Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201310458/1/R4, 201310459/1/R4 en 201310460/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013, kenmerk 2013/52656, heeft het college van gedeputeerde staten voorschrift 1.1 van de ontgrondingsvergunning van 29 september 1998, kenmerk CA 3059, voor het ontgrondingsgebied "Groeve de Banen, Fasen I en II" gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Ontgrondingenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310458/1/R4, 201310459/1/R4 en 201310460/1/R4.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Gennep,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg en het college van burgemeester en wethouders van Gennep,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013, kenmerk 2013/52656, heeft het college van gedeputeerde staten voorschrift 1.1 van de ontgrondingsvergunning van 29 september 1998, kenmerk CA 3059, voor het ontgrondingsgebied "Groeve de Banen, Fasen I en II" gewijzigd.

Bij besluit van 26 september 2013, kenmerk 2013/52558, heeft het college van gedeputeerde staten voorschrift 1.1 van de ontgrondingsvergunning van 27 april 2004, kenmerk 03/34372, voor het ontgrondingsgebied "Groeve de Banen, fasen III en IV" gewijzigd.

Bij besluit van 24 september 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "De Banen - Ven-Zelderheide" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 13 november 2014, waar het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. D.A.L. Jongen-Trienekens en J.C.F. Lacroix, beiden werkzaam bij de provincie, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. S. Peters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting verschenen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede.

Overwegingen

1. De bestreden besluiten hebben betrekking op de verlenging van de ontgronding van percelen in het gebied plaatselijk bekend als "De Banen" te Gennep en op het wijzigingsplan "De Banen - Ven-Zelderheide."

2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is.

De wetgever heeft deze eis gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

3. [appellant] en anderen wonen op een afstand van minimaal 1800 meter van de ontgrondingsgebieden en het plangebied en hebben vanuit hun woningen geen zicht op de ontgronding. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te nemen.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat ondanks de grote afstand een persoonlijk objectief bepaalbaar belang van [appellant] en anderen door de bestreden besluiten wordt geraakt. De door [appellant] en anderen genoemde omstandigheid dat het vrachtverkeer van en naar de ontgronding leidt tot onaanvaardbare hinder voor omwonenden, kan niet tot het oordeel leiden dat zij ondanks de afstand een persoonlijk en objectief bepaalbaar belang bij de bestreden besluiten hebben. Daartoe overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen niet aan de transportroute wonen en ook overigens niet aannemelijk is dat zij gevolgen van het vrachtverkeer ondervinden waarmee zij zich onderscheiden van anderen die het gebied bezoeken of daar verblijven. De door [appellant] en anderen genoemde omstandigheid dat de verlenging van de ontgronding leidt tot een voortzetting van de aantasting van natuurlijke waarden in het gebied, kan naar het oordeel van de Afdeling evenmin leiden tot de conclusie dat zij een persoonlijk en objectief bepaalbaar belang hebben bij de bestreden besluiten. Ook met deze omstandigheid onderscheiden zij zich namelijk niet in voldoende mate van anderen die het gebied bezoeken of daar verblijven. Tot slot is een gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, onvoldoende voor het aannemen van een persoonlijk en objectief bepaalbaar belang.

De conclusie is dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn bij de bestreden besluiten als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen.

4. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Postma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

539-767.