoet aan de eisen die de Verordening Ruimte 2012 daaraan stelt.

5.7. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het herbegrenzingsbesluit is vastgesteld in strijd met artikel 4.7 van de Verordening Ruimte 2012. Dit betekent dat het plangebied niet is gelegen in de EHS en de raad het plan daarom niet in strijd met artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012 heeft vastgesteld.

6. Stichting BBM en anderen voeren tevens aan dat het plan leidt tot aantasting van de delen van de EHS die grenzen aan het plangebied, hetgeen in strijd is met artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening Ruimte 2012. Zij stellen dat de rondweg leidt tot verstoring en verzuring van de EHS en dat de woningen leiden tot vergroting van de druk op de EHS. Naar deze gevolgen heeft de raad ten onrechte geen onderzoek gedaan, aldus Stichting BBM en anderen.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot aantasting van de delen van de EHS die grenzen aan het plangebied. Op de betrokken gronden zijn nu nog geen natuurwaarden aanwezig. De gronden zullen worden ingericht als buffer tussen het plangebied en de aangrenzende gronden in de EHS, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening Ruimte 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de EHS en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken bedoeld in artikel 4.11.

6.3. Stichting BBM en anderen hebben onvoldoende weersproken dat de gronden in de EHS die grenzen aan het plangebied nog geen natuurwaarden bevatten en zullen worden ingericht als buffer tussen het plangebied en de EHS. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening Ruimte 2012.

Groenblauwe mantel

7. Stichting BBM en anderen voeren voorts aan dat het plandeel met de bestemming "Verkeer" voorziet in een rondweg in de groenblauwe mantel, hetgeen volgens hen in strijd is met artikel 6.3 van de Verordening Ruimte 2012.

7.1. De raad stelt dat Stichting BBM en anderen in hun zienswijze niet hebben aangevoerd dat het ontwerpplan met deze bepaling van de Verordening in strijd is en dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. Voorts stelt de raad, onder verwijzing naar artikel 6.1 van de Verordening Ruimte 2012, dat de groenblauwe mantel niet tot op de meter nauwkeurig is vastgesteld.

7.2. Anders dan de raad veronderstelt, staat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De zienswijze van Stichting BBM en anderen is gericht tegen het hele ontwerpplan. Daarom bestaat geen aanleiding het beroep van Stichting BBM en anderen niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer".

7.3. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012 zijn als groenblauwe mantel aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 50 meter zijn vastgelegd.

In artikel 6.3, eerste lid, is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het tweede lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard.

7.4. In de toelichting op de Verordening Ruimte 2012 staat dat de kaartlaag zoekgebied stedelijke ontwikkeling geen overlap kan hebben met de groenblauwe mantel. Tevens staat in de toelichting dat de feitelijke uitwerking en concretisering van de grenzen van de groenblauwe mantel plaatsvindt in de bestemmingsplannen van de gemeenten.

7.5. Gelet op de kaart van de Verordening Ruimte 2012, bezien in het licht van artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012, de toelichting daarop, en de omstandigheid dat - zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen - niet in geschil is dat het plangebied behoort tot een zoekgebied stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2012, is de Afdeling van oordeel dat het plangebied niet is gelegen in de groenblauwe mantel. Het plan is daarom niet vastgesteld in strijd met artikel 6.3 van de Verordening Ruimte 2012.

Geluidhinder

8. De raad heeft bij de vaststelling van het plan gebruik gemaakt van het "Rapport akoestisch onderzoek" van Croonen Adviseurs van 25 november 2013 (hierna: het akoestisch onderzoek). Hierin staat dat de voorziene gebiedsontsluitingsweg in het plangebied een 50 km/u-weg is en om deze reden gezoneerd is in de zin van de Wet geluidhinder. De conclusie van het akoestisch onderzoek is dat bij zowel de nieuwe als de bestaande woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB indien de weg wordt voorzien van een dunne deklaag type 2. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek de geluidbelasting beoordeeld vanwege de 30 km/u-wegen in het plangebied en de omgeving daarvan. De conclusie in dit verband is dat voor zowel de nieuwe als de bestaande woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

9. [appellant sub 1], [appellant sub 2], Stichting BBM en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het akoestisch onderzoek had moeten uitgaan van het Reken- en meetvoorschrift 2012 (hierna: RMV 2012).

