Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4174

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201401754/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:867, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/6

Uitspraak

201401754/1/V2.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), van 21 februari 2014 in zaak nrs. 14/1336 en 14/1337 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 februari 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte het originele doopcertificaat dat vermeldt dat de vreemdeling op 7 september 2013 is gedoopt, als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid heeft aangemerkt. De rechtbank is ten onrechte tot toetsing van het besluit overgegaan, aldus de staatssecretaris.

1.1. De vreemdeling heeft ter staving van zijn bekering en doop in Nederland op 7 september 2013, een origineel certificaat overgelegd van zijn doop die na het besluit in de voorafgaande procedure plaatsvond. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2013 in zaak nr. 201101466/1/V2, is een origineel doopcertificaat betreffende een van na beëindiging van de vorige asielprocedure daterende doop in een geval als het onderhavige een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

1.2. De grieven falen.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Afdeling ziet uit een oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3. De vreemdeling voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2 aan dat de staatssecretaris het onderzoek naar de bekering in Nederland heeft verricht in strijd met zijn in die uitspraak weergegeven vaste gedragslijn.

3.1. In het besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij in de eerste procedure waarin de bekering tot het christendom ongeloofwaardig is bevonden, de volledige vragenlijst die hij hanteert bij het onderzoek naar de door een vreemdeling gestelde geloofsovertuiging, heeft toegepast. Niet valt in te zien waarom hij in de onderhavige procedure waaraan opnieuw de bekering tot het christendom ten grondslag is gelegd, de vreemdeling wederom vragen dient te stellen over onder meer de islam, het proces van bekering en de persoonlijke betekenis van het christendom, welke vragen reeds in de voorafgaande procedure zijn gesteld. In deze opvolgende procedure gaat het er slechts om dat de vreemdeling aantoont in hoeverre de aan de aanvraag ten grondslag liggende feiten en omstandigheden verschillen ten opzichte van die in de voorafgaande procedure. Daarvoor heeft hij alle ruimte en gelegenheid gekregen, aldus de staatssecretaris.

3.2. Het staat de staatssecretaris vrij bij een opvolgende aanvraag de vragenlijst aldus te hanteren dat hij zich beperkt tot het stellen van vragen over de verschillen tussen de wederom als asielmotief in de opvolgende procedure naar voren gebrachte bekering enerzijds en de reeds aan de voorafgaande aanvraag ten grondslag gelegde bekering anderzijds (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2014 in zaak nr. 201304684/1/V2). In tegenstelling tot wat de vreemdeling betoogt, heeft de staatssecretaris dan ook niet in strijd gehandeld met zijn vaste gedragslijn, zoals weergegeven in vorengenoemde uitspraak van 24 mei 2013, waarin overigens geen procedure over een opvolgende aanvraag voorlag.

4. De vreemdeling voert voorts aan dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de bekering, ondanks het feit dat hij niet twijfelt aan de verklaringen van de vreemdeling dat hij regelmatig aan bijbellessen en kerkdiensten deelneemt, het evangelie verspreidt en hij een bijbelse naam heeft aangenomen, ongeloofwaardig acht. In dit verband wijst de vreemdeling op de door hem overgelegde brief van een pastor van de Havenkerk in Den Haag van 4 december 2013 en op de door hem in beroep overgelegde rapportages van stichting Gave van onderscheidenlijk 10 januari 2014 en februari 2014.

4.1. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in het gehoor opvolgende aanvraag alle ruimte en gelegenheid heeft gekregen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Niettemin heeft hij met zijn verklaring tijdens het gehoor opvolgende aanvraag dat hij bijbellessen heeft gevolgd en dat zijn geloof sterker is geworden, niet overtuigend verklaard over de motieven voor en het proces van bekering. De door de vreemdeling overgelegde brief van een pastor van de Havenkerk in Den Haag van 4 december 2013 en de rapportages van stichting Gave van onderscheidenlijk 10 januari 2014 en februari 2014 leiden niet tot een ander oordeel aangezien de vreemdeling in eerste instantie door middel van eigen verklaringen zijn proces van bekering aannemelijk moet maken en niet door middel van verklaringen van derden, aldus de staatssecretaris.

4.2. De vreemdeling is afkomstig uit Iran, een land waar zijn eerdere geloofsovertuiging de staatsgodsdienst is en de bekering tot een andere geloofsovertuiging strafbaar is. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 in zaak nr. 201401627/1/V2 bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid in het bijzonder waarde mag hechten aan antwoorden van de vreemdeling op vragen over de motieven voor en het proces van bekering. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling onvoldoende inzicht heeft verschaft in - in het bijzonder - zijn motieven voor en het proces van bekering door slechts verklaringen van algemene aard af te leggen. Daarvan noemt de staatssecretaris in het besluit als voorbeeld dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij diep in zijn hart in Christus gelooft en dat hij sterker is geworden in zijn geloof. Gelet op de bijzondere waarde die de staatssecretaris toekent aan de antwoorden op de vragen over de motieven voor en het proces van bekering, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het feit dat de vreemdeling is gedoopt en, naar hij stelt, regelmatig aan bijbellessen en kerkdiensten deelneemt, het evangelie verspreidt en een bijbelse naam heeft aangenomen, niet kan afdoen aan het ontbreken van overtuigende verklaringen over de motieven voor en het proces van bekering, zodat de bekering van de vreemdeling ongeloofwaardig is.

4.3. De staatssecretaris stelt zich met betrekking tot de door de vreemdeling overgelegde brief van een pastor van de Havenkerk te Den Haag van 4 december 2013 en de rapportages van stichting Gave van onderscheidenlijk 10 januari 2014 en februari 2014 terecht op het standpunt dat een verklaring van een kerkelijke persoon of een instantie weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat een zodanige verklaring de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet laat zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2).

4.4. Nu het standpunt van de staatssecretaris dat de bekering van de vreemdeling ongeloofwaardig is, de toets in rechte kan doorstaan en de vreemdeling betoogt dat het voornemen in het land van herkomst evangeliseringsactiviteiten te verrichten voortkomt uit zijn bekering, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet evenzeer in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij ook aan de voorgenomen evangeliseringsactiviteiten geen geloof hecht.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bij die uitspraak vernietigde besluit geheel in stand blijven;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

238.