Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201402989/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de besliscommissie het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade als gevolg van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402989/1/A2.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2014 in zaak nr. 13/2478 in het geding tussen:

[appellant]

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de besliscommissie het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade als gevolg van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft de besliscommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De besliscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R. van Buiten, advocaat te Haarlem, en de besliscommissie, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.G. Roozendaal, voorzitter, en mr. G.M. van den Broek, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 29 juni en 28 november 1995 hebben onderscheidenlijk de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal ingestemd met de Planologische Kernbeslissing Schiphol en Omgeving (hierna: PKB Schiphol), waarin het beleid ten aanzien van het luchtvaartterrein Schiphol is neergelegd.

Op 23 oktober 1996 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer krachtens artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: Lvw), gelezen in samenhang met artikel 24 van de Lvw, het luchtvaartterrein Schiphol aangewezen (hierna: het aanwijzingsbesluit).

Op 20 februari 2003 is hoofdstuk 8 Wet Luchtvaart in werking getreden en het op grond daarvan vastgestelde Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (hierna: LVB). Daarbij zijn de PKB Schiphol en het aanwijzingsbesluit vervallen.

Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de uitbreiding van het luchtvaartterrein Schiphol hebben onder meer de minister, provinciale staten van Noord-Holland en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol vastgesteld.

Ingevolge artikel 9 van de Gemeenschappelijke Regeling beslist het algemeen bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: het algemeen bestuur) op verzoeken om schadevergoeding, als bedoeld in artikel 49 van de WRO, voor zover de schade verband houdt met de in die bepaling bedoelde besluiten.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Gemeenschappelijke Regeling is het algemeen bestuur bevoegd de in artikel 9 genoemde bevoegdheden over te dragen aan de besliscommissie.

Bij besluit van 14 januari 1999 heeft het algemeen bestuur deze bevoegdheden aan de besliscommissie overgedragen.

2. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

3. Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade dient te worden onderzocht of een wijziging van het planologische regime is opgetreden, waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan wordt gesteld dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

4. Op 29 april 1999 is het bestemmingsplan Schiphol-West e.o. (het bestemmingsplan) in werking getreden, waarmee de uitbreiding van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan planologisch mogelijk werd gemaakt.

5. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardedaling van het achterste gedeelte van het pand [locatie] te Assendelft. Daartoe stelt hij dat door de toename van het vliegverkeer als gevolg van de komst van de vijfde baan, de waarde van dat deel is gedaald en moeilijker als bedrijfsruimte is te verhuren. Het pand ligt op ongeveer 12 kilometer afstand van de zogenoemde Polderbaan, de dichtstbijzijnde start- en landingsbaan van de luchthaven Schiphol.

6. De besliscommissie heeft bij besluit van 15 april 2013 de afwijzing van het verzoek, onder verwijzing naar de adviezen van de Adviescommissie Schadeschap luchthaven Schiphol van 2 augustus 2011 en 6 februari 2012, gehandhaafd. Volgens de besliscommissie heeft zich geen planschade als gevolg van beperking van mogelijkheden voor bedrijfsmatig gebruik van het pand voorgedaan. Daartoe heeft de besliscommissie aangevoerd dat het bedrijfsmatige gebruik van het betreffende deel van het pand ten tijde van de peildatum, 29 april 1999, in strijd was met het toen ter plaatse vigerende bestemmingsplan Assendelft-Zuid. Er zijn geen objectieve gegevens voorhanden waaruit blijkt dat de gemeente het bedrijfsmatige gebruik expliciet en actief heeft gedoogd.

Daarnaast stelt de besliscommissie zich op het standpunt dat [appellant], nu hij op de peildatum geen juridisch eigenaar was van het pand, niet in aanmerking kan komen voor een planschadevergoeding. [appellant] is eerst in 1996 door vererving onder algemene titel eigenaar geworden van het pand.

7. De rechtbank heeft overwogen dat de besliscommissie haar besluitvorming heeft mogen baseren op de adviezen en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat planschade als gevolg van beperking van de mogelijkheden voor bedrijfsmatig gebruik zich niet voor heeft gedaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad ten tijde van de peildatum het bedrijfsmatig gebruik van een deel van het pand expliciet heeft gedoogd dan wel dat dit gebruik in de toekomst positief bestemd zou worden. Voorts heeft de besliscommissie het verzoek terecht afgewezen, omdat [appellant] op de peildatum geen juridisch eigenaar was en eerst in 1996 door vererving onder algemene titel eigenaar is geworden van het pand.

8. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besliscommissie het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat hij op de peildatum geen juridisch eigenaar was en de erflater geen verzoek om vergoeding van planschade heeft ingediend dat ziet op beperkingen ten aanzien van de mogelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik van het pand. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2008 in zaak nr. 200706124/2, volgt dat bij eigendomsverkrijging onder algemene titel door vererving erfgenamen niet slechts voor vergoeding van planschade in aanmerking komen indien zij op het moment dat het schadeveroorzakende bestemmingsplan rechtskracht verkreeg een zakelijk recht hadden op het perceel waarop het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft. Om als erfgenaam in aanmerking te komen voor vergoeding van planschade is verder niet vereist dat de erflater reeds een verzoek om vergoeding van planschade heeft ingediend.

9. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bestemmingsplan planschade, in de vorm van waardedaling van het achterste deel van het pand, heeft veroorzaakt, ongeacht het gebruik van dat deel van het pand. Daarnaast heeft de rechtbank miskend dat het met de bestemming strijdige bedrijfsmatige gebruik van dat deel van het pand op de peildatum expliciet en actief werd gedoogd.

9.1. Op 24 september 2004 heeft [erflater], de op 1 december 2005 overleden vader van [appellant], een planschadeverzoek ingediend dat ziet op het woongedeelte van pand. [erflater] heeft geen verzoek ingediend dat ziet op het deel van het pand dat voor bedrijfsmatige doeleinden in gebruik is. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft de besliscommissie een schadevergoeding toegekend van € 27.000,00 voor waardevermindering van het woongedeelte van het pand.

Op 20 november 2007 heeft [appellant] een verzoek ingediend om vergoeding van vermogensschade van de onroerende zaak. Uit het verslag van de hoorzitting gehouden op 22 juli 2008 blijkt dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte van het pand en dat het gehele pand op dezelfde manier moet worden beoordeeld als het woongedeelte. Nu de adviescommissie eerder is uitgegaan van een waardevermindering van 15%, meent hij aanspraak te kunnen maken op 15% van de waarde van de onroerende zaak en kan de eerder toegekende € 27.000,00 daarop in mindering worden gebracht.

In de reactie op het conceptadvies van 28 juni 2011 heeft [appellant] aangevoerd dat de redenering in het conceptadvies dat geen schade zou zijn geleden vanwege het met de bestemming strijdige gebruik van het achtergedeelte van het pand niet juist is. Los van het gebruik van het achtergedeelte van het pand, is dit deel, 2/3 deel van het totale pand, minder waard geworden door de aanleg van de Polderbaan en is het niet betrokken in de eerdere beoordeling van het gedeelte dat als woning wordt gebruikt. Dit standpunt heeft [appellant] nadrukkelijk herhaald in de reactie van 2 december 2011 op een aanvullend conceptadvies, in het bezwaarschrift van 13 maart 2012 en in het beroepschrift van 26 augustus 2013. In het hoger beroepschrift van 8 mei 2014 heeft [appellant] verwezen naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd en betoogt hij wederom dat ongeacht het gebruik van het achterste deel van het pand, dat deel van het pand in waarde is verminderd door de komst van de Polderbaan en de daarmee gepaard gaande geluidbelasting.

Anders dan de besliscommissie ter zitting heeft betoogd, is er geen grond voor het oordeel dat deze grond in hoger beroep buiten de omvang van het geding valt. In de aanvraag is reeds verzocht om vergoeding van waardevermindering van het achterste deel van het pand als gevolg van het nieuwe planologische regime, los van het feitelijke bedrijfsmatige gebruik ervan op de peildatum. De besliscommissie had dit verzoek en de daarin gestelde waardevermindering moeten betrekken in haar besluitvorming. [appellant] heeft terecht betoogd dat de besliscommissie het verzoek niet heeft afkunnen wijzen op de grond dat het bedrijfsmatig gebruik van een deel van het pand in strijd was met het toen ter plaatse vigerende bestemmingsplan Assendelft-Zuid en dat planschade als gevolg van beperkingen ten aanzien van de mogelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik zich niet voor heeft gedaan. Dat het pand feitelijk ten dele voor bedrijfsmatige doeleinden werd gebruikt, betekent niet dat [appellant] door het bestemmingsplan Schiphol-West e.o. reeds daarom geen planschade heeft geleden. De maximale planologische mogelijkheden van het perceel en niet de feitelijke situatie zijn in dit verband bepalend.

In dit verband is voorts van belang dat de juiste planologische vergelijking moet worden gemaakt. Vast staat dat het bestemmingsplan Assendelft-Zuid voor het perceel [locatie] niet in werking is getreden, omdat het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden aan dit onderdeel van het plan. Derhalve is de bestemming in het daarvoor vigerende bestemmingsplan Zuid uit 1973 blijven gelden. Anders dan de besliscommissie ter zitting heeft betoogd, is de omstandigheid dat [appellant] eerst in hoger beroep nadrukkelijk heeft gewezen op de omstandigheid dat het betreffende bestemmingsplan voor het perceel [locatie] nooit in werking is getreden, niet in strijd met de goede procesorde. Uit het verslag van de hoorzitting van 7 juni 2012 in het kader van de bezwaarprocedure volgt dat de besliscommissie deze omstandigheid nadrukkelijk heeft onderkend. Het had derhalve op de weg van de besliscommissie gelegen nader onderzoek te doen naar de voor het perceel geldende bestemming op de peildatum.

10. De slotsom is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de besliscommissie deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde waardevermindering van het achterste deel van het pand niet voor vergoeding is aanmerking komt.

11. De besliscommissie dient met inachtneming van hetgeen onder 9.1. is overwogen, te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de door [appellant] gestelde waardedaling van het achterste deel van het pand als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Schiphol-West e.o. voor vergoeding in aanmerking komt. Indien blijkt dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade, dient dit bedrag in een nieuw besluit te worden toegekend.

12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding onderscheidenlijk verschuldigdheid van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol op om binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak het besluit van 15 april 2013 nader te motiveren dan wel een nieuw besluit te nemen en de uitkomst daarvan aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

Voorzitter Griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

299.