Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201306399/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6886, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2011 (primair besluit I) heeft het college aan M.S. Vastgoed en Belegging (hierna: MSVB) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een eengezinswoning aan de Elandstraat ongenummerd naast 46A te Den Haag (hierna: het perceel), ter plaatse van een te slopen garage met ommuurde buitenruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306399/2/A1.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Den Haag,

2. [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

3. [appellant sub 3], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2013 in zaak nr. 12/5636, 12/5641, 12/5644, 12/6203, 12/6207, 12/6245, 12/6246, 12/6248, 12/6285 en 12/6287 in het geding tussen:

[appellanten sub 1],

[appellant sub 2],

[appellant sub 3],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2011 (primair besluit I) heeft het college aan M.S. Vastgoed en Belegging (hierna: MSVB) ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een eengezinswoning aan de Elandstraat ongenummerd naast 46A te Den Haag (hierna: het perceel), ter plaatse van een te slopen garage met ommuurde buitenruimte.

Bij besluit van 7 november 2011 (primair besluit II) heeft het college aan MSVB een sloopvergunning verleend voor het slopen van de garage en tuinmuur op het perceel, ter uitvoering van het bouwplan.

Bij besluit van 26 maart 2012 (primair besluit III) heeft het college aan MSVB een omgevingsvergunning verleend voor het slopen van de garage en de tuinmuur op het perceel, ter uitvoering van het bouwplan.

Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit I) heeft het college het door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 20 oktober 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten, onder wijziging van de motivering in die zin dat het bouwplan in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan Zeeheldenkwartier 2010 en geen ontheffing van het bestemmingsplan meer nodig is.

Bij afzonderlijk besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit II) heeft het college het door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 7 november 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit III) heeft het college het door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 26 maart 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 20 februari 2013 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken ten aanzien van de besluiten van 19 juni 2012 (bestreden besluit I en II) tot nieuwe besluitvorming te komen en heeft zij verder iedere beslissing aangehouden.

Bij besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV) heeft het college, onder intrekking van het besluit van 20 oktober 2011, aan MSVB ontheffing en bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij afzonderlijke besluiten van 15 maart 2013 (primaire besluiten V en VI) heeft het college de besluiten van 19 juni 2012 (bestreden besluit II) en 3 juli 2012 (bestreden besluit III) gewijzigd, in die zin dat de slooptekeningen conform het besluit om bouwvergunning zijn aangepast zodat de mandelige muur tussen beide percelen blijft bestaan.

Bij uitspraak van 12 juni 2013 heeft de rechtbank de door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen, voor zover gericht tegen het besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit I), gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover gericht tegen de besluiten van 19 juni 2012 (bestreden besluit II) en 3 juli 2012 (bestreden besluit III) niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 januari 2014 heeft het college het besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV) tot verlening van ontheffing en bouwvergunning aangevuld, in die zin dat het college op grond van het bestemmingsplan ontheffing heeft verleend ten behoeve van het parkeren.

[appellanten sub 1] hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2014, waar [appellanten sub 1] en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, ir. P.M. Spoelstra en A.C. Visser, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar MSVB, vertegenwoordigd door F.S. Sardar, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 21 mei 2014 in zaak nr. 201306399/1/A1 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen acht weken het daarin omschreven gebrek in het besluit van 15 maart 2014 te herstellen en de uitkomst aan partijen mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft het college het besluit van 15 maart 2013 nader gemotiveerd.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben een zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een eengezinswoning met vier bouwlagen en een hoogte van 12,3 m op het perceel.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de [locatie 1], dat aan de tuinzijde grenst aan de achterkant van het perceel. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2], dat naast het perceel is gelegen.

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat uit de bewoordingen van de welstandsadviezen van de Haagse welstands- en monumentencommissie (hierna: de welstandscommissie) van 6 januari 2010 en 8 februari 2012, die ten grondslag liggen aan het besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV), niet blijkt dat bij de welstandstoetsing van het bouwplan rekening is gehouden met de kenmerken die zijn beschreven in het onderdeel "Niet planmatige, negentiende eeuwse stadsuitbreidingen (ca. 1850-1920)", en met de omstandigheid dat het bouwplan is gelegen in een beschermd stadsgezicht en binnen een tweede ordestraat. Uit die adviezen volgt niet hoe het bouwplan zich verhoudt tot de genoemde kenmerken en waarom wordt voldaan aan het uitgangspunt voor beschermde stadsgezichten, dat een bouwplan dient te leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische karakteristiek van het beschermde stadsgezicht. De Afdeling heeft overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand niet heeft mogen baseren op de welstandsadviezen van 6 januari 2010 en 8 februari 2012. Geconcludeerd is dat het besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV) in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende is gemotiveerd.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college het besluit van 15 maart 2013 nader gemotiveerd, waarbij het heeft volstaan met te verwijzen naar een nadere reactie van de welstandscommissie van 9 juli 2014.