9.1. De raad stelt dat de voorbereiding van de ontwikkeling waarin het plan voorziet, is aangevangen voordat de Wet geluidproductieplafonds in werking trad en dat om deze reden het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMV 2006) is toegepast. De raad wijst op artikel XI, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds.

9.2. Het RMV 2012 is vastgesteld op grond van, onder meer, de Wet geluidhinder en de Invoeringswet geluidproductieplafonds en op 1 juli 2012 in werking getreden (Staatscourant 2012, nr. 11810).

Ingevolge artikel 8.1 van het RMV 2012 wordt het RMV 2006 ingetrokken.

9.3. Ingevolge artikel XI, eerste lid, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds, die op 1 juli 2012 in werking is getreden, blijft de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de onderstaande besluiten of handelingen, totdat deze onherroepelijk zijn geworden:

a. het vaststellen en goedkeuren van een bestemmingsplan met toepassing van de Wet geluidhinder waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet;

(…).

Ingevolge het tweede lid kan de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tevens worden toegepast op de in het eerste lid genoemde besluiten, totdat deze onherroepelijk zijn geworden, indien de in de onderdelen a tot en met g genoemde handelingen met betrekking tot deze besluiten hebben plaatsgevonden vóór de eerste dag van:

a. de twaalfde maand volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet indien het onderdeel a betreft, daaronder tevens begrepen de onder c opgenomen hogere waarden besluiten die daar mee samenhangen;

(…).

9.4. Het ontwerpplan is op 24 juni 2013 ter inzage gelegd. Dit is vóór de eerste dag van de twaalfde maand volgend op 1 juli 2012. Uit artikel XI, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds volgt daarom dat de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving, waaronder het RMV 2006, kan worden toegepast op het onderhavige plan wat betreft de daarin voorziene gebiedsontsluitingsweg. Voor zover het akoestisch onderzoek betrekking heeft op niet-gezoneerde wegen waarvoor in het kader van de goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting is bepaald, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid eveneens heeft kunnen uitgaan van het RMV 2006. Daarom faalt het betoog.

10. [appellant sub 1] wijst erop dat naar aanleiding van zijn zienswijze het akoestisch onderzoek is bijgewerkt aan de hand van nieuwe cijfers over de verkeersbelasting in het plangebied. Volgens hem is onzeker of nu wel deugdelijk onderzoek is gedaan.

10.1. [appellant sub 1] heeft niet gesteld welke uitgangspunten van het akoestisch onderzoek onjuist zouden zijn. Dat volgens hem onzeker is of deugdelijk onderzoek is gedaan, is onvoldoende voor het oordeel dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog faalt.

11. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] stellen dat het akoestisch onderzoek rekening houdt met het gebruik van een dunne deklaag voor de gebiedsontsluitingsweg, maar dat onduidelijk is wanneer die wordt aangebracht. Hierdoor is de geluidbelasting voor een groot deel van de planperiode onderschat. Ook had volgens hen rekening moeten worden gehouden met het bouwverkeer dat in het plangebied rijdt.

11.1. De raad stelt dat het akoestisch onderzoek voor de toekomstige situatie uitgaat van het jaar waarin de woningbouw is gerealiseerd en de gebiedsontsluitingsweg is opengesteld. De raad verwijst hierbij naar artikel 3.1 van het RMV 2006 en de toelichting daarop. De dunne deklaag wordt niet direct aangebracht, omdat deze dan door zwaar bouwverkeer kapot zou worden gereden, aldus de raad.

