Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201402482/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:954, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het bouwwerk dat wordt gebruikt voor een lichte bedrijfsfunctie, te weten een aannemersbedrijf, op het perceel [locatie 1] te Borne (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1195
OGR-Updates.nl 2014-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402482/1/A1.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. appellant sub 1] en anderen, wonend te Borne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. het college van burgemeester en wethouders van Borne,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2014 in zaak nr. 13/1963 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het bouwwerk dat wordt gebruikt voor een lichte bedrijfsfunctie, te weten een aannemersbedrijf, op het perceel [locatie 1] te Borne (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en voorts omgevingsvergunning verleend voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel voor een lichte bedrijfsfunctie, te weten een aannemersbedrijf.

Bij uitspraak van 14 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juli 2013 vernietigd en het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] te beslissen met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant sub 1] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college het tegen het besluit van 16 januari 2013 gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard en voorts omgevingsvergunning verleend voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel als aannemersbedrijf.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. S.J.P. Kukolja en mr. M. Wulllink, advocaten te Hengelo, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Otten, mr. M. Kruit, mr. M. Scheffers, drs. H.H. Aalderink, ing. P. Colijn, ing. B.H. Willighagen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge de ter plaatse geldende de bestemmingsplannen "De Veldkamp" en "De Veldkamp, wijzigingsplan [...]" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B2-".

Ingevolge artikel 2 van het wijzigingsplan "De Veldkamp, wijzigingsplan [...]" zijn op de wijziging de voorschriften van het bestemmingsplan "De Veldkamp" van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Veldkamp" zijn de voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding B2 bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2.

Ingevolge artikel 19, derde lid, is het college bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van artikel 5, eerste lid, onder a van het bestemmingsplan voor de vestiging c.q. uitoefening van een bedrijf, vermeld in een hogere categorie van de Lijst van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) met dien verstande dat:

a. het bedrijf binnen en buiten het plangebied naar aard en invloed op de omgeving en verschijningsvorm geen onevenredige milieubelasting mag opleveren:

b. bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling dienen te worden betrokken: geluidhinder, geurproductie, stofuitworp, trillinghinder, gevaar, straling, verontreiniging van lucht boden en grondwater waarbij tevens kan worden gekeken naar de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

2. [ belanghebbende] is een stratenmakersbedrijf. Vast staat dat het bedrijf volgens bijlage 1 "Staat van bedrijven" niet valt in de categorieën 1 en 2, zodat de uitoefening daarvan in strijd is met het bestemmingsplan. Om die uitoefening niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo omgevingsvergunning daarvoor verleend.

3. De woning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 2] te Borne is gelegen op een afstand van 20 tot 23 m van het perceel.

4. De rechtbank heeft het besluit van 30 juli 2013 vernietigd omdat het college bij de beoordeling of de omgevingsvergunning kon worden verleend ten onrechte is uitgegaan van het gebruik door [appellant sub 1] van zijn woning als bedrijfswoning in plaats van als burgerwoning, zodat het besluit op een onjuiste grondslag berust. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet heeft aangetoond dat [appellant sub 1] voorafgaand aan en ten tijde van het besluit van 30 juli 2013 zijn woning als bedrijfswoning gebruikte, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij deze als burgerwoning gebruikte, waarmee dat gebruik krachtens het overgangsrecht van het op 2 maart 2013 in werking getreden bestemmingsplan "De Veldkamp, herziening [locatie 2]" mag worden voortgezet.

Voorts heeft de rechtbank in de overweging ten overvloede in het besluit van 30 juli 2013, dat de omgevingsvergunning ook terecht is verleend als dient te worden uitgegaan van het gebruik van de woning als burgerwoning, geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet vast is komen te staan dat het college is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende]. Het college dient nader te onderzoeken welke gevolgen dit bedrijf heeft voor de leefomgeving van [appellant sub 1] en of die gevolgen niet onevenredig zijn, mede gelet op de omstandigheid dat zijn woning een burgerwoning betreft, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van het college

5. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het terecht aan [belanghebbende] omgevingsvergunning heeft verleend. Volgens het college levert het bedrijf geen onevenredige milieubelasting op. De rechtbank heeft miskend dat de woning van [appellant sub 1] niet op grond van het overgangsrecht mag worden gebruikt als burgerwoning, nu de woning reeds ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "De Veldkamp" op 16 februari 2006 werd gebruikt als bedrijfswoning, aldus het college. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is komen vast te staan dat het college is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende], en dat het door het college overgelegde akoestisch rapport daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Dat het college geen rekening heeft gehouden met de bij [belanghebbende] in gebruik zijnde minishovel, is niet van belang, nu de effecten daarvan op de directe omgeving zeer gering zijn, aldus het college.

