Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201401262/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:12800, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik ten behoeve van bewoning van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie] te Boesingheliede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401262/1/A4.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 december 2013 in zaak nr. 13/4255 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik ten behoeve van bewoning van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie] te Boesingheliede.

Bij uitspraak van 30 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door D.A. Baars, en het college, vertegenwoordigd door drs. M. Link, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] wenst het perceel ten noordoosten van de woning op het perceel [locatie] te Boesingheliede te gebruiken ten behoeve van de bouw van een woning. Om dat mogelijk te maken heeft hij op 10 juli 2012 een aanvraag, gewijzigd op 13 februari 2013, ingediend. De gewijzigde aanvraag ziet op het mogelijk maken van woongebruik op het thans onbebouwde perceel, waarbij [appellant] te kennen heeft gegeven het bestaande woongebruik op het perceel [locatie] te zullen staken door sloop van de woning.

Ingevolge het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied Noord" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch" met dubbelbestemming "leiding". Vaststaat dat het door [appellant] beoogde gebruik ten behoeve van bewoning van het perceel ten noordoosten van het perceel [locatie] in strijd is met het bestemmingsplan.

2. Het college heeft de aanvraag opgevat als aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Het heeft bij het bestreden besluit geweigerd om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) te verlenen. De sloop van de bestaande woning kan volgens het college niet gegarandeerd worden en de aanvraag ziet derhalve op het toevoegen van een woning aan het buitengebied. Dit is in strijd met het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol dat ter plaatse geen nieuwe woningen toestaat, aldus het college. Nu de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu bij besluit van 10 oktober 2012 heeft geweigerd voor de bouw van een woning een verklaring van geen bezwaar te verlenen, kon volgens het college omgevingsvergunning niet worden verleend.

De rechtbank heeft vervolgens het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank de overweging ten grondslag gelegd dat met een omgevingsvergunning voor het met een bestemmingsplan strijdige gebruik niet kan worden bewerkstelligd dat een ingevolge het bestemmingsplan toegestaan gebruik wordt opgeheven. De verplaatsing van het bouwvlak, zoals [appellant] voorstaat, kan volgens de rechtbank uitsluitend worden gerealiseerd met een gedeeltelijke wijziging van het bestemmingsplan.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat het college terecht omgevingsvergunning heeft geweigerd, heeft miskend dat de aanvraag ziet op de wijziging van het bestemmingsplan.

3.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de aanvraag van [appellant] een verzoek om wijziging van het bestemmingsplan betreft. In de aanvraag verzoekt [appellant] expliciet om wijziging van het bestemmingsplan, hetgeen hij ook in zijn zienswijze van 25 juni 2013 over het ontwerpbesluit van 14 mei 2013 tot het weigeren van omgevingsvergunning heeft benadrukt. De omstandigheden dat [appellant] zich in beroep op het standpunt heeft gesteld dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft geweigerd, en hij ten overstaan van de rechtbank te kennen heeft gegeven dat hij inmiddels vanwege het tijdsverloop en de verschuldigde leges mogelijk geen prijs stelt op een behandeling van een verzoek tot bestemmingsplanwijziging, doet hieraan niet af.

Het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Schiphol West en omgeving" en het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied Noord" kennen geen wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan het college bevoegd was te beslissen op het verzoek om bestemmingsplanwijziging. Aan de door [appellant] verzochte bestemmingsplanwijziging kan slechts medewerking worden verleend door herziening van het bestemmingsplan, welke bevoegdheid de gemeenteraad toekomt. Het college heeft derhalve ten onrechte beslist op de aanvraag, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 23 augustus 2013 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, nu het college onbevoegd op de aanvraag heeft beslist.

Gelet hierop behoeven de overige door [appellant] naar voren gebrachte gronden geen bespreking meer.

5. Het college dient ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de aanvraag door te geleiden naar de raad, die alsnog op de aanvraag zal moeten beslissen. Indien [appellant] een behandeling van de aanvraag door de raad niet langer wenst, kan hij zijn aanvraag intrekken.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 december 2013 in zaak nr. 13/4255;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 23 augustus 2013, kenmerk 2012-0017110;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 euro (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

163-727.