11.2. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het RMV 2006 wordt onder maatgevende verkeersintensiteit verstaan: verkeersintensiteit, zoals die, in het voor de geluidbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak, optreedt.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een weg rekening gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën motorvoertuigen.

11.3. In de toelichting op artikel 3.1 van het RMV 2006 staat dat in de gevallen waarin zich geen bijzondere omstandigheden voordoen als het maatgevende jaar kan worden aangehouden het tiende jaar na openstelling of reconstructie van de weg of, in bestaande situaties, het tiende jaar na het akoestisch onderzoek.

11.4. In het akoestisch onderzoek is voor de toekomstige situatie uitgegaan van 2023 als het voor de geluidbelasting bepalende jaar. Gelet op het bepaalde in artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 3.1, eerste lid, van het RMV 2006 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van dit jaar heeft mogen uitgaan. De raad heeft in zoverre dan ook geen rekening hoeven te houden met de situatie tijdens de bouw, waarin nog geen dunne deklaag op de gebiedsontsluitingsweg is aangebracht en bouwverkeer over die weg rijdt.

12. [appellant sub 2] stelt dat zijn woning aan de Huysacker in het akoestisch onderzoek had moeten worden betrokken, omdat deze weg nu nog doodlopend is, maar na uitvoering van het plan doorgaand wordt.

12.1. De raad stelt dat toetspunt 52 van het akoestisch onderzoek representatief is voor de woning van Heessen en dat de geluidbelasting daar met 44 dB op een aanvaardbaar niveau ligt.

12.2. Gelet op bijlage 3G bij het akoestisch onderzoek is hierin rekening gehouden met doorgaand verkeer op de Huysacker. [appellant sub 2] heeft niet gemotiveerd bestreden dat toetspunt 52 representatief is voor zijn woning. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft de beoordeling van de geluidbelasting van de woning van [appellant sub 2] vanwege de Huysacker niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Overige gevolgen woon- en leefklimaat

13. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5], Stichting BBM en anderen en [appellant sub 8] betogen dat het plan het woon- en leefklimaat van omwonenden aantast, met name vanwege vermindering van privacy en verlies van uitzicht. [appellant sub 5] heeft ter zitting naar voren gebracht dat op korte afstand van zijn woning twee nieuwe woningen zijn voorzien, terwijl die volgens hem ook op grotere afstand mogelijk gemaakt hadden kunnen worden. Tevens heeft hij erop gewezen dat de maximale bouwhoogte van deze woningen 7 m is, terwijl elders nabij bestaande woningen de maximale bouwhoogte meestal 4 m is. [appellant sub 8] heeft ter zitting gesteld dat zijn dakterras na realisering van het plan geen privacy meer biedt. [appellant sub 2] en Stichting BBM en anderen stellen dat de raad had moeten voorzien in zogenoemde wisselstroken als buffer tussen de nieuwe en de bestaande woonwijk.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de uitvoering van het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden.

13.2. Niet in geschil is dat het plangebied in de huidige situatie wordt gebruikt voor agrarische doeleinden en voor het grootste deel onbebouwd is. De woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5], de natuurlijke personen namens wie Stichting BBM mede opkomt en [appellant sub 8] staan op korte afstand van het plangebied. Nabij deze woningen voorziet het plan in woonbebouwing. Hierdoor zal het woon- en leefklimaat van omwonenden veranderen en kan voor hen een verlies aan privacy en uitzicht ontstaan. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gemoeid met de realisering van het plan. Hierbij is van belang dat de maximale bouwhoogte van de woningen nabij de bestaande woonwijk tussen 4 en 7 m is en hiermee - gelet op het verhandelde ter zitting - aansluit bij de hoogte van de bestaande bebouwing. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat de woningen nabij zijn perceel op grotere afstand hadden kunnen worden geplaatst, is van belang dat hiervoor, gelet op de voorziene groenstrook ten noorden van deze woningen, de stedenbouwkundige structuur ter plaatste had moeten worden gewijzigd.