5.1. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college terecht aan [belanghebbende] omgevingsvergunning heeft verleend. Ongeacht of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uitgegaan dient te worden van het gebruik van de woning van [appellant sub 1] als bedrijfswoning, in welk geval de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de Handreiking) niet geldt, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college onvoldoende heeft onderzocht welke gevolgen [belanghebbende] heeft op de leefomgeving van [appellant sub 1]. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [belanghebbende] ter zitting heeft verklaard dat op zijn bedrijf naast een shovel nog een minishovel aanwezig is, terwijl in het bij de rechtbank overgelegde akoestisch rapport van 22 november 2013 wordt uitgegaan van slechts één shovel. Dat de effecten van de minishovel op de omgeving volgens het college zeer gering zijn, vormt geen grond voor een ander oordeel, nu het college dat niet heeft onderzocht. Voorts is van belang dat bij [belanghebbende] het aspect geluid het meest bepalend is voor de aan te houden afstand tussen het perceel en de woning van [appellant sub 1] en dat [appellant sub 1] heeft gesteld dat shovels het meest bepalend zijn voor de mate van geluidhinder.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

6. [ appellant sub 1] heeft hoger beroep ingesteld, omdat volgens hem de gronden waarop de rechtbank het besluit van 30 juli 2013 heeft vernietigd, dienen te worden aangevuld. Voorts heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte het besluit van 16 januari 2013 niet herroepen, nu het geconstateerde gebrek in het besluit van 16 januari 2013 niet in een nieuw te nemen besluit op bezwaar kan worden hersteld.

7. [ appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht het bestemmingsplan "De Veldkamp herziening [locatie 2]" bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Volgens hem is daarin zijn woning ten onrechte bestemd als bedrijfswoning. Het college wist dat aan deze bestemming geen deugdelijk onderzoek ten grondslag lag om welke reden het plan door de Afdeling naderhand is vernietigd, aldus [appellant sub 1]. Volgens [appellant sub 1] is het bestemmingsplan vastgesteld om aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning te kunnen verlenen en is er derhalve sprake van détournement du pouvoir.

7.1. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college voormeld bestemmingsplan in zoverre ten onrechte bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Het plan was ten tijde van de besluitvorming in werking. Dat het plan door de Afdeling naderhand is vernietigd, maakt dat niet anders, nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de vernietiging van het plan als zodanig geen terugwerkende kracht heeft. Voorts is van belang dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad van de gemeente Borne bij het vaststellen van het bestemmingsplan een ander doel voor ogen had dan dat van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

8. [ appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank, door in navolging van het college te overwegen dat zijn perceel is gelegen in een "gemengd gebied" als bedoeld in de Handreiking heeft miskend dat zijn perceel is gelegen op een bedrijventerrein, maar dat als uitgangspunt dient te worden genomen de situatie vóór de vaststelling van het bestemmingsplan "De Veldkamp", toen zijn perceel was gelegen in een "rustige woonwijk". Volgens de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2002 in zaak nr. 200003851/1 (www.raadvanstate.nl) dient ook in het kader van het overgangsrecht met de Handreiking rekening te worden gehouden, aldus [appellant sub 1].

8.1. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het perceel van [appellant sub 1] is gelegen in "gemengd gebied" als bedoeld in de Handreiking. Daartoe wordt overwogen dat, ook al zou zijn woning op grond van het overgangsrecht mogen worden gebruikt als burgerwoning en de Handreiking van toepassing zijn, dat niet maakt dat bij toepassing van de Handreiking dient te worden uitgegaan van de ligging van zijn woning in een "rustige woonwijk". Daarbij is van belang dat het perceel van [appellant sub 1] en de omliggende gronden reeds in het bestemmingsplan "De Veldkamp" de bestemming bedrijfsdoeleinden hebben gekregen en de woning van [appellant sub 1] is gelegen in de directe nabijheid van een spoorlijn. De omstandigheid dat, naar gesteld door [appellant sub 1], de woningen aan de overzijde op dezelfde afstand van het spoor als zijn woning door het college als gelegen in een "rustige woonwijk" zijn aangemerkt, vormt geen grond voor een ander oordeel. Volgens de Handreiking behoren tot "gemengd gebied" gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen en kan de verhoogde milieubelasting voor geluid in dat geval de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Voor het standpunt van [appellant sub 1] dat bij de beoordeling of op lokaal niveau sprake is van een "gemengd gebied" zoals hier aan de orde, de spoorlijn niet als hoofdinfrastructuur kan worden aangemerkt, bestaat geen grond.

