Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201402946/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:1416, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van een brandcompartiment in verband met de interne verbouwing van een woning op het perceel [locatie] te Berkhout, gemeente Koggenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402946/1/A4.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Berkhout, gemeente Koggenland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2014 in zaak nr. 13/1312 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Koggenland.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van een brandcompartiment in verband met de interne verbouwing van een woning op het perceel [locatie] te Berkhout, gemeente Koggenland.

Bij besluit van 12 juni 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2014, waar [appellante], bijgestaan door L.J.A. Evers, en het college, vertegenwoordigd door R. van der Woude en H. Keesman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning geschiedt en de gegevens en bescheiden die door de aanvrager worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet.

Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) verstrekt de aanvrager, voor zover dat naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag, bij de aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag betrekking heeft.

In afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften uit het oogpunt van veiligheid gegeven omtrent de algemene sterkte van de bouwconstructie van nieuwbouw en bestaande bouw.

In artikel 2.2, aanhef en eerste lid, van de ministeriële Regeling omgevingsrecht (hierna: de Mor) is geregeld welke gegevens en bescheiden de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 uit het oogpunt van veiligheid moet verstrekken.

2. De woning van [appellante] is een stolpboerderij, waarin eerder twee verbouwingen hebben plaatsgevonden. Daarbij is de woning gesplitst, een scheidingsmuur tot halverwege de zolderverdieping geplaatst en een volledig dragende vloer op de zolder aangebracht. Ten behoeve van de fundering van de woning zijn daarbij in aanvulling op de reeds aanwezige palen twee extra palen onder de scheidingsmuur in de grond geslagen. Het bouwplan voorziet in de wijziging van een brandcompartiment vanwege de realisatie van een kamer op de zolderverdieping door het aanbrengen van een scheidingsmuur en een plafond als gevolg waarvan de constructie van de woning extra wordt belast.

3. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat onduidelijkheid bestaat over details omtrent de palen en over de vraag of de eerdere verbouwingen gepaard gingen met andere werkzaamheden ten behoeve van de fundering van de woning. De rechtbank heeft voorts overwogen dat partijen ter zitting hebben beaamd dat, welk resultaat ook uit nadere onderzoeken en berekeningen naar de draagkracht van de palen zal komen, deze uitkomsten op volstrekt onvoldoende wijze de werkelijke situatie zullen benaderen, omdat die details over de palen en eerdere verbouwingen nu eenmaal onduidelijk zijn en zullen blijven. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellante] aan de hand van de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwen voldoet aan de voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid in afdeling 2.1 van het Bouwbesluit 2012 zijn gegeven, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de huidige draagkracht van de constructie van de woning voldoende is om het bouwplan te kunnen realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo dan ook terecht geweigerd.

4. [appellante] betoogt dat weliswaar onduidelijkheid bestaat over details omtrent de palen en eerdere verbouwingen, maar dat de rechtbank heeft miskend dat zij desondanks aan de hand van de gegevens die zij redelijkerwijs nog wel heeft kunnen achterhalen, op basis van de sondering waarvan door Geomechanica BV op 26 maart 2013 rapport is opgemaakt, het verrichte destructief onderzoek en de door Ingenieursbureau Faas & van Iterson gemaakte constructieberekening van 3 oktober 2010, aannemelijk heeft gemaakt dat de huidige draagkracht van de constructie van de woning voldoende is om het bouwplan te kunnen realiseren. Ook heeft de rechtbank miskend dat het onmogelijk is om nog meer constructiegegevens te achterhalen, aldus [appellante]. Volgens [appellante] is de rechtbank voorts ten onrechte aan de feitelijke situatie voorbijgegaan, nu de woning al geruime tijd geleden is gebouwd en niet is gebleken van een te zwaar belaste constructie. Daarbij wijst ze er nog op dat het materiaal dat in het verleden op voormelde volledig dragende vloer lag inmiddels is afgevoerd, waardoor het gewicht daarvan niet meer op de palen drukt.

4.1. Niet in geschil is dat onduidelijkheid bestaat over details omtrent de palen en over de vraag of de eerdere verbouwingen gepaard gingen met andere werkzaamheden ten behoeve van de fundering van de woning. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat op grond van de door [appellante] overgelegde gegevens geen conclusie over de exacte draagkracht van de constructie van de woning kan worden getrokken, zodat daaraan niet de betekenis toekomt die [appellante] daaraan gehecht wil zien.

Gelet hierop en op de beoordelingsvrijheid die het college, anders dan [appellante] betoogt, op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo toekomt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning ingevolge die regeling heeft kunnen weigeren, omdat op grond van de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden niet aannemelijk is dat het bouwen, voor zover het de constructieve veiligheid betreft, voldoet aan het Bouwbesluit 2012. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4.4, eerste lid, van het Bor en artikel 2.2, aanhef en eerste lid, van de Mor aan [appellante] was om gegevens en bescheiden over te leggen die voormelde onduidelijkheid zouden wegnemen. In de enkele stelling van [appellante] dat dit voor haar onmogelijk was, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor een andere conclusie. Evenmin leidt hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de feitelijke situatie tot een andere conclusie, nu de enkele omstandigheid dat sinds de bouw van de woning niet is gebleken van een te zwaar belaste constructie en dat het gewicht van afgevoerd materiaal niet meer op de palen drukt niet meebrengt dat aannemelijk is dat het bouwen aan de betrokken voorschriften van het Bouwbesluit 2012 voldoet.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Borman w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

457-742.