Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201402233/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:732, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het CBR geweigerd [appellant] een verklaring van geschiktheid te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402233/1/A1.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Vlissingen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 februari 2014 in zaak nr. 13/2483 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het CBR geweigerd [appellant] een verklaring van geschiktheid te verlenen.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag, alsmede op de in dit hoofdstuk vastgestelde wijze, en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 101, eerste lid, aanhef en onder b, is het CBR bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien het CBR beschikt over gegevens met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager, die het vermoeden rechtvaardigen dat de aanvrager niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, eerste volzin, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Volgens paragraaf 8.8. "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van die bijlage is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring — op basis van een specialistisch rapport — geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2. [appellant] is op 7 september 2011 aangehouden op verdenking van rijden onder invloed. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Bij besluit van 8 december 2011 heeft het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaard, omdat [appellant] niet heeft meegewerkt aan het genoemde onderzoek.

Naar aanleiding van de wens van [appellant] om zijn rijbewijs te vernieuwen, heeft alsnog een onderzoek naar de geschiktheid plaatsgevonden. In dat kader is hij op 31 augustus 2012 onderzocht door psychiater A.G. Kunst. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 september 2012 (hierna: het rapport). Hierin is na lichamelijk, psychiatrisch en bloedonderzoek de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld. Het CBR heeft het besluit van 5 maart 2013 gebaseerd op het rapport. Volgens het CBR is niet aannemelijk dat [appellant] ten tijde van het onderzoek met het misbruik van alcohol was gestopt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport zodanige gebreken vertoont, dat het CBR het niet ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluitvorming. De conclusie in het rapport dat sprake zou zijn van alcoholmisbruik in ruime zin, is gebaseerd op de foutieve veronderstellingen dat sprake is van binge drinken en controleverlies, hetgeen is gebaseerd op de in het rapport weergegeven stelling van [appellant] dat hij maximaal één maal per maand 10 tot 20 flesjes bier drinkt. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vraag of al dan niet sprake is van "binge drinken" niet relevant is. Volgens hem is die in het rapport wel relevant geacht en moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Hij stelt dat er in de medische wetenschap geen overeenstemming bestaat over de vraag welke definitie voor het begrip moet worden gehanteerd en bovendien hanteert het CBR een andere definitie dan de opsteller van het rapport. Hij verwijst in dit verband onder meer naar de Richtlijn diagnostiek van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen (hierna: de Richtlijn diagnostiek) die door de Nederlandse vereniging voor psychiatrie is opgesteld. Volgens hem hebben de in de richtlijn en in andere bronnen opgenomen definities gemeen dat binge drinken moet worden beschouwd als een vorm van alcoholmisbruik waarbij in korte tijd grote hoeveelheden alcohol worden genuttigd en waarbij schade optreedt aan gewone activiteiten en/of verplichtingen. Hij stelt dat hij niet aan dit criterium voldoet en evenmin aan het in het rapport opgenomen criterium dat sprake is van alcoholmisbruik bij personen die 2 keer per maand of vaker de grens van 10 of meer eenheden alcohol overschrijden. Controleverlies is volgens hem evenmin aan de orde, nu hij niet kan worden aangemerkt als een persoon die, eenmaal begonnen met drinken, niet meer kan stoppen en door blijft drinken. Voorts is in het rapport ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij bij zijn aanhouding juist de verkeersveiligheid in ogenschouw heeft genomen, dat bij hem geen sprake is van tolerantie voor alcohol en zijn vermeende alcoholmisbruik niet is terug te zien in het bloedonderzoek, hij een score heeft op de CAGE-test (Cut down, Annoyed by criticism, Guilty about drinking, Eye opener, hierna: CAGE-score) van 0 en is ten onrechte van belang geacht dat hij eerder een gokverslaving had. Voorts heeft de rechtbank miskend dat het CBR ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn bij brief van 14 oktober 2012 ingediende reactie op het rapport, inhoudende dat hij voor het laatst alcohol heeft gebruikt op 30 april 2012. Dat hij eerder, op 8 september 2012, akkoord is gegaan met het rapport, doet er volgens hem niet aan af dat het CBR zijn correcties bij zijn besluitvorming had moeten betrekken, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding bestaat om het bij de rechtbank bestreden besluit niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

De rechtbank heeft dat terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 mei 2011 in de zaak nr. 201009932/1/H3), is het niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of de medische bevindingen van de deskundige juist zijn of een eigen oordeel daarvoor in de plaats te stellen. [appellant] heeft geen bericht van een medisch deskundige overgelegd, waarin de diagnose van de keurend arts wordt weersproken.