Het betoog faalt.

9. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vanwege de afstand van minder dan 30 m tussen het perceel en zijn woning per definitie in zijn woning geen goed woon- en leefklimaat mogelijk is, nu volgens bijlage 1 "Staat van bedrijven" een bedrijf dat gebruik maakt van shovels valt in categorie 3.2 waarvoor een afstand van 100 m tot woningen geldt, faalt. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet reeds op grond van het feit dat de afstand tussen het perceel en de woning van [appellant sub 1] niet voldoet aan de in bijlage 1 bij het bestemmingsplan vermelde afstand, heeft geconcludeerd dat het met de omgevingsvergunning toegestane gebruik leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te beoordelen of voor [belanghebbende], dat shovels gebruikt, omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan worden verleend, heeft het college de in de Handreiking aanbevolen afstanden betrokken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van deze afstanden kan worden afgeweken, mits dit voldoende is onderbouwd.

10. [ appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verrichte akoestisch onderzoek in strijd is met het gebiedsgerichte geluidsbeleid van de gemeente Borne, waarin is opgenomen dat lawaai aan de voor- en achterzijde te veel van het goede is en dat in het onderzoek de reconstructie van de Burenweg en de intensivering daarvan buiten beschouwing zijn gelaten. Bovendien is in het onderzoek ten onrechte alleen rekening gehouden met geluidhinder door het gebruik van shovels en is er daarin geen rekening mee gehouden dat al vroeg in de morgen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Voorts is in het onderzoek de berekening van cumulatie van geluid foutief uitgevoerd.

10.1. De rechtbank heeft overwogen dat in het akoestisch rapport is uitgegaan van het gebruik van slechts één shovel door [belanghebbende] en geoordeeld dat derhalve niet vast staat dat in dit rapport van de juiste bedrijfssituatie van [belanghebbende] is uitgegaan. Het betoog van [appellant sub 1] dat het rapport voorts om voormelde redenen onzorgvuldig is en de rechtbank dat had moeten onderkennen, kan niet leiden tot het door hem daarmee beoogde doel, reeds omdat hij dit betoog niet bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

Het betoog faalt.

11. [ appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de artikelen 6, 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet heeft besproken. Voorts voert hij aan dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 16 januari 2013 in strijd is met artikel 8 van het EVRM, nu daarmee inbreuk wordt gemaakt op het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Verder voert [appellant sub 1] aan dat in strijd met de artikelen 6 en 13 van het EVRM geen sprake is van een effectieve rechtsgang en behandeling van zijn zaak binnen redelijke termijn. In 2006 is zijn woonrecht hem ontnomen en de verscheidene juridische procedures die hij nadien heeft gevoerd, hebben daarin geen verandering gebracht, aldus [appellant sub 1].

11.1. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de artikelen 6, 8 en 13 van het EVRM buiten bespreking heeft gelaten, is terecht voorgedragen maar slaagt om navolgende redenen niet.

11.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge artikel 13 heeft een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

11.3. Voor zover het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning al beschouwd kan worden als een inmenging in de rechten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM vindt deze haar grondslag in de Wabo. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201211568/1/A1; www.raadvanstate.nl) kunnen overeenkomstig de Wabo genomen besluiten alleen dan geacht worden in strijd te zijn met artikel 8 van het EVRM, wanneer zich omstandigheden voordoen, waardoor zich als gevolg van deze besluiten een niet-gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten voordoet. In het betoog van [appellant sub 1] wordt geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat het hier een niet-gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk, als hiervoor bedoeld, betreft.