De betogen falen.

14. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellante sub 6] vrezen de gevolgen van de gebiedsontsluitingsweg die nabij hun woningen is voorzien. Ter zitting heeft [appellante sub 6] in dit verband gesteld dat op de weg langs haar woning nu nog ongeveer 37 motorvoertuigen per etmaal passeren, terwijl dit er na de realisering van het plan ongeveer 3.500 zijn.

14.1. De raad stelt dat de plek van de gebiedsontsluitingsweg is bepaald door de grondpositie van de gemeente en de wens om de weg aantrekkelijk te maken voor verkeer van en naar de N65. Door de weg verder van de bestaande woningen aan te leggen, zou de kans op sluipverkeer door de bestaande wijken groter worden, aldus de raad.

14.2. Niet in geschil is dat als gevolg van de realisering van de gebiedsontsluitingsweg bij de woningen van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellante sub 6] in vergelijking met de huidige situatie een veelvoud aan motorvoertuigen zal passeren. Hierdoor kan hun woon- en leefklimaat verslechteren. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt echter dat wat betreft mogelijke geluidhinder van de gebiedsontsluitingsweg wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder. De Afdeling ziet ook voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellante sub 6] die de raad in redelijkheid niet heeft kunnen aanvaarden. Daarom falen de betogen.

15. Stichting BBM en anderen betogen dat de plangrens ten noorden van de Baksenbosch ten onrechte door enkele tuinen loopt. Hoewel de gemeente stelt eigenaar te zijn van de betrokken gronden, is het recht tot opeising verjaard, aldus Stichting BBM en anderen.

15.1. De raad stelt dat de plangrens is gebaseerd op de eigendomsgegevens van het Kadaster.

15.2. Ingevolge artikel 7k, eerste lid, van de Kadasterwet gebruikt een bestuursorgaan, indien het bij de vervulling van zijn publiekrechtelijke taak een gegeven nodig heeft dat krachtens deze wet als authentiek gegeven in de basisregistratie kadaster of topografie beschikbaar is, dat authentieke gegeven.

Ingevolge het tweede tot en met vierde lid kan een bestuursorgaan een ander gegeven gebruiken dan een krachtens deze wet beschikbaar authentiek gegeven, indien aan de in die leden gestelde voorwaarden is voldaan.

15.3. Niet in geschil is dat de plangrens is gebaseerd op de authentieke gegevens in de basisregistratie kadaster als bedoeld in artikel 7k, eerste lid, van de Kadasterwet. Evenmin is in geschil dat zich in dit geval niet één van de uitzonderingen in artikel 7k, tweede tot en met vierde lid, van de Kadasterwet voordoet. De raad heeft bij de vaststelling van het plan dan ook terecht gebruik gemaakt van de voormelde authentieke gegevens. Reeds hierom faalt het betoog.

Flora- en faunawet

16. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Stichting BBM en anderen voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor door de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) beschermde soorten. Zij wijzen erop dat in de omgeving van het plangebied kamsalamanders zijn waargenomen. Zij stellen dat ook daar onderzoek gedaan had moeten worden. Stichting BBM en anderen stellen tevens dat de raad niet heeft onderkend dat het plangebied een belangrijk leefgebied voor amfibieën is. Zij wijzen in dit verband op het rapport "Quick-scan Udenhout" van ecologisch adviesbureau Henk Baptist van 28 juni 2014. Zij voeren verder aan dat het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen bevat van das, huismus en steenuil, die worden verstoord door de uitvoering van het plan. Om deze reden is een ontheffing op grond van de Ffw nodig, maar aan de voorwaarden voor verlening daarvan kan niet worden voldaan. Er zijn namelijk andere bevredigende oplossingen voor het plan voorhanden. Bovendien is geen sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, aldus Stichting BBM en anderen.