3.2. In het rapport wordt vermeld dat [appellant] in het jaar voorafgaand aan de aanhouding één keer per twee weken in het weekend 10 tot 20 flesjes bier dronk en dat er consensus is dat sprake is van alcoholmisbruik bij personen, die twee keer per maand of vaker de grens van 10 of meer eenheden alcohol overschrijden. Daarbij wordt in het rapport vermeld: "Het is een voorbeeld van binge drinken". Vervolgens wordt in het rapport vermeld dat de diagnose is gesteld op basis van binge drinken en controleverlies. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het standpunt van Kunst zo moet worden opgevat dat het drinken van 10 of meer eenheden bier minstens twee keer per maand als alcoholmisbruik moet worden aangemerkt, hetgeen door hem wordt geïnterpreteerd als een voorbeeld van binge drinken. Dat het begrip "binge drinken" in de medische wetenschap, naar gesteld door [appellant] en wat er van die stelling overigens ook zij, anders wordt gedefinieerd dan in het rapport is gedaan, maakt niet dat de rechtbank had moeten oordelen dat het rapport zodanige gebreken vertoont dat moet worden betwijfeld of de daarin opgenomen diagnose juist is en het niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd. Voorts heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 in zaak nr. 201205289/1/A3 geoordeeld dat het CBR niet behoeft te motiveren waarom van de Richtlijn diagnostiek is afgeweken, voor zover dat is gebeurd.

3.3. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Kunst tot de conclusie kon komen dat sprake is van controleverlies wanneer iemand 10 tot 20 flesjes bier heeft genuttigd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het rapport van Kunst blijkt dat deze zich heeft gerealiseerd dat ten tijde van de aanhouding en zijn onderzoek nog slechts één maal per maand 10 tot 20 flesjes bier werden genuttigd. Niet aannemelijk is gemaakt dat de rechtbank daarbij een onjuiste definitie van het begrip controleverlies heeft gehanteerd. Ten aanzien van het betoog dat [appellant] de verkeersveiligheid in ogenschouw heeft genomen ten tijde van zijn aanhouding overweegt de Afdeling dat [appellant] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van het CBR van 21 september 2011 tot oplegging van een onderzoek naar de geschiktheid, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat zijn stelling onverlet laat dat hij heeft gereden na alcohol te hebben gebruikt.

Ten aanzien van zijn stelling dat hij sinds Koninginnedag 2012 niet meer heeft gedronken, overweegt de rechtbank met juistheid dat deze stelling te laat is ingebracht en dat die onverlet laat dat in het rapport de conclusie kon worden getrokken dat het misbruik nog niet was gestopt. De omstandigheid dat een eerdere gokverslaving in het rapport wordt genoemd geeft, anders dan [appellant] stelt, evenmin aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport gebreken vertoont. Er bestaat geen wettelijke grondslag voor het betoog dat verslavingen van langer geleden niet mogen worden betrokken bij het onderzoek. De psychiater mocht bij zijn diagnose dan ook de voorgeschiedenis betrekken om tot uitdrukking te brengen dat [appellant] verslavingsgevoelig is. De gestelde omstandigheden dat in het psychiatrisch onderzoek en het medisch onderzoek niet is gebleken van een tolerantie voor alcohol, uit het bloedonderzoek niet is gebleken dat sprake is van alcoholmisbruik en dat de CAGE-score 0 is kunnen tot slot evenmin leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. Deze omstandigheden zijn meegenomen in het rapport, maar niet doorslaggevend geacht voor het stellen van de diagnose.

3.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet gebleken is dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het CBR op goede gronden heeft besloten ten behoeve van [appellant] te weigeren een verklaring van geschiktheid af te geven.

3.5. Het betoog faalt.

4. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden.

4.1. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van deze wet, blijft, op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

4.2. Het verzoek van [appellant] aan de Afdeling om het CBR tot schadevergoeding te veroordelen, dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van die wet, slechts daartoe kan worden overgegaan bij gegrondverklaring van het hoger beroep.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Fransen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

407.