Evenmin worden aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat [appellant sub 1] het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen besluiten van het college is onthouden. Hij heeft juist verscheidene rechtsmiddelen aangewend tegen besluiten van het college, waarbij hij de rechtmatigheid daarvan aan de orde heeft gesteld. Dat dit niet tot het door hem gewenste resultaat heeft geleid, doet daaraan niet af.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201302106/1/A2 (www.raadvanstate.nl), wordt voorts overwogen dat, nu in de onderhavige zaak de termijn tussen de binnenkomst van het bezwaarschrift van [appellant sub 1] bij de gemeente Borne op 20 februari 2013 en de uitspraak van de rechtbank op 14 februari 2014 minder bedraagt dan twee jaar, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat daarin de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is overschreden. Dat [appellant sub 1], als gesteld, reeds voorafgaand aan het bij besluit op bezwaar van 30 juli 2013 gehandhaafde besluit van 16 januari 2013 verscheidene procedures heeft gevoerd omdat zijn woonrecht hem is ontnomen, maakt dat niet anders. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 juni 2009, in zaak nr. 200807869/1/H2 (www.raadvanstate.nl), per procedure afzonderlijk dient te worden beoordeeld of sprake is van schending van de redelijke termijn.

Het betoog faalt.

12. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de gronden waarop de rechtbank het besluit van 30 juli 2013 heeft vernietigd, dienden te worden aangevuld of dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 16 januari 2013 niet heeft herroepen.

13. De hoger beroepen van het college en van [appellant sub 1] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14. Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het college het besluit van 30 juli 2013 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

15. Het college heeft zich in zijn besluit van 22 juli 2014 op het standpunt gesteld dat, ook indien zoals de rechtbank heeft overwogen de woning van [appellant sub 1] op grond van het overgangsrecht als burgerwoning mag worden gebruikt en is gelegen in "gemengd gebied" als bedoeld in de Handreiking, het aan [belanghebbende] terecht omgevingsvergunning heeft verleend. Het college heeft aan dat besluit twee akoestische rapporten van Alcedo van 16 april 2014 ten grondslag gelegd. In het eerste rapport (hierna: rapport I) zijn de bevindingen neergelegd van een uitgevoerd akoestisch onderzoek naar de geluidsniveaus op de woning van [appellant sub 1] vanwege [belanghebbende]. In het tweede rapport (hierna: rapport II) zijn de bevindingen neergelegd van een uitgevoerd akoestisch onderzoek naar de effecten van het wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, industrielawaai en de cumulatie van deze verschillende geluidssoorten op de woning van [appellant sub 1].

In rapport I is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximaal geluidsniveau en het equivalent geluidsniveau voor de verkeersaantrekkende werking ingevolge het Activiteitenbesluit en dat wordt voldaan aan de ambitiewaarde van 50 dB zoals opgenomen in het Gebiedsgericht Geluidsbeleid, nota Hogere Grenswaarden uit december 2009. Volgens dit rapport is in het onderzoek uitgegaan van de strengere grenswaarden van een woning buiten een bedrijventerrein. In rapport II is geconcludeerd dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer ten hoogste 54 dB is, ten gevolge van railverkeer ten hoogste 72 dB is, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege bedrijven ten hoogste 50 dB is, waarbij [belanghebbende] bepalend is, en de cumulatieve geluidsbelasting ten hoogste 67 dB is en dat de cumulatieve geluidsbelasting in belangrijke mate wordt bepaald door railverkeerslawaai.

16. [ appellant sub 1] betoogt onder verwijzing naar zijn gronden in hoger beroep dat het college opnieuw heeft miskend dat het ten onrechte aan [belanghebbende] omgevingsvergunning heeft verleend. Voorts voert hij aan dat het college zijn besluit ten onrechte op de akoestische rapporten van Alcedo heeft gebaseerd. Volgens hem heeft Alcedo daarin geen rekening gehouden met de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] die regelmatig al voor 7.00 uur plaatsvinden. Voorts wordt in die rapporten ten onrechte volstaan met een inschatting van de geïndividualiseerde invloed van het bedrijf op zijn woning en niet onderkend dat de cumulatieve geluidsbelasting zo hoog is dat in zijn woning geen goed woon- en leefklimaat mogelijk is, aldus [appellant sub 1]. Voorts voert hij aan dat in rapporten van Alcedo niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende] en geen rekening is gehouden met de groeimogelijkheden van dat bedrijf.

16.1. Het betoog van [appellant sub 1] dat Alcedo geen rekening heeft gehouden met de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] die voor 7.00 uur plaatsvinden, bestaat geen grond, nu uit de rapporten van Alcedo blijkt dat ook activiteiten in de nachtperiode van 23.00 uur tot 7.00 uur bij de beoordeling zijn betrokken.

