Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201403034/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:3904, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de besliscommissie het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade als gevolg van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan afgewezen.

Wetsverwijzingen
Luchtvaartwet
Luchtvaartwet 24
Luchtvaartwet 27
Wet luchtvaart
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol 9
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0277
JB 2015/9
JOM 2015/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403034/1/A2.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], [appellante B] en [appellante C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]), gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2014 in zaak nr. 13/2477 in het geding tussen:

[appellante]

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de besliscommissie het verzoek van [appellante] om vergoeding van schade als gevolg van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft de besliscommissie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De besliscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.R. Buiten, advocaat te Haarlem, en de besliscommissie, vertegenwoordigd door [voorzitter], en mr. G.M. van den Broek, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 29 juni en 28 november 1995 hebben onderscheidenlijk de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal ingestemd met de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (hierna: PKB Schiphol), waarin het beleid ten aanzien van het luchtvaartterrein Schiphol is neergelegd.

Op 23 oktober 1996 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer krachtens artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw), gelezen in samenhang met artikel 24 van de Lvw, het luchtvaartterrein Schiphol aangewezen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Op 20 februari 2003 is hoofdstuk 8 Wet Luchtvaart in werking getreden en het op grond daarvan vastgestelde Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna: LVB). Daarbij zijn de PKB Schiphol en het aanwijzingsbesluit vervallen.

Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de uitbreiding van het luchtvaartterrein Schiphol hebben onder meer de minister, provinciale staten van Noord-Holland en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol vastgesteld.

Ingevolge artikel 9 van de Gemeenschappelijke Regeling beslist het algemeen bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: het algemeen bestuur) op verzoeken om schadevergoeding, als bedoeld in artikel 49 van de WRO, voor zover de schade verband houdt met de in die bepaling bedoelde besluiten.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Regeling is het algemeen bestuur bevoegd de in artikel 9 genoemde bevoegdheden over te dragen aan de besliscommissie.

Bij besluit van 14 januari 1999 heeft het algemeen bestuur deze bevoegdheden aan de besliscommissie overgedragen.

2. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3. Op 29 april 1999 is het bestemmingsplan ‘Schiphol-West e.o. (het bestemmingsplan) in werking getreden, waarmee de uitbreiding van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan planologisch mogelijk werd gemaakt.

4. [appellante] heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zij stelt te hebben gemaakt als gevolg van gedwongen bedrijfsverplaatsing. Door de toename van het vliegverkeer en daarmee gepaard gaande geluidhinder als gevolg van de komst van de vijfde baan, de zogenoemde Polderbaan, was het niet langer mogelijk haar bedrijf uit te oefenen in een deel van het pand [locatie] te Assendelft. [appellante] was vanaf 1987 gevestigd in het pand, dat thans op ongeveer 12 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde start- en landingsbaan van de luchthaven Schiphol, de Polderbaan, ligt.

5. De besliscommissie heeft bij besluit van 15 april 2013 de afwijzing van het verzoek, onder verwijzing naar de adviezen van de Adviescommissie Schadeschap luchthaven Schiphol van 2 augustus 2011 en 6 februari 2012, gehandhaafd. Volgens de besliscommissie heeft zich geen planschade als gevolg van beperking van mogelijkheden voor bedrijfsmatig gebruik van het pand voorgedaan. Daartoe heeft de besliscommissie aangevoerd dat het bedrijfsmatige gebruik van het betreffende deel van het pand ten tijde van de peildatum, 29 april 1999, in strijd was met het toen ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Assendelft-Zuid’. Er zijn geen objectieve gegevens voorhanden waaruit blijkt dat de gemeente het bedrijfsmatige gebruik expliciet en actief heeft gedoogd. Daarnaast zijn de door [appellante] gestelde verhuiskosten niet aan te merken als een rechtstreeks gevolg van het bestemmingsplan.

6. De rechtbank heeft overwogen dat de besliscommissie haar besluitvorming heeft mogen baseren op de adviezen en zich terecht op het standpunt gesteld dat planschade als gevolg van beperking van de mogelijkheden voor bedrijfsmatig gebruik zich niet voor heeft gedaan. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad ten tijde van de peildatum het bedrijfsmatig gebruik van een deel van het pand expliciet heeft gedoogd dan wel dat dit gebruik in de toekomst positief bestemd zou worden.

7. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het feitelijk gebruik van een deel van het pand voor bedrijfsmatige doeleinden al jaren lang door de gemeente werd gedoogd en ook in de toekomst zou worden toegestaan. Het bedrijf moet geacht worden rechtmatig aanwezig te zijn en maakt als zodanig onderdeel uit van het oude planologische regime. Daarnaast betoogt [appellante] dat een eventueel met het bestemmingsplan strijdig gebruik niet aan toekenning van schadevergoeding in de weg staat. Daartoe voert [appellante] aan dat het aanleggen van de vijfde baan en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast schade zullen veroorzaken ongeacht de planologische bestemming van het perceel. De kosten, waaronder directe verhuiskosten, dubbele huurlasten en hogere huur, vloeien voort uit de noodgedwongen verhuizing en zijn volgens [appellante] het rechtstreeks gevolg van het bestemmingsplan.

7.1. Daargelaten of het betoog van [appellante] dat het bedrijf geacht moet worden rechtmatig aanwezig te zijn in de oude planologische situatie, slaagt, is van belang dat de besliscommissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten die verband houden met de verhuizing van het bedrijf niet als een rechtstreeks gevolg kunnen worden aangemerkt van het bestemmingsplan en in zoverre niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Uit het bestemmingsplan, noch uit de toename van de geluidbelasting onder het vijfbanenstelsel vloeit een verplichting voort voor [appellante] om het bedrijf te verplaatsen. Anders dan [appellante] betoogt, betreft de verhuizing van het bedrijf geen gedwongen bedrijfsverplaatsing, maar is terug te voeren op een ondernemerskeuze. Ook als aangenomen moet worden dat [appellante] zonder de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet zou zijn verhuisd, dan brengt dat niet met zich dat de gestelde schade in zodanig verband met het bestemmingsplan staat dat deze als gevolg daarvan moet worden toegerekend. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008 in zaak nr. 200801164/1, waarin is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Geschillen van 20 oktober 1993 in zaak nr. G09.92.0011 (AB 1994, 99) en waarin is overwogen dat verhuiskosten niet voor planschadevergoeding in aanmerking komen, omdat deze niet als een rechtstreeks gevolg kunnen worden aangemerkt van het bestemmingsplan.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

299.