16.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar een rapport van ecologisch adviesbureau Coolen van augustus 2011 en een rapport van RAVON van september 2014 op het standpunt dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het plangebied is geen leefgebied voor de kamsalamander, omdat het geen geschikte voortplantingsbiotoop bevat. Kamsalamanders zijn in het plangebied ook niet waargenomen. Evenmin is het plangebied een belangrijk leefgebied voor andere amfibieën. Verder is de raad van mening dat voor das, huismus en steenuil een ontheffing kan worden verleend. De raad wijst hierbij op de compenserende en mitigerende maatregelen die zijn voorzien in het "Plan van aanpak verplaatsing dassen" en het "Mitigatie- en compensatieplan voor de steenuil en huismus".

16.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

16.3. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan Onze Minister ontheffing verlenen van het bij het bepaalde bij of krachtens artikel 8 tot en met 15a.

Ingevolge het vijfde lid worden ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, wordt, onverminderd het vijfde lid, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse diersoorten ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onderdeel c, van de Ffw aangewezen:

(…)

e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

(…)

j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.

16.4. In het rapport van ecologisch adviesbureau Coolen van augustus 2011 staat dat in en/of nabij de watergang in het plangebied enkele exemplaren van de bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad zijn waargenomen. Voortplanting van deze amfibiesoorten is niet vastgesteld. De genoemde amfibiesoorten zullen het onderzoeksgebied zeer waarschijnlijk alleen gebruiken als (tijdelijk) land- en/of overwinteringsbiotoop. Geschikte voortplantingsbiotopen komen binnen het onderzoeksgebied niet voor. Zowel de bruine kikker als de bastaardkikker en gewone pad komen algemeen in Noord-Brabant en binnen de gemeente Tilburg voor. De kans dat andere minder algemene amfibiesoorten het plangebied zullen bezoeken is bijzonder klein tot uitgesloten, aangezien geschikt leefgebied ontbreekt binnen het plangebied, aldus het rapport.

In de door Stichting BBM en anderen overgelegde quick scan van ecologisch adviesbureau Henk Baptist staat dat bij een veldbezoek op 24 juni 2014 in de watergang in het plangebied enkele (larven van) amfibiesoorten zijn waargenomen. Dit toont volgens de quick scan aan dat het onderzoek van Cools ontoereikend is geweest. In de quick scan wordt geconcludeerd dat op dit moment de nodige kennis ontbreekt om te kunnen beoordelen of sprake is van aantasting van voortplantings- en of leefgebied van beschermde amfibieën, maar dat het voor de hand ligt dat voor deze soorten een ontheffing van de Ffw vereist is.

In het door de raad overgelegde rapport van RAVON van september 2014 wordt het onderzoek van Coolen naar amfibieën aangemerkt als gedegen, maar wordt aanbevolen in het kader van een aanvraag om ontheffing op grond van de Ffw nog een beoordeling te maken van de waarde van het plangebied voor de duurzame instandhouding van beschermde soorten in een ruimere omgeving.

Ter zitting heeft de ecoloog van de gemeente uiteengezet dat Baptist in het plangebied weliswaar enkele amfibieën heeft aangetroffen, maar dat daaruit niet volgt dat het plangebied functioneel leefgebied voor deze soorten bevat. Daarvoor is volgens de ecoloog nodig dat de soorten in het gebied kunnen verblijven, foerageren en zich voortplanten. Dit laatste is in het plangebied niet het geval, omdat daarvoor geen geschikt water beschikbaar is. In de watergang in het plangebied komen namelijk stekelbaarzen voor, die larven eten. Bovendien staat de watergang vaak droog, aldus de ecoloog ter zitting.