Het standpunt van [appellant sub 1] dat in deze rapporten ten onrechte wordt volstaan met een onderzoek naar de geïndividualiseerde invloed van [belanghebbende] op zijn woning en niet is onderkend dat de cumulatieve geluidsbelasting dusdanig hoog is dat in zijn woning geen goed woon- en leefklimaat mogelijk is, wordt niet gevolgd. Uit rapport II blijkt dat Alcedo bij de geluidsbelasting vanwege bedrijven ook Bron installatietechniek, het bedrijf dat met [belanghebbende] het dichtst bij het perceel van [appellant sub 1] is gelegen, heeft betrokken, alsmede het nabijgelegen kavel 6088 waarop een bedrijf uit de milieucategorie 2 is toegestaan. Voorts kan aan het feit dat de cumulatieve geluidsbelasting op zijn woning volgens rapport II ten hoogste 67 dB bedraagt, niet de betekenis worden verbonden, die [appellant sub 1] daaraan verbonden wil zien, nu deze niet wordt veroorzaakt door [belanghebbende] maar door het verkeer en in het bijzonder door het railverkeer. De geluidsbelasting op zijn woning vanwege [belanghebbende] overschrijdt de ambitiewaarde van 50 dB niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 april 2012, in zaak nr. 201004316/1/R1, overweegt de Afdeling dat, nu omgevingsvergunningverlening aan het bedrijf van [belanghebbende] niet leidt tot een toename van de gecumuleerde geluidsbelasting, het college in de cumulatieve geluidsbelasting geen aanleiding hoefde te zien om de omgevingsvergunning te weigeren.

Voor de stelling van [appellant sub 1] dat in de rapporten van Alcedo ten onrechte niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende] bestaat geen grond. Volgens rapport I is daarin uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie van [belanghebbende], waarbij de inrichting volledig in bedrijf is.

Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat in de rapporten van Alcedo ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijke groei van [belanghebbende] wordt het volgende overwogen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat omgevingsvergunning voor dat bedrijf als zodanig is verleend. Daarbij is van belang dat deze is verleend ter legalisering van het gebruik van het bouwwerk op het perceel en van het perceel voor een lichte bedrijfsfunctie, te weten een aannemersbedrijf. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat in de rapporten van Alcedo rekening had moeten worden gehouden met groeimogelijkheden van het bedrijf. De verwijzing in dit verband naar de uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201200267/1/R3, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de verrichte onderzoeken niet als onderbouwing voor de afwijking van de aanbevolen richtafstanden uit de Handreiking kunnen dienen, nu daarin geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen, kan [appellant sub 1] niet baten. In de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, kwam appellant op tegen de vaststelling van een bestemmingsplan, waardoor hij zich beperkt zag in de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf. Dat in voorkomende gevallen bij planologische besluiten rekening dient te worden gehouden met de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van een nabijgelegen bedrijf, rechtvaardigt niet de conclusie dat bij omgevingsvergunningverlening aan een bedrijf zelf op voorhand rekening dient te worden gehouden met groei van dat bedrijf.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de rapporten van Alcedo niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen en dat het college daaruit ten onrechte heeft geconcludeerd dat [belanghebbende] geen onevenredige milieubelasting oplevert als bedoeld in artikel 19, derde lid, onder a, van de planvoorschriften. Het college was derhalve bevoegd omgevingsvergunning te verlenen.

Dat volgens [appellant sub 1] in het Gebiedsgerichte Geluidsbeleid, nota Hogere Grenswaarden, is opgenomen dat lawaai aan de voor- en achterzijde te veel van het goede is, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze passage ziet op het vaststellen van hogere grenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder, hetgeen hier niet aan de orde is.

Nu [appellant sub 1] zijn stelling dat [belanghebbende] niet voldoet aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit niet nader heeft onderbouwd, komt daaraan evenmin de betekenis toe die hij daaraan verbonden wenst te zien.

Gelet op het hetgeen in r.o. 11.3. is overwogen, is het besluit van 22 juli 2014 evenmin in strijd met de artikelen 6, 8 en 13 van het EVRM.

Het betoog faalt.

17. Het beroep tegen het besluit van 22 juli 2014 is ongegrond.

18. Het college zal op na te vermelden wijze tot vergoeding in de kosten worden veroordeeld die bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college zijn opgekomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Borne van 22 juli 2014, kenmerk 14INT03271, ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Borne tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Borne een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G. Snijders en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Soede

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

270-757.