4. In hun zienswijzen hebben [appellanten sub 1] naar voren gebracht dat de samenstelling van de huidige welstandscommissie niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke eisen. Daartoe voeren zij aan dat de huidige [voorzitter], niet als voorzitter benoemd had mogen worden, nu hij hoofdarchitect en directeur is van een Haags architectenbureau, waardoor de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Omdat de openbare vergadering van de welstandscommissie op 9 juli 2014 is voorgezeten door [voorzitter], kan de nadere reactie niet dienen als basis voor herstel van het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, aldus [appellanten sub 1].

4.1. Ingevolge artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat dit artikel is geschonden. [appellanten sub 1] hebben niet gesteld en daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de voorzitter van de welstandscommissie, daargelaten dat hij hoofdarchitect en directeur is van een Haags architectenbureau, op enig moment betrokken is geweest bij het aan de orde zijnde bouwplan. Niet is gebleken dat hij een persoonlijk belang heeft bij de inhoud van de nadere reactie, waarin de eerdere positieve adviezen over het bouwplan zijn bevestigd. Ook anderszins is in hetgeen zij hebben aangevoerd geen grond gelegen voor het oordeel dat met het uitbrengen van de nadere reactie van de welstandscommissie de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Anders dan [appellanten sub 1] betogen, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat de nadere reactie om die reden niet zou kunnen dienen als herstel van het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek.

Het betoog faalt.

5. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het college ten onrechte de nadere reactie van de welstandscommissie niet heeft beoordeeld, maar heeft volstaan met een administratieve doorzending daarvan. Zij betogen verder dat de nadere reactie van de welstandscommissie een herhaling is van het welstandsadvies van 8 februari 2012 en van de reactie van 27 februari 2012 op het in hun opdracht opgestelde second opinion advies van Welstand en Monumenten Midden-Nederland (hierna: het tegenadvies). Volgens hen heeft de welstandscommissie de overwegingen uit de tussenuitspraak ten onrechte niet geaccepteerd en niet als uitgangspunt genomen bij het opstellen van de nadere reactie.

5.1. In de nadere reactie van de welstandscommissie, waarnaar het college ter onderbouwing van het besluit van 15 maart 2013 heeft verwezen, heeft zij overwogen dat het bouwplan is getoetst aan het onderdeel "Algemeen toetsingskader" van de Welstandsnota Den Haag, bestaande uit de "Algemene welstandscriteria" en de kenmerken van het karaktergebied "Niet planmatige, negentiende eeuwse stadsuitbreidingen (ca. 1850-1920)". Verder is het bouwplan beoordeeld in relatie tot het beschermd stadsgezicht "Zeeheldenkwartier". De welstandscommissie heeft onder verwijzing naar de motivering die is opgenomen in de eerdere welstandsadviezen van 6 januari 2010 en 8 februari 2012 en haar reactie van 27 februari 2012 op het tegenadvies geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de genoemde welstandscriteria en dat het goed aansluit bij de kenmerken van de omgeving, het beschermd stadsgezicht "Zeeheldenkwartier" en meer specifiek de gevelwand van de Elandstraat.

5.2. De nadere reactie van de welstandscommissie bevat ten opzichte van de welstandsadviezen van 6 januari 2010 en 8 februari 2012 en de reactie van 27 februari 2012 op het tegenadvies geen nieuwe of aanvullende motivering betreffende de vraag hoe het bouwplan zich verhoudt tot de kenmerken uit het onderdeel "Niet planmatige, negentiende eeuwse stadsuitbreidingen (ca. 1850-1920)" en geen antwoord op de vraag waarom wordt voldaan aan het uitgangspunt voor beschermde stadsgezichten, dat een bouwplan dient te leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische karakteristiek van het beschermde stadsgezicht.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de overweging in de nadere reactie dat het bouwplan zich door het duidelijke "pandkarakter", het gevelontwerp en de gekozen materialen en de toepassing daarvan voegt in de omgeving en dat het de stedenbouwkundige en architectonische structuur van de gevelwand aan de Elandstraat en van het beschermd stadsgezicht "Zeeheldenkwartier" behoudt, neerkomt op een herhaling van hetgeen in de eerdere welstandsadviezen is weergegeven. Voorts heeft de welstandscommissie met haar overweging dat het bouwplan geen kopie is van de bestaande bebouwing in de omgeving en dat het onderdeel "Algemeen toetsingskader" en de status van beschermd stadsgezicht dit ook niet voorschrijven, niet gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan het in de Welstandsnota opgenomen uitgangspunt dat een bouwplan in een beschermd stadsgezicht moet leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische karakteristiek van het beschermde stadsgezicht.

Gelet op het vorenstaande is met de nadere reactie van de welstandscommissie van 9 juli 2014 niet voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Het college heeft, door te volstaan met het ten grondslag leggen van die nadere reactie aan het besluit van 15 maart 2013, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het besluit van 15 maart 2013 is in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

De betogen slagen reeds hierom. Hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], en [appellant sub 3] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

6. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV) ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2013 in zaak nrs. 12/5636, 12/5641, 12/5644, 12/6203, 12/6207, 12/6245, 12/6246, 12/6248, 12/6285 en 12/6287, voor zover daarbij het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 15 maart 2013 (primair besluit IV) ongegrond is verklaard;

III. verklaart de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bij de rechtbank tegen dat besluit ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 15 maart 2013, kenmerk 200901746/159;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan onderscheidenlijk [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Slump w.g. Van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

651.