16.5. Gelet op de rapporten van Cools en RAVON, bezien in het licht van de toelichting van de ecoloog van de gemeente ter zitting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft de mogelijke gevolgen voor door de Ffw beschermde amfibieën niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw vanwege amfibieën in het plangebied aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Wat betreft de gevolgen van het plan voor beschermde amfibieën buiten het plangebied wordt in het rapport van RAVON weliswaar aanbevolen in het kader van een aanvraag om ontheffing op grond van de Ffw nog een beoordeling te maken van de waarde van het plangebied voor de duurzame instandhouding van beschermde amfibieën in een ruimere omgeving, maar dit betekent niet dat de raad wat dit betreft op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Hierbij is van belang dat, gelet op de toelichting van de ecoloog van de gemeente ter zitting, ervan moet worden uitgegaan dat de deelgebieden De Brand en Leemkuilen van het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen, De Brand & Leemkuilen" voor amfibieën in de omgeving het voornaamste leefgebied zijn en dat het plangebied in de huidige situatie geen functioneel leefgebied is vanwege het ontbreken van voortplantingswater. Bovendien voorziet het plan in de aanleg van een ecologische verbindingszone tussen de twee voormelde deelgebieden.

16.6. Niet in geschil is dat de uitvoering van het plan ten aanzien van de soorten das, huismus en steenuil leidt tot overtredingen van de Ffw. De Afdeling ziet in hetgeen Stichting BBM en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat ontheffingverlening voor deze overtredingen niet mogelijk is. Wat mogelijke andere bevredigende oplossingen betreft, is van belang dat, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 en 5.5 is overwogen, Stichting BBM en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat elders binnen Udenhout aan het plangebied gelijkwaardige mogelijkheden bestaan om te voorzien in de behoefte aan 380 woningen in een dorps woonmilieu. Wat betreft het belang waarvoor ontheffing kan worden verleend, is in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling als mogelijkheid aangewezen. Gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201107056/1/T1/A3 is niet uitgesloten dat dit belang ten grondslag kan worden gelegd aan ontheffingverlening met betrekking tot vogelsoorten indien de overtreding een verstoring betreft die niet van wezenlijke invloed is. Stichting BBM en anderen hebben niet gesteld dat hieraan in het onderhavige geval met betrekking tot de huismus en steenuil niet kan worden voldaan. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw ten aanzien van de soorten das, huismus en steenuil aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Financieel-economische aspecten

17. Stichting BBM en anderen betogen dat de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode van 10 jaar niet is gewaarborgd. Zij wijzen in dit verband op de exploitatieberekening van het exploitatieplan die uitgaat van een uitgifteperiode van 13 jaar.

17.1. De raad stelt dat hij verwacht dat het plan binnen 10 jaar gerealiseerd is. Het exploitatieplan gaat uit van een behoudend scenario om te voorkomen dat de rentelasten te laag worden ingeschat. De raad stelt dat het exploitatieplan een doorlooptijd heeft van 11 jaar vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2023. Gelet op de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2014 is de doorlooptijd dus 10 jaar, aldus de raad.

17.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar.

17.3. Stichting BBM en anderen hebben de toelichting van de raad over de uitvoering van het plan onvoldoende gemotiveerd bestreden. Daarom biedt hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar.

18. [appellant sub 2] voert aan dat de kosten voor de gebiedsontsluitingsweg in het exploitatieplan volledig aan het bestemmingsplan hadden moeten worden toegerekend.

18.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge artikel 8.2, vierde lid, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

18.2. [appellant sub 2] is geen eigenaar van in het exploitatieplan opgenomen gronden. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellant sub 2] een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot deze gronden. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 2] die rechtstreeks zijn betrokken bij de vaststelling van het financiële deel van het exploitatieplan, kan hij in zoverre niet worden aangemerkt als belanghebbende. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 2], voor zover het is gericht tegen het financiële deel van het exploitatieplan, niet-ontvankelijk is.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Relativiteit

20. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepasselijkheid van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of dat artikel van de Awb van toepassing is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het financiële deel van het exploitatieplan "Den Bogerd";

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Hagen w.g. Jacobs